Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000)

 

BESLUIT  STUDIEFINANCIERING  2000

Tekst zoals deze geldt op 25 juli 2014

 

 

 

 
BESLUIT van 5 augustus 2000, houdende intrekking van het Besluit studiefinanciering en vervanging door het Besluit studiefinanciering 2000 ter uitvoering van de Wet studiefinanciering 2000 (Besluit studiefinanciering 2000)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van 16 juni 2000, nr. 2000/23 732 (1707), directie Wetgeving en Juridische Zaken;
     Gelet op de artikelen 1.1, eerste lid, 2.2, onderdeel c, 2.11, 3.3, tweede lid, 3.14, derde lid, 8.1, eerste lid, 8.2, tweede lid, 9.6, 10.6, zevende lid, 11.1, 11.6 en 11.7 van de Wet studiefinanciering 2000;
     De Raad van State gehoord (advies va
n 13 juli 2000, nr. W05.00.0236/III);
     Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van 27 juli 2000, nr. 2000/27 634 (1707), directie Wetgeving en Juridische Zaken;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Hoofdstuk 1. Algemeen

Artikel 1. Begripsbepalingen

1.In dit besluit wordt verstaan onder:

aflosfase: aflosfase, bedoeld in artikel 6.7 van de wet,

familielid: familielid als bedoeld in richtlijn 2004/38/EG,

richtlijn 2004/38/EG: richtlijn nr. 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PbEU L 158), en

wet: Wet studiefinanciering 2000.

2.In hoofdstuk 3a van dit besluit wordt verstaan onder aanvullende beurs: toegekende en uitbetaalde aanvullende beurs als bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, van de wet.

3.Een wijziging van richtlijn 2004/38/EG gaat voor de toepassing van dit besluit gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.

Artikel 2

Onder «belastbaar minimumloon», bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de wet, wordt verstaan:

108% van het twaalfvoud van het voor de maand januari van het berekeningsjaar geldende in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag per maand, verminderd met het werknemersaandeel in de premie ingevolge artikel 25, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen en vermeerderd met de vergoeding ingevolge artikel 46, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet over dat loon.

Hoofdstuk 2. Reikwijdte

Artikel 3. Nationaliteit: gehele gelijkstelling

1. Met een Nederlander wordt gelijkgesteld de vreemdeling die in Nederland rechtmatig verblijf heeft:

a. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14, van de Vreemdelingenwet 2000, onder de beperking:

1°. verband houdende met verblijf als familie- of gezinslid van een Nederlander of van een vreemdeling als bedoeld in de onderdelen a of b van dit artikel of hiermee verband houdende niet-tijdelijke humanitaire gronden,

2°. verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden of hiermee verband houdende niet-tijdelijke humanitaire gronden,

3°. anders dan genoemd in artikel 3.4, eerste lid, Vreemdelingenbesluit 2000, als bedoeld in artikel 3.4, derde lid, Vreemdelingenbesluit 2000 of hiermee verband houdende niet-tijdelijke humanitaire gronden, of

4°. verband houdende met afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet als bedoeld in artikel 3.17a, onderdeel b, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 of hiermee verband houdende niet-tijdelijke humanitaire gronden,

b. op grond van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8, onder b, van die wet,

c. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van die wet,

d. op grond van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8, onder d, van die wet,

e. bedoeld in artikel 8, onderdelen g of h van die wet, voor zover hij reeds studiefinancieringsgenietende is, of

f. ten behoeve van wie of aan wie een tegemoetkoming is verstrekt als bedoeld in de hoofdstukken 3 of 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.

Artikel 3a. Nationaliteit: gedeeltelijke gelijkstelling deelnemer

1.Voor personen met de nationaliteit van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, dan wel van Zwitserland, en hun familieleden, anders dan

a. werknemers,

b. zelfstandigen, of

c. personen die de status van werknemer of zelfstandige hebben behouden, en

d. familieleden van de personen bedoeld in onderdeel a tot en met c,

die niet het duurzaam verblijfsrecht, bedoeld in artikel 16 van richtlijn 2004/38/EG, hebben verworven, betreft de gelijkstelling, op grond van artikel 2.2, tweede lid, van de wet, een tegemoetkoming in de kosten van de toegang tot het onderwijs.

2.De tegemoetkoming op grond van het eerste lid wordt verstrekt in de vorm van een gift en bestaat uit het bedrag van de basisbeurs, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, van de wet, voor een thuiswonende deelnemer. De reisvoorziening en de toeslag, bedoeld in artikel 3.6, tweede en derde lid, van de wet, maken daarvan geen deel uit.

3.In afwijking van artikel 3.21, tweede lid, van de wet, kan een aanvraag op grond van artikel 2.2, eerste lid, onderdeel b, van de wet, betrekking hebben op een periode die uiterlijk aanvangt op de eerste dag van de vierde maand voorafgaand aan de maand waarin de aanvraag wordt ingediend.

4.De tegemoetkoming wordt toegekend in één bedrag per studiejaar. Indien de aanspraak gedurende een studiejaar ontstaat bestaat de aanspraak uit ééntwaalfde van het bedrag per studiejaar maal het aantal resterende maanden van dat studiejaar.

Artikel 3b. Nationaliteit: gedeeltelijke gelijkstelling student

1.Voor personen met de nationaliteit van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, dan wel van Zwitserland, en hun familieleden, anders dan

a. werknemers,

b. zelfstandigen, of

c. personen die de status van werknemer of zelfstandige hebben behouden, en

d. familieleden van de personen bedoeld in onderdeel a tot en met c,

die niet het duurzaam verblijfsrecht, bedoeld in artikel 16 van richtlijn 2004/38/EG, hebben verworven, betreft de gelijkstelling, op grond van artikel 2.2, tweede lid, van de wet, een tegemoetkoming in de kosten van de toegang tot het onderwijs.

2.De tegemoetkoming op grond van het eerste lid wordt verstrekt in de vorm van aanspraak op het collegegeldkrediet, bedoeld in artikel 3.16a, van de wet.

3.In afwijking van artikel 3.21, tweede lid, van de wet, kan een aanvraag op grond van artikel 2.2, eerste lid, onderdeel b, van de wet, betrekking hebben op een periode die uiterlijk aanvangt op de eerste dag van de vierde maand voorafgaand aan de maand waarin de aanvraag wordt ingediend.

Artikel 4. Aangewezen onderwijs

Het onderwijs, bedoeld in artikel 2.11 van de wet, is het onderwijs aan:

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | WSF 2000 | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x