Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Wet op de lijkbezorging

 

BESLUIT  OP  DE  LIJKBEZORGING

Tekst zoals deze geldt op 25 juli 2014

 

 

 

 
BESLUIT van 4 december 1997, houdende voorschriften ter uitvoering van de Wet op de lijkbezorging (Besluit op de lijkbezorging)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 17 juli 1997, nr. BW97/U1169 directoraat-generaal Openbaar Bestuur;
     Gelet op de artikelen 9, 15, 32, 57, 66, 70, 78, 79 en 81, onder 7º, van de Wet op de lijkbezorging;
     De Raad van State gehoord (advies van 11 augustus 1997, nr. W04.97.0462);
     Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken, mede namens Onze Ministers van Justitie en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 25 november 1997, directoraat-generaal Openbaar Bestuur;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Paragraaf 1. Begripsbepalingen

 

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. de wet: de Wet op de lijkbezorging;

b. de Overeenkomst van Straatsburg: de overeenkomst inzake het vervoer van lijken van 26 oktober 1973 (Trb. 1975, 95);

c. de Overeenkomst van Berlijn: de overeenkomst inzake het vervoer van lijken van 10 februari 1937.

 

Paragraaf 2. De verklaring van overlijden

 

Artikel 2

1. Het model van de verklaring van overlijden, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de wet, af te geven door de behandelende arts, luidt als in bijlage I van dit besluit is aangegeven.

2. Het model van de verklaring van overlijden, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de wet, af te geven door de gemeentelijke lijkschouwer, luidt als in bijlage II van dit besluit is aangegeven.

 

Paragraaf 3. De wijze van begraven

 

Artikel 3

1. Een lijk wordt begraven in een kist.

2. Begraving mag geschieden zonder kist, mits het lijk zich bevindt in een ander omhulsel. Dit omhulsel moet op het doel van begraving zijn afgestemd.

 

Artikel 4

1. Een kist of ander omhulsel wordt slechts voor begraving gebruikt indien deze is vervaardigd met toepassing van biologisch afbreekbare materialen die het doel van begraving niet belemmeren.

2. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van materialen die worden gebruikt voor handvatten en ornamenten voor zover die van buitenaf verwijderd kunnen worden en verbindingselementen als lijm, spijkers, schroeven, nieten of klemmen.

 

Paragraaf 4. De inrichting van een graf en de afstand tussen de graven onderling

 

Artikel 5

1. De afstand tussen de graven onderling bedraagt ten minste dertig centimeter.

2. Boven de kist of het omhulsel bevindt zich een laag grond van ten minste vijfenzestig centimeter.

3. Ten hoogste drie lijken mogen boven elkaar worden begraven, mits boven elke kist of ander omhulsel een laag grond van ten minste dertig centimeter dikte wordt aangebracht, die bij een volgende begraving niet mag worden geroerd. Ten aanzien van de bovenste kist of het bovenste omhulsel is het tweede lid van toepassing.

4. De graven bevinden zich ten minste dertig centimeter boven het niveau van de gemiddeld hoogste grondwaterstand.

5. Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing op bestaande graven.

 

Artikel 6

De afstand van een graf tot de erfscheiding van de begraafplaats bedraagt ten minste één meter.

 

Artikel 7

1. De constructie van grafkelders, waaronder tevens wordt begrepen een graf in een bovengrondse constructie, is zodanig dat lucht tot de grafruimte kan toetreden en hieruit ook afgevoerd kan worden. De afvoer van lucht uit de grafruimte geschiedt op zodanige wijze dat daarvan geen hinder kan worden ondervonden.

2. Artikel 5 is niet van toepassing op grafkelders als bedoeld in het eerste lid.

 

Paragraaf 5. De wijze van crematie en de wijze van de registratie van crematie en van bestemming van de as

 

Artikel 8

1. Een lijk wordt gecremeerd in een kist.

2. Crematie mag geschieden zonder kist, mits het lijk zich bevindt in een ander omhulsel. Dit omhulsel moet op het doel van crematie zijn afgestemd.

 

Artikel 9

De crematie geschiedt op zodanige wijze, dat vermenging of verwisseling van de as met die van andere lijken niet mogelijk is.

 

Artikel 10

1. Het register, bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de wet vermeldt:

a. de naam en voornamen van de overledene, datum en plaats van geboorte, datum en plaats van overlijden, alsmede het registratienummer van de asbus, dan wel, in het geval van een doodgeborene, de naam, datum en plaats van geboorte, alsmede het registratienummer van de asbus;

b. de bestemming die aan de as is gegeven;

c. de naam en het adres van de persoon die de bestemming van de as heeft aangegeven;

d. de plaats van bestemming van de as;

e. in het voorkomende geval, de naam en het adres van de persoon aan wie de asbus ter beschikking is gesteld;

f. in het voorkomende geval, de naam en het adres van de houder van het crematorium of van de houder van de plaats van bijzetting waar de asbestemming zal plaatsvinden.

2. Het register, bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de wet vermeldt:

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | de wet | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x