Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001)

 

UITVOERINGSBESLUIT  INKOMSTENBELASTING  2001

Tekst zoals deze geldt op 25 juli 2014

 

 

 

 
BESLUIT van 20 december 2000, houdende vaststelling van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van de Staatssecretaris van FinanciŽn van 17 november 2000, nr. WDB2000/872M, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Directe Belastingen;
     Gelet op de artikelen 2.5, 2.6, 3.11, 3.83, 3.126, 3.127, 4.25, 5.7, 5.22, 5.23, 6.25, 7.6, 10.8 en 10.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001;
     De Raad van State gehoord (advies van 13 december 2000, nr. W06.00.0535/IV);
     Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van FinanciŽn van 18 december 2000, nr. WDB2000/963U, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Directe Belastingen;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen (Hoofdstuk 1 van de wet)

Artikel 1. Reikwijdte en definitie

1. Dit besluit geeft uitvoering aan de artikelen 2.5, 2.6, 3.11, 3.20, 3.54, 3.83, 3.126, 3.126a, 3.127, 4.25, 5.7, 5.20, 5.22, 5.23, 6.1, 6.16, 6.25, 7.6, 9.2, 10.8 en 10.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en aan artikel 10a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

2. Dit besluit verstaat onder wet: de Wet inkomstenbelasting 2001.

Artikel 1a. Pensioenregeling; vrijwillige voortzetting [Treedt in werking per 01-01-2015]

1. Een regeling als bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b, van de wet, die vrijwillig wordt voortgezet nadat de arbeidsverhouding op grond waarvan deelneming aan die pensioenregeling was verplicht is geŽindigd, wordt, onder door Onze Minister te stellen voorwaarden, als een zodanige pensioenregeling aangemerkt, ingeval:

a. de regeling ten hoogste tien jaar vrijwillig wordt voortgezet;

b. gedurende de vrijwillige voorzetting als pensioengevend inkomen geen hoger bedrag in aanmerking wordt genomen dan het gemiddelde pensioengevend inkomen, bedoeld in artikel 3.18, vierde lid, onderdeel d, van de wet, in de vijf aan het eerste dienstjaar van vrijwillige voortzetting voorafgaande kalenderjaren, voor zover de belastingplichtige in die jaren heeft deelgenomen aan de pensioenregeling;

c. onverminderd onderdeel b vanaf het vierde kalenderjaar van vrijwillige voortzetting als pensioengevend inkomen geen hoger bedrag in aanmerking wordt genomen dan het gezamenlijke bedrag van het pensioengevend inkomen, bedoeld in artikel 3.18, vierde lid, onderdeel d, van de wet, vermeerderd met het belastbare loon, het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden en de belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen van de belastingplichtige in het derde kalenderjaar voorafgaande aan het betreffende dienstjaar.

2. Ingeval de arbeidsverhouding, bedoeld in het eerste lid, is geŽindigd als gevolg van arbeidsongeschiktheid, is het eerste lid, onderdelen a en c, niet van toepassing zolang een inkomensvervangende arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ontvangen.

Hoofdstuk 2. Raamwerk (Hoofdstuk 2 van de wet)

Artikel 2. Heffingsgrondslagen; keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen; vermindering verschuldigde inkomstenbelasting bij kiezende belastingplichtige

1.Aan een kiezende belastingplichtige wordt volgens de artikelen 3 tot en met 10 een vermindering op de verschuldigde inkomstenbelasting verleend voor de belasting die betrekking heeft op niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten inkomensbestanddelen.

2.Onder een kiezende belastingplichtige wordt verstaan:

a. een niet gedurende het gehele kalenderjaar in Nederland wonende binnenlandse belastingplichtige, of

b. een buitenlandse belastingplichtige, die volgens artikel 2.5 van de wet kiest voor toepassing van de regels van de wet voor binnenlandse belastingplichtigen.

3.Voor de toepassing van dit artikel en de artikelen 3 tot en met 10 blijft te conserveren inkomen en de daarover verschuldigde belasting buiten beschouwing.

Artikel 3. Heffingsgrondslagen; keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen; vermindering bij inkomen uit werk en woning

1.De vermindering vanwege in het inkomen uit werk en woning begrepen niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten inkomensbestanddelen is gelijk aan het bedrag dat tot de belasting die zonder de toepassing van de artikelen 2 tot en met 10 volgens de wet over het belastbare inkomen uit werk en woning verschuldigd zou zijn, in dezelfde verhouding staat als het gezamenlijke bedrag van de niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten bestanddelen van het noemerinkomen staat tot het noemerinkomen.

2.Onder het gezamenlijke bedrag van de niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten bestanddelen van het noemerinkomen wordt verstaan: de som van:

a. de bestanddelen van het noemerinkomen die niet behoren tot het inkomen uit werk en woning in Nederland volgens afdeling 7.2 van de wet, en

b. de inkomensbestanddelen die daartoe wel behoren maar waarvoor het heffingsrecht op grond van een regeling ter voorkoming van dubbele belasting niet of tot een beperkt tarief aan Nederland is toegewezen.

Bij een binnenlandse belastingplichtige die niet gedurende het gehele kalenderjaar in Nederland woont, worden alleen de inkomensbestanddelen in aanmerking genomen die zijn genoten in de periode dat hij niet in Nederland woonde.

3.De in het eerste lid bedoelde vermindering wordt bij de aanwezigheid van in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde inkomensbestanddelen die Nederland volgens regelingen ter voorkoming van dubbele belasting slechts tegen een beperkt tarief mag belasten, verlaagd met de belasting die Nederland volgens die regelingen over de inkomensbestanddelen mag heffen. De verlaging is evenwel niet hoger dan het bedrag aan belasting dat in Nederland daadwerkelijk over die inkomensbestanddelen wordt geheven.

4.De in het eerste lid bedoelde vermindering kan, na de verlaging, bedoeld in het derde lid, niet meer bedragen dan de belasting die zonder de toepassing van dit hoofdstuk volgens de wet over het belastbare inkomen uit werk en woning verschuldigd zou zijn.

5.Onder noemerinkomen wordt verstaan: het inkomen uit werk en woning

a. vermeerderd met de hierop in het jaar in mindering gebrachte uitgaven voor inkomensvoorzieningen en persoonsgebonden aftrek, en

b. verminderd met de Ė met overeenkomstige toepassing van artikel 3.13 van de wet Ė te verrekenen negatieve bedragen aan noemerinkomen uit andere jaren.

6.Onder de belasting die zonder de toepassing van deze afdeling volgens de wet over het belastbare inkomen uit werk en woning verschuldigd zou zijn, wordt verstaan: de over het kalenderjaar berekende belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet, verminderd met een evenredig deel van het belastingdeel van de heffingskorting. Het belastingdeel van de heffingskorting wordt hierbij naar evenredigheid verdeeld over de, zonder heffingskorting, berekende belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning, het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang en het belastbare inkomen uit sparen en beleggen.

Artikel 4. Heffingsgrondslagen; keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen; verrekening dividendbelasting alsmede bronbelasting op inkomsten uit spaargelden bij inkomen uit werk en woning

De dividendbelasting geheven over tot het inkomen uit werk en woning behorende dividenden die niet tot het in afdeling 7.2 van de wet omschreven inkomen uit werk en woning in Nederland behoren, wordt niet verrekend met de door de kiezende belastingplichtige verschuldigde inkomstenbelasting. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot bronbelasting, bedoeld in artikel 9.2, eerste lid, onderdeel d, van de wet en bronbelasting, bedoeld in het tiende lid van dat artikel.

Artikel 5. Heffingsgrondslagen; keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen; doorschuifregeling

1.Voorzover het gezamenlijke bedrag van de niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten bestanddelen van het noemerinkomen Ė berekend met inachtneming van de verrekening volgens artikel 6 Ė groter is dan het noemerinkomen, wordt het overgebracht naar het volgend jaar. Deze overbrenging vindt alleen plaats indien het naar het volgend jaar over te brengen bedrag door de inspecteur is vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking.

2.In het jaar waarnaar de overbrenging plaatsvindt, wordt voor de berekening van de vermindering volgens artikel 3 het gezamenlijke bedrag van de niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten bestanddelen van het noemerinkomen verhoogd met het over te brengen bedrag aan niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten bestanddelen van het noemerinkomen. Het noemerinkomen wordt niet verhoogd.

3.Artikel 26 van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6. Heffingsgrondslagen; keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen; inhaalregeling

1.Indien het gezamenlijke bedrag van de niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten bestanddelen van het noemerinkomen Ė berekend met inachtneming van de overbrenging volgens artikel 5 Ė negatief is, wordt het voor de toepassing van de vermindering volgens artikel 3 aangemerkt als een negatief niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten bestanddeel van het noemerinkomen van het volgend jaar. De inspecteur stelt het naar het volgend jaar over te brengen bedrag vast bij voor bezwaar vatbare beschikking.

2.De artikelen 26 en 27 van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7. Heffingsgrondslagen; keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen; vermindering bij inkomen uit aanmerkelijk belang

1.De vermindering vanwege in het inkomen uit aanmerkelijk belang begrepen niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten inkomensbestanddelen is gelijk aan het bedrag dat tot de belasting die zonder de toepassing van deze afdeling volgens de wet over het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang verschuldigd zou zijn, in dezelfde verhouding staat als het gezamenlijke bedrag van de niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten bestanddelen van het noemerinkomen staat tot het noemerinkomen.

2.Onder het gezamenlijke bedrag van de niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten bestanddelen van het noemerinkomen wordt verstaan: de som van:

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | Wet IB 2001 | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x