Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001)

 

UITVOERINGSREGELING  ENERGIE-INVESTERINGSAFTREK  2001

Tekst zoals deze geldt op 25 juli 2014

 

 

 

 
     De Staatssecretaris van Financiën;
     Handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken en na overleg met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
     Gelet op artikel 3.42, tweede, vijfde en zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001,

     Besluit:

 

 

Artikel 1

Deze regeling verstaat onder wet: Wet inkomstenbelasting 2001.

Artikel 2

1. Als energie-investeringen als bedoeld in artikel 3.42, tweede lid, van de wet worden aangewezen: de investeringen in bedrijfsmiddelen of in onderdelen daarvan, opgenomen in bijlage I van deze regeling, mits:

a. het bedrijfsmiddel of het onderdeel in overeenstemming is met de bestemming voor zover aangegeven in die bijlage, niet eerder is gebruikt en bestaat uit de in die bijlage genoemde bestanddelen; en

b. – voor zover sprake is van een investering in een voorziening als bedoeld in artikel 1, onderdeel D, onder 2.1.A, onder 1, onder a, van bijlage 1 van deze regeling – door het bevoegde gezag voor het bedrijfsmiddel of onderdeel daarvan een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is afgegeven ten tijde van de aanmelding, bedoeld in artikel 3.42, zesde lid, van de wet;

c. – voor zover sprake is van een investering in een of meerdere voorzieningen als bedoeld in bijlage 1 van deze regeling in artikel 1, onderdeel A, onder 1.2.K, in artikel 1, onderdeel B, onder 1.2.M, in artikel 1, onderdeel B, onder 1.2.O, in artikel 1, onderdeel D, onder 5.1.B, of in artikel 1, onderdeel D, onder 5.1.E – door het bevoegde gezag voor het bedrijfsmiddel of onderdeel daarvan een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is afgegeven ten tijde van de aanmelding, bedoeld in artikel 3.42, zesde lid, van de wet;

d. – voor zover sprake is van een investering in een of meerdere voorzieningen als bedoeld in artikel 1, onderdeel D, onder 1.1.B., onder 1, onder c; onder 1.1.C., onder 1, onder c; onder 2.1.A, onder 1, onder a en b; onder 2.1.B, onder 1; onder 3.1.B, onder a en b; onder 4.1.A, onder 1; onder 5.1.A, onder 1; onder 5.1.B, onder 1; onder 5.1.C, onder 1, onder c; onder 5.1.D, onder 1, onder a; onder 5.1.E, onder 1; onder 5.1.G, onder 1, of onder 5.1.H, onder 1, onder a, b en c, van bijlage 1 van deze regeling – de belastingplichtige daarvoor ten tijde van de aanmelding houder is van een SDE-beschikking 2013 of eerder;

e. – voor zover sprake is van een investering in een of meerdere voorzieningen als bedoeld in artikel 1, onderdeel D, van bijlage 1 van deze regeling – voor deze investering ten tijde van de aanmelding geen SDE-beschikking 2014 is afgegeven.

2. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel d, en van artikel 5, zesde lid, wordt onder een SDE-beschikking 2013 of eerder verstaan: een beschikking waarbij een subsidie als bedoeld in artikel 2 van het Besluit stimulering duurzame energieproductie is verleend op grond van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2013, de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2012, de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2011, de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2010, de Regeling windenergie op zee 2009, de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2009 of de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2008.

3. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel e, wordt onder een SDE-beschikking 2014 verstaan: een beschikking waarbij een subsidie als bedoeld in artikel 2 van het Besluit stimulering duurzame energieproductie, is verleend op grond van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2014.

Artikel 3

1. De aanmelding bedoeld in artikel 3.42, zesde lid, van de wet van de aangegane verplichtingen of de gemaakte voortbrengingskosten ter zake van een investering als bedoeld in artikel 2 moet binnen een termijn van drie maanden plaats vinden. Deze termijn vangt aan:

a. met betrekking tot verplichtingen: bij het aangaan van de verplichtingen;

b. met betrekking tot voortbrengingskosten: bij de aanvang van het kalenderkwartaal volgend op dat waarin de kosten zijn gemaakt of, indien het bedrijfsmiddel of onderdeel ter zake waarvan de kosten zijn gemaakt in het kalenderkwartaal in gebruik is genomen, bij de ingebruikneming van het bedrijfsmiddel respectievelijk het onderdeel.

2. Indien artikel 3.52, eerste lid, onderdeel b, van de wet van toepassing vindt, vangt met betrekking tot voortbrengingskosten de termijn aan bij de inwerkingtreding van de ministeriële regeling indien dat leidt tot een aanmelding op een eerder tijdstip dan op grond van het eerste lid.

Artikel 4

1. De aanmelding van de aangegane verplichtingen en de gemaakte voortbrengingskosten vindt uitsluitend plaats langs de daartoe door de Minister van Economische Zaken geopende elektronische weg.

2. De aanmelding wordt gedaan voor aangegane verplichtingen en gemaakte voortbrengingskosten die per melding samen ten minste € 2.500 bedragen.

Artikel 5

1. De verklaring van de Minister van Economische Zaken, bedoeld in artikel 3.42, eerste lid, van de wet vermeldt in welke aangewezen bedrijfsmiddelen of onderdelen is geïnvesteerd alsmede het bedrag van de uitgaven ter zake.

2. Het verzoek om een verklaring als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan bij de aanmelding bedoeld in de artikelen 3 en 4.

3. De belastingplichtige legt ten behoeve van het verstrekken van een verklaring als bedoeld in het eerste lid, indien de Minister van Economische Zaken daarom verzoekt, een berekening van de energiebesparing over.

4. De belastingplichtige legt ten behoeve van het in behandeling nemen van een verzoek om een verklaring als bedoeld in het eerste lid, indien de Minister van Economische Zaken daarom verzoekt, een kopie van de afgegeven omgevingsvergunning over indien artikel 2, onderdeel b, van toepassing is.

5. De belastingplichtige legt ten behoeve van het in behandeling nemen van een verzoek om een verklaring als bedoeld in het eerste lid, indien de Minister van Economische Zaken daarom verzoekt, een kopie van de afgegeven omgevingsvergunning over indien artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van toepassing is.

6. De belastingplichtige legt ten behoeve van het in behandeling nemen van een verzoek om een verklaring als bedoeld in het eerste lid, indien de Minister van Economische Zaken daarom verzoekt, een kopie van de SDE-beschikking over indien artikel 2, eerste lid, onderdeel d, van toepassing is.

Artikel 6

1. De Minister van Economische Zaken kan de in artikel 5 bedoelde verklaring wijzigen of intrekken indien de te harer verkrijging verstrekte gegevens of bescheiden zodanig onjuist of onvolledig zijn geweest dat op het verzoek een andere beslissing zou zijn genomen indien bij de beoordeling daarvan de juiste of volledige gegevens bekend zouden zijn geweest. Onjuistheid of onvolledigheid van gegevens of bescheiden die de Minister van Economische Zaken bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond opleveren voor wijziging of intrekking van een verklaring.

2. De bevoegdheid tot het intrekken of wijzigen van een verklaring ingevolge het eerste lid vervalt door verloop van vijf jaren na de dagtekening van de verklaring.

Artikel 7

Indien in bijlage I sprake is van meetvoorschriften of tests, of van verklaringen of certificaten, worden bedrijfsmiddelen die getoetst zijn met gelijkwaardige meetvoorschriften of tests, respectievelijk voorzien zijn van gelijkwaardige verklaringen of certificaten, gelijkgesteld met de aangewezen bedrijfsmiddelen. Deze meetvoorschriften, tests, verklaringen of certificaten moeten zijn opgesteld, respectievelijk verstrekt worden door daartoe geaccrediteerde instellingen of instituten.

Artikel 8

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.

Artikel 9

Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

's-Gravenhage, 20 december 2000.
De Staatssecretaris van Financiën,
W. Bos
.

 

 

Bijlage 1 van de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001

 

Artikel 1

Als energie-investeringen als bedoeld in artikel 3.42, tweede lid, van de wet worden aangemerkt:

A. Investeringen ten behoeve van energiebesparing in of bij bedrijfsgebouwen

Technische voorzieningen ten behoeve van energiebesparing in of bij bedrijfsgebouwen, door:

1. De verbetering van de energie-efficiëntie door:

1.1.

A. Toepassing van automatische meet- en regelapparatuur.

1.2.

A. Toepassing van efficiëntere apparatuur.

1.2.

B.

1. Warmtepomp voor het verwarmen van bedrijfsgebouwen of het collectief verwarmen van woningen, en bestaande uit:

a. elektrisch gedreven brine/water warmtepomp met een COP ≥ 4,0 gemeten conform NEN-EN 14511 bij conditie B0/W35, of met een SCOP ≥ 4,0 (bij stookseizoen ‘A’ = average) gemeten conform NEN-EN 14825, of gasgestookte ab- of adsorptiewarmtepomp met een gas utilization efficiency ≥ 1,6 gemeten conform NEN-EN 12309-2 bij conditie B0/W35, (eventueel) bodemwarmtewisselaar of grondwaterbron, (eventueel) restwarmteopslagvat, (eventueel) aansluiting op het verwarmingsnet, (eventueel) verwarmingsnet;

b. elektrisch gedreven warmtepomp met directe expansie (DX) in de bodemwarmtewisselaar met een COP ≥ 4,5 bij een conditie E4/W35, (eventueel) bodemwarmtewisselaar of grondwaterbron, (eventueel) restwarmteopslagvat, (eventueel) aansluiting op het verwarmingsnet, (eventueel) verwarmingsnet;

c. elektrisch gedreven water/water warmtepomp met een COP ≥ 4,5 gemeten conform NEN-EN-14511 bij conditie W10/W35, of met een SCOP ≥ 4,5 (bij stookseizoen ‘A’ = average) gemeten conform NEN-EN 14825, of gasgestookte ab- of adsorptiewarmtepomp met een gas utilization efficiency ≥ 1,8 gemeten conform NEN-EN 12309-2 bij conditie W10/W35, (eventueel) grondwaterbron, (eventueel) restwarmteopslagvat, (eventueel) aansluiting op het verwarmingsnet, (eventueel) verwarmingsnet;

d. elektrisch gedreven brine/lucht warmtepomp met een COP ≥ 3,0 gemeten conform NEN-EN 14511 bij conditie B0/A20 of W10/A20, of met een SCOP ≥ 3,0 (bij stookseizoen ‘A’ = average) gemeten conform NEN-EN 14825, of gasgestookte ab- of adsorptiewarmtepomp brine/lucht met een gas utilization efficiency ≥ 1,2 gemeten conform NEN-EN 12309-2 bij conditie B0/A20, (eventueel) bodemwarmtewisselaar of grondwaterbron (eventueel) restwarmteopslagvat, (eventueel) aansluiting op het verwarmingsnet, (eventueel) verwarmingsnet;

e. elektrisch gedreven water/lucht warmtepomp met een COP ≥ 4,5 gemeten conform NEN-EN 14511 bij conditie W15/A20 of elektrisch gedreven warmtepomp met een COP ≥ 5,0 gemeten conform NEN-EN 14511 bij conditie W20/A20 (waterloop) of gasgestookte ab- of adsorptiewarmtepomp water/lucht met een GUE ≥ 1,8 gemeten conform NEN-EN 12309-2 bij conditie W15/A20 of gasgestookte ab- of adsorptiewarmtepomp met een GUE ≥ 2,0 gemeten conform NEN-EN 12309-2 bij conditie W20/A20 (waterloop), (eventueel) bodemwarmtewisselaar of grondwaterbron, (eventueel) restwarmteopslagvat, (eventueel) aansluiting op het verwarmingsnet, (eventueel) verwarmingsnet;

f. ab- of adsorptiewarmtepomp water/water of water/lucht waarbij de regenerator wordt aangedreven door afvalwarmte of duurzame warmte, (eventueel) bodemwarmtewisselaar of grondwaterbron, (eventueel) restwarmteopslagvat, (eventueel) aansluiting op het verwarmingsnet, (eventueel) verwarmingsnet.

2. Hierbij geldt dat:

• het maximum investeringsbedrag dat voor Energie-investeringsaftrek in aanmerking komt voor de aansluiting op het verwarmingsnet en het verwarmingsnet zelf, genoemd onder a, b, c, d, e en f, € 200 bedraagt per geïnstalleerde kW van het thermisch vermogen van de warmtepomp;

• onder een verwarmingsnet wordt verstaan: leidingnet en installatieonderdelen ten behoeve van warmteafgifte binnen het gebouw van de eindverbruiker;

• hier onder duurzame warmte wordt verstaan: warmte afkomstig van investeringen omschreven onder D;

• warmtepompen die geplaatst worden in woningen niet voor Energie-investeringsaftrek in aanmerking komen. Indien centraal opgestelde warmtepompen worden gebruikt voor verwarming van woningen of andere gebouwen komen deze wel in aanmerking.

1.2.

C.

1. Warmtepomp voor het verwarmen van bedrijfsgebouwen of het collectief verwarmen van woningen, en bestaande uit:

a. elektrisch gedreven lucht/water warmtepomp met een COP ≥ 4,0 gemeten conform NEN-EN 14511 bij conditie A7/W35, of met een SCOP ≥ 4,0 (bij stookseizoen ‘A’ = average) gemeten conform NEN-EN 14825 of gasgestookte ab- adsorptiewarmtepomp met een gas utilization efficiency (GUE) ≥ 1,6 gemeten conform NEN-EN 12309-2 bij conditie A7/W35, (eventueel) restwarmteopslagvat, (eventueel) aansluiting op het verwarmingsnet, (eventueel) verwarmingsnet;

b. elektrisch gedreven lucht/water en lucht (gecombineerd) warmtepomp met een COP ≥ 4,0 gemeten conform NEN-EN 14511 bij conditie A7/W35 of gasgestookte ab- adsorptiewarmtepomp met een GUE ≥ 1,6 gemeten conform NEN-EN 12309-2 bij conditie A7/W35, (eventueel) restwarmteopslagvat, (eventueel) aansluiting op het verwarmingsnet, (eventueel) verwarmingsnet;

c. elektrisch gedreven lucht/lucht warmtepomp (Airconditioner systemen) met een COP ≥ 4,0 gemeten conform NEN-EN 14511 bij conditie A7/A20, of met een SCOP ≥ 4,0 (bij stookseizoen ‘A’ = average) gemeten conform NEN-EN 14825 of gasgestookte ab- adsorptiewarmtepomp met een GUE ≥ 1,6 gemeten conform NEN-EN 12309-2 bij conditie A7/A20;

d. ab- of adsorptiewarmtepomp lucht/lucht of lucht/water waarbij de regenerator wordt aangedreven door afvalwarmte of duurzame warmte, (eventueel) bodemwarmtewisselaar of grondwaterbron, (eventueel) restwarmteopslagvat, (eventueel) aansluiting op het verwarmingsnet, (eventueel) verwarmingsnet.

2. Hierbij geldt dat:

• de correctie op gelijktijdigheid wordt berekend zoals het systeem is ontworpen, waarbij de gehanteerde gelijktijdigheid maximaal 130% bedraagt;

• het maximum investeringsbedrag dat voor Energie-investeringsaftrek in aanmerking komt voor de aansluiting op het verwarmingsnet en het verwarmingsnet zelf, genoemd onder a, b en d, € 200 bedraagt per geïnstalleerde kW van het thermisch vermogen van de warmtepomp;

• onder een verwarmingsnet wordt verstaan: leidingnet en installatieonderdelen ten behoeve van warmteafgifte binnen het gebouw van de eindverbruiker;

• hier onder duurzame warmte wordt verstaan: warmte afkomstig van investeringen omschreven onder D;

• warmtepompen die geplaatst worden in woningen niet voor Energie-investeringsaftrek in aanmerking komen. Indien centraal opgestelde warmtepompen worden gebruikt voor verwarming van woningen of andere gebouwen komen deze wel in aanmerking.

1.2.

D. Warmtepompboiler waarbij de warmte nuttig wordt

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | Wet IB 2001 | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x