Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB)

 

UITVOERINGSBESLUIT  LOONBELASTING  1965

Tekst zoals deze geldt op 25 juli 2014

 

 

 

 
BESLUIT van 17 mei 1965, houdende uitvoering van de Wet op de loonbelasting 1964

 

     WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

     Op de voordracht van Onze Minister van FinanciŽn van 26 april 1965, nr. B5/6210, Directie Wetgeving Directe Belastingen;
     Gelet op de artikelen 4, 7, 33 en 34 van de Wet op de loonbelasting 1964 (Stb. 1964 521);
     De Raad van State gehoord (advies van 12 mei 1965, nr. 64);
     Gezien het nader rapport van Onze Minister van FinanciŽn van 14 mei 1965, nr. 135/7088, Directie Wetgeving Directe belastingen;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepaling

Artikel 1

1. Dit besluit geeft uitvoering aan de artikelen 4, 7, 13bis, 18a, 18g, 18h, 19a, 31a, 32bd, 33, 34, 35, 35f, 35g en 35n van de Wet op de loonbelasting 1964 en aan artikel 10a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

2. Dit besluit verstaat onder:

a. wet: Wet op de loonbelasting 1964;

b. uitvoerder van aangenomen werk: degene, die, anders dan in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep, en anders dan als thuiswerker, ingevolge een overeenkomst tot aanneming van werk als bedoeld in artikel 750 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek die niet rechtstreeks is aangegaan met een natuurlijke persoon ten behoeve van diens persoonlijke aangelegenheden, persoonlijk een werk tot stand brengt;

c. loon in geld: het loon voor de loonbelasting, voor zover dit in geld wordt verstrekt;

d. tabelloon: het loon waarop de loonbelastingtabel wordt toegepast;

e. bruto-inkomen: het loon in de zin van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag;

f. belasting, ingeval artikel 27b, eerste lid, van de wet van toepassing is: het gezamenlijke bedrag van de belasting en de premie voor de volksverzekeringen;

g. gage: gage als bedoeld in artikel 35 van de wet;

h. gezelschap: een groep van natuurlijke personen of lichamen waarbij de leden van de groep individueel of gezamenlijk ingevolge een overeenkomst van korte duur als artiest in Nederland optreden of als beroep een tak van sport in Nederland beoefenen.

Hoofdstuk 2. Belastingplicht (Hoofdstuk I van de wet)

Artikel 2

Als dienstbetrekking wordt beschouwd de arbeidsverhouding van de topsporter die op grond van het met instemming van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport vastgestelde reglement van de stichting Fonds voor de Topsporter een periodieke uitkering als tegemoetkoming in de kosten van zijn levensonderhoud geniet of een kostenvergoeding geniet.

Artikel 2a

Als dienstbetrekking wordt beschouwd de arbeidsverhouding van degene die door tussenkomst van degene tot wie de arbeidsverhouding bestaat, persoonlijk arbeid verricht ten behoeve van een derde, met uitzondering van de arbeidsverhouding van degene die:

a. doorgaans op minder dan drie dagen per week werkzaam is voor een natuurlijk persoon ten behoeve van diens persoonlijke aangelegenheden, tenzij loon wordt verstrekt door degene door wiens tussenkomst de arbeid wordt verricht;

b. bij wijze van arbeidstherapie werkzaam is.

Artikel 2b

1.Als dienstbetrekking wordt beschouwd de arbeidsverhouding van de thuiswerker of van de hulp van de thuiswerker, die persoonlijk arbeid verricht tegen een bruto-inkomen, dat doorgaans over een maand ten minste zal bedragen 2/5 maal het bedrag, genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, dan wel, voor degene, die de leeftijd van 23 jaar nog niet heeft bereikt en wiens bruto-inkomen uitsluitend in verband met zijn leeftijd op een lager bedrag is vastgesteld, 2/5 maal het krachtens genoemde wet voor een werknemer van dezelfde leeftijd geldende bedrag.

2.Het eerste lid is niet van toepassing met betrekking tot een arbeidsverhouding die is aangegaan voor korter dan een maand.

3.Indien binnen een maand na het einde van een arbeidsverhouding met dezelfde opdrachtgever een nieuwe arbeidsverhouding wordt aangegaan, geldt het bepaalde in het tweede lid niet ten aanzien van die nieuwe arbeidsverhouding, tenzij de tijdvakken voor welke die arbeidsverhoudingen zijn aangegaan te zamen korter zijn dan een maand.

4.Voor de toepassing van het eerste lid is met betrekking tot het bruto-inkomen van een thuiswerker en van de hulp van een thuiswerker artikel 5, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.

5.Het eerste lid is niet van toepassing met betrekking tot de arbeidsverhouding van de thuiswerker die zich doorgaans laat bijstaan door meer dan twee personen niet zijnde zijn echtgenoot of zijn tot zijn huishouden behorende minderjarige kinderen.

Artikel 2c

1.Als dienstbetrekking wordt beschouwd de arbeidsverhouding van degene, die persoonlijk arbeid verricht op doorgaans ten minste 2 dagen per week tegen een bruto-inkomen dat doorgaans over een week ten minste zal bedragen 2/5 maal het bedrag, genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, dan wel, voor degene, die de leeftijd van 23 jaar nog niet heeft bereikt en wiens bruto-inkomen uitsluitend in verband met zijn leeftijd op een lager bedrag is vastgesteld, 2/5 maal het krachtens genoemde wet voor een werknemer van dezelfde leeftijd geldende bedrag.

2.Het eerste lid is niet van toepassing met betrekking tot een arbeidsverhouding die is aangegaan voor korter dan een maand.

3.Indien binnen een maand na het einde van een arbeidsverhouding met dezelfde opdrachtgever een nieuwe arbeidsverhouding wordt aangegaan, geldt het bepaalde in het tweede lid niet ten aanzien van die nieuwe arbeidsverhouding, tenzij de tijdvakken voor welke die arbeidsverhoudingen zijn aangegaan te zamen korter zijn dan een maand.

4.Het eerste lid is niet van toepassing met betrekking tot de arbeidsverhouding van degene die tegen beloning persoonlijk arbeid verricht, indien:

a. zijn arbeidsverhouding tevens is een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 2 of artikel 3 van de wet, ongeacht of hij ingevolge het bij of krachtens die artikelen bepaalde al dan niet werknemer is;

b. hij als bestuurder van een vereniging of stichting werkzaam is voor die vereniging of stichting.

Artikel 2ca

1.Als dienstbetrekking wordt beschouwd de arbeidsverhouding van degene, die als sekswerker persoonlijk arbeid verricht.

2.Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder sekswerker: degene die tegen betaling seksuele handelingen met of voor een ander verricht.

Artikel 2d

Waar in de artikelen 2b en 2c wordt verwezen naar een in artikel 8, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag genoemd bedrag, wordt, indien toepassing is gegeven aan artikel 14 van die wet, als zodanig in aanmerking genomen het daarbij laatstelijk in de plaats daarvan gestelde bedrag.

Artikel 2e

1.Artikel 2a is niet van toepassing met betrekking tot de arbeidsverhouding van degene, die arbeid verricht in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep.

2.Artikel 2b, eerste lid, en artikel 2c, eerste lid, zijn niet van toepassing met betrekking tot de arbeidsverhouding van degene, die:

a. arbeid verricht in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep;

b. het verrichten van de arbeid rechtstreeks is overeengekomen met een natuurlijk persoon ten behoeve van diens persoonlijke aangelegenheden;

c. arbeid van overwegend geestelijke aard verricht;

d. werkzaam is in een arbeidsverhouding, die in overwegende mate beheerst wordt door een familieverhouding;

e. anders dan bij wijze van beroep, als auteur of redactiemedewerker werkzaam is voor een uitgever.

3.Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, wordt degene die melkvervoer verricht krachtens een vervoersovereenkomst en die daarvoor een eigen vervoermiddel pleegt te gebruiken, geacht dit vervoer te verrichten in de uitoefening van een bedrijf.

4.Artikel 2ca is niet van toepassing:

a. met betrekking tot de arbeidsverhouding van degene, die arbeid verricht in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep;

b. met betrekking tot de arbeidsverhouding van degene, die het verrichten van de arbeid rechtstreeks is overeengekomen met een natuurlijk persoon ten behoeve van diens persoonlijke aangelegenheden;

c. indien wordt voldaan aan bij ministeriŽle regeling te stellen regels.

Artikel 2f

1.Indien een arbeidsverhouding, beoordeeld uitsluitend aan de hand van de eerste leden van de artikelen 2 tot en met 2c, op grond van meer dan ťťn van die leden als dienstbetrekking wordt beschouwd, vindt alleen dat artikel toepassing in het eerste lid waarvan zulks voor de eerste maal geschiedt.

2.Indien een arbeidsverhouding zowel op grond van artikel 2ca, als op grond van artikel 2, 2a, 2b of 2c als dienstbetrekking wordt beschouwd, vindt alleen artikel 2ca toepassing. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt artikel 2e, vierde lid, buiten beschouwing gelaten.

Artikel 2g

1.Als dienstbetrekking wordt voorts beschouwd, zo nodig in afwijking van artikel 5 van de wet, de arbeidsverhouding welke niet reeds op grond van de wet of de artikelen 2 tot en met 2ca, in samenhang met artikel 2e, als dienstbetrekking wordt beschouwd, mits:

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | Wet LB | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x