Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra)

 

BESLUIT  RECHTSPOSITIE  RECHTERLIJKE  AMBTENAREN

Tekst zoals deze geldt op 25 juli 2014

 

 

 

 
BESLUIT van 21 maart 1994, houdende enkele rechtspositionele voorschriften ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van Onze Minister van Justitie a.i. van 19 november 1992, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 263321/92/6;
     Gelet op de artikelen 12, vijfde lid, 14, derde lid, 15, vijfde lid, en 16, tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren;
     De Raad van State gehoord (advies van 26 januari 1993, nr. W03.92.0584);
     Gezien het nader rapport van de Minister van Justitie van 14 maart 1994, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 428976/94/6;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Hoofdstuk 1. Algemeen

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. AAOP-uitkering: ABP ArbeidsongeschiktheidsPensioen als bedoeld in hoofdstuk 11 van het Pensioenreglement;

b. arbeidsduur: het aantal uren gedurende welke een rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding zijn ambt gemiddeld per week vervult op basis van een aanstelling of aanwijzing als bedoeld in artikel 5f van de wet;

c. arbeidsduurfactor: een breuk waarvan de teller bestaat uit de voor de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding vastgestelde arbeidsduur en de noemer bestaat uit het getal 36;

d. arbeidsongeschikt: arbeidsongeschikt als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de WAO of volledig en duurzaam arbeidsongeschikt als bedoeld in artikel 4 van de WIA of gedeeltelijk arbeidsgeschikt als bedoeld in artikel 5 van de WIA;

e. arbodienst: een arbodienst als bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet;

f. beroepsziekte: een ziekte, die overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de werkzaamheden van de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding dan wel in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht, en niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten;

g. bovenwettelijke WW-uitkering: een uitkering als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren;

h. deskundige persoon: een deskundige persoon als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet die belast is met de taken, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdelen b of c, van die wet;

i. dienstongeval: een ongeval, dat in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de werkzaamheden van de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding dan wel in de omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht, en niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten;

j. gewezen rechterlijk ambtenaar: de rechterlijk ambtenaar aan wie ontslag is verleend, met ingang van de dag waarop het ontslag is ingetreden;

k. gewezen rechterlijk ambtenaar in opleiding: de rechterlijk ambtenaar in opleiding aan wie ontslag is verleend, met ingang van de dag waarop het ontslag is ingetreden;

l. herplaatsen: het opdragen van een ander ambt of een andere functie, bedoeld in artikel 35d van dit besluit onderscheidenlijk artikel 46k van de wet;

m. herplaatsingstoelage: een herplaatsingstoelage als bedoeld in hoofdstuk 9 van het pensioenreglement;

n. invaliditeitspensioen: een invaliditeitspensioen als bedoeld in hoofdstuk 8 van het pensioenreglement;

o. medisch advies: een advies van de deskundige persoon of arbodienst dat ten aanzien van de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding is uitgebracht na een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 18 van de Arbeidsomstandighedenwet of artikel 13 van dit besluit;

p. passende arbeid: alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding is berekend, tenzij aanvaarding daarvan om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding kan worden gevergd;

q. pensioenreglement: het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;

r. salaris per uur: 1/156 deel van het salaris bij een volledige arbeidsduur;

s. Stichting Pensioenfonds ABP: de Stichting Pensioenfonds ABP, bedoeld in artikel 6 van de Wet privatisering ABP;

t. UWV: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet Suwi;

u. volledige arbeidsduur: een arbeidsduur van gemiddeld 36 uren per week;

v. WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;

w. wet: de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren;

x. Wet Suwi: de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

y. WIA: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;

z. WW: de Werkloosheidswet;

aa. ZW: de Ziektewet;

Hoofdstuk 1a. Elektronische berichtgeving

Artikel 1a

1. De maandelijkse loonstrook en de jaaropgave worden uitsluitend op elektronische wijze aan de rechterlijk ambtenaar en de rechterlijk ambtenaar in opleiding verzonden.

2. Verzending geschiedt op een andere dan elektronische wijze:

a. indien de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding geen mogelijkheid heeft om kennis te nemen van een elektronisch verzonden bericht;

b. bij ontslag of overlijden van de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding;

c. op verzoek van de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding indien deze een zwaarwegend belang heeft bij incidentele verzending op andere wijze.

3. Onze Minister kan nadere regels stellen over de wijze waarop de elektronische verzending geschiedt.

Hoofdstuk 2. Benoeming, plaatsing en beėdiging

§ 2.1. Benoeming en plaatsing

Artikel 2

1. Om benoemd te kunnen worden als rechterlijk ambtenaar, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 1° tot en met 4°, van de Wet op de rechterlijke organisatie, dient het afsluitend examen, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de wet, te voldoen aan de eisen van het tweede en derde lid.

2. Het afsluitend examen is zodanig samengesteld dat ten minste grondige kennis van en inzicht in drie van de vijf volgende rechtsgebieden is verkregen:

a. burgerlijk recht, met inbegrip van burgerlijk procesrecht;

b. strafrecht, met inbegrip van strafprocesrecht;

c. bestuursrecht, met inbegrip van bestuursprocesrecht;

d. staatsrecht;

e. belastingrecht.

3. Tot de drie rechtsgebieden, bedoeld in het tweede lid, behoren in ieder geval twee van de rechtsgebieden, genoemd in de onderdelen a tot en met c.

4. De eisen, bedoeld in het tweede en derde lid, zijn niet van toepassing op degene die ten minste zes jaar voor de beoogde datum van benoeming het afsluitend examen heeft afgelegd en die tot aan die beoogde datum een ruime praktijkervaring heeft opgedaan in een van de in het tweede lid genoemde rechtsgebieden.

Artikel 2a

1. Om benoemd te kunnen worden als rechterlijk ambtenaar, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 5° tot en met 7°, van de Wet op de rechterlijke organisatie, dient het afsluitend examen, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de wet, te voldoen aan de eisen van het tweede en derde lid.

2. Het afsluitend examen is zodanig samengesteld dat ten minste grondige kennis van en inzicht in het rechtsgebied strafrecht, met inbegrip van strafprocesrecht, is verkregen.

3. Naast het in het tweede lid genoemde rechtsgebied is ten minste grondige kennis van en inzicht in twee van de vier volgende rechtsgebieden verkregen:

a. burgerlijk recht, met inbegrip van burgerlijk procesrecht;

b. bestuursrecht, met inbegrip van bestuursprocesrecht;

c. staatsrecht;

d. belastingrecht.

4. De eisen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn niet van toepassing op degene die ten minste zes jaar voor de beoogde datum van benoeming het afsluitend examen heeft afgelegd en die tot aan de beoogde datum van benoeming een ruime praktijkervaring heeft opgedaan in een van de rechtsgebieden, genoemd in het tweede en derde lid.

5. Bij ministeriėle regeling worden regels gesteld omtrent de eisen met betrekking tot de kennis van en het inzicht in het strafrecht, met inbegrip van het strafprocesrecht, waaraan, in geval van toepasselijkheid van het vierde lid, moet worden voldaan om benoemd te kunnen worden.

Artikel 2b

1. Voor de toepassing van artikel 5, eerste lid, onderdeel a, van de wet wordt met de in dat onderdeel bedoelde graad Bachelor op het gebied van het recht gelijkgesteld de graad Bachelor, verleend op grond van het met goed gevolg afleggen van een afsluitend examen van de opleiding HBO-Rechten aan een hogeschool als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, indien blijkens hierop betrekking hebbende bewijsstukken tevens met goed gevolg zijn afgelegd de tentamens van de tot een schakelprogramma behorende onderwijseenheden.

2. Het schakelprogramma, bedoeld in het eerste lid, omvat onderwijseenheden op het gebied van het recht, die worden aangeboden door een universiteit of de Open Universiteit als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, met een totale studielast van ten minste 60 studiepunten als bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

3. Voor de toepassing van de artikelen 2 en 2a wordt onder afsluitend examen als bedoeld in die artikelen tevens begrepen het schakelprogramma, bedoeld in het eerste en tweede lid.

Artikel 2c

1. De benoeming in een ambt als bedoeld in artikel 2, tweede tot en met zevende lid, van de wet geschiedt in vaste dienst, tenzij er grond bestaat voor een benoeming in tijdelijke dienst.

2. Een benoeming in tijdelijke dienst als bedoeld in het eerste lid kan plaatsvinden voor een proeftijd of om een andere reden.

3. Een benoeming in tijdelijke dienst als bedoeld in het eerste lid wordt verleend voor een kalenderperiode of een andere objectief bepaalbare periode.

4. De periode, waarvoor een benoeming in tijdelijke dienst voor een proeftijd als bedoeld in het tweede lid wordt verleend, bedraagt ten hoogste 24 maanden, met de mogelijkheid van verlenging hiervan met de periode of perioden waarin in de proeftijd geheel of gedeeltelijk geen werkzaamheden zijn verricht.

5. Indien een benoeming in tijdelijke dienst voor een proeftijd als bedoeld in het tweede lid is voorafgegaan door een benoeming in tijdelijke dienst om een andere reden als bedoeld in het tweede lid, wordt de maximale duur van 24 maanden, bedoeld in het vierde lid, verminderd met de duur van die benoeming in tijdelijke dienst om een andere reden, indien:

a. beide benoemingen zijn verleend door hetzelfde gezag;

b. zij elkaar met een onderbreking van ten hoogste drie maanden opvolgen; en

c. het eenzelfde ambt betreft.

6. Artikel 2, tweede tot en met zevende lid, van de wet is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de uitoefening van de in het eerste tot en met vijfde lid bedoelde bevoegdheden.

Artikel 2d

1. De rechterlijk ambtenaar, die in een ambt als bedoeld in artikel 2c, eerste lid, in tijdelijke dienst is benoemd voor een proeftijd, wordt van rechtswege benoemd in vaste dienst in datzelfde ambt, indien en met ingang van de dag waarop de benoeming in tijdelijke dienst stilzwijgend wordt voortgezet na het verstrijken van de periode waarvoor die is verleend.

2. De rechterlijk ambtenaar, die in een ambt als bedoeld in artikel 2c, eerste lid, in tijdelijke dienst is benoemd om een andere reden dan voor een proeftijd, wordt van rechtswege benoemd in tijdelijke dienst in datzelfde ambt voor een zelfde periode als waarvoor de voorafgaande benoeming in tijdelijke dienst is verleend, indien en met ingang van de dag waarop de voorafgaande benoeming in tijdelijke dienst stilzwijgend wordt voortgezet na het verstrijken van de periode waarvoor die is verleend, met dien verstande dat de periode van de benoeming van rechtswege telkens ten hoogste twaalf maanden bedraagt.

3. De rechterlijk ambtenaar, die in een ambt als bedoeld in artikel 2c, eerste lid, in tijdelijke dienst is benoemd, wordt van rechtswege benoemd in vaste dienst in datzelfde ambt, indien en met ingang van de dag waarop:

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | Wrra | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x