Geschiedenis van deze regeling:

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht t/m Betreft Bekendmaking regeling Bekendmaking inwerkingtreding
14-08-1996 01-01-1996 Nieuwe regeling Stcrt. 1996, 153 Stcrt. 1996, 153

 

 

7 augustus 1996/nr. 963810

     Het College van toezicht sociale verzekeringen;
     Gelezen een verzoek van het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming;
     Gelet op artikel 3, eerste lid, van de Regeling voorlegging besluiten uitvoeringsinstanties;

     Besluit:

 

 

Goed te keuren het bijgevoegde besluit van 15 mei 1996 van het bestuur van het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming tot vaststelling van regels over het aantal (verloren) arbeidsuren bij de toepassing van de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria.

 

 

Zoetermeer, 7 augustus 1996.
College van toezicht sociale verzekeringen,
A. Geurtsen, voorzitter.

 

 

 

BIJLAGE

Besluit vaststelling arbeidsurenverlies Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria

 

     Het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming;
     Gelet op artikel 8, derde lid, Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria;

     Besluit:

 

 

Art. 1.
In dit besluit wordt onder belanghebbende verstaan: de werkloze persoon, bedoeld in artikel 2 van de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria.

 

Art. 2.
Voor de berekening van het gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek, bedoeld in artikel 16 van de Werkloosheidswet, wordt voor de belanghebbende die niet in aanmerking komt voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet omdat hij niet voldoet aan de wekeneis op grond van deze wet ¹, uitgegaan van het aantal kalenderweken gelegen tussen de aanvang van de dienstbetrekking en het intreden van de arbeidsongeschiktheid.

1. Volgens de redactie dient "deze wet" te worden vervangen door: die wet.

 

Art. 3.
Het gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek, bedoeld in artikel 16 van de Werkloosheidswet, wordt voor de belanghebbende die niet in aanmerking komt voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet omdat hij na een eerdere arbeidsongeschiktheidsschatting reeds in aanmerking is gekomen voor een uitkering ingevolge deze wet ¹ en ter zake dat recht de maximale uitkeringsduur heeft bereikt, vastgesteld op het gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek dat gold bij dat eerdere recht op uitkering.

1. Volgens de redactie dient "deze wet" te worden vervangen door: die wet.

 

Art. 4.
-1. Het gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek, bedoeld in artikel 16 van de Werkloosheidswet, wordt voor de belanghebbende die niet in aanmerking komt voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet omdat hij geen werknemer is in de zin van deze wet ¹, vastgesteld op 38.
-2. Indien uit de gegevens van de bedrijfsvereniging blijkt dat het gemiddeld aantal arbeidsuren per week lager is dan 38, wordt in afwijking van het eerste lid het gemiddeld aantal arbeidsuren per week op dit lagere aantal vastgesteld.

1. Volgens de redactie dient "deze wet" te worden vervangen door: die wet.

 

Art. 5.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 1996.

 

Art. 6.
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vaststelling arbeidsurenverlies Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria.

 

 

     Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden gepubliceerd.

 

Amsterdam, 15 mei 1996.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.

 

 

 

TOELICHTING
[15 mei 1996]

 

Algemeen

 

     Met ingang van 1 januari 1996 is de Wet van 7 februari 1996, Stb. 1996, 93, tot tijdelijke regeling houdende beperking van de inkomensgevolgen door toepassing van arbeidsongeschiktheidscriteria voor personen in bepaalde leeftijdscategorieën (Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria (WBIA)) in werking getreden. De wet beoogt de inkomensgevolgen te beperken voor arbeidsongeschikten die als gevolg van de herbeoordelingen in het kader van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen (Wet TBA) van 7 juli 1993, Stb. 1993, 412, hun arbeidsongeschiktheidsuitkering geheel of gedeeltelijk verliezen.
     De geheel of gedeeltelijk arbeidsgeschikte komt, nadat de maximale uitkeringsduur op grond van de Werkloosheidswet (WW) is verstreken, in aanmerking voor een WBIA-uitkering. Ook degenen die geen recht hebben of krijgen op een WW-uitkering op het moment dat zij als gevolg van de herbeoordeling een deel van hun arbeidsongeschiktheidsuitkering verliezen, komen in aanmerking voor een dergelijke WBIA-uitkering. De uitkering is gebaseerd op het minimumloon of op het dagloon, indien dat lager is dan het minimumloon, en komt derhalve overeen met de vervolguitkering op grond van de WW. De WBIA-uitkering is niet gebonden aan een maximumduur, waardoor deze in beginsel doorloopt tot het 65e jaar.
     Het aantal arbeidsuren per kalenderweek wordt voor de WBIA-gerechtigden zoveel mogelijk overeenkomstig artikel 16 van de WW en de daarop berustende bepalingen vastgesteld (artikel 8, eerste lid, WBIA). De werkloze WBIA-gerechtigde wordt voor het aantal verloren arbeidsuren de hoedanigheid van werknemer in de zin van de WW toegekend. Overigens worden alle bepalingen van de WW op de betrokken groep van toepassing verklaard. Mede vanwege het feit dat de categorie WBIA-gerechtigden deels afwijkt van de normale WW-populatie heeft het Tica ¹ de bevoegdheid om regels te stellen omtrent het gemiddeld aantal arbeidsuren en het aantal verloren arbeidsuren per kalenderweek (artikel 8, derde lid, WBIA).
     Dit besluit voorziet in de vaststelling van het gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek van de belanghebbende die in aansluiting op de herziening of intrekking van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering niet in aanmerking komt voor een uitkering ingevolge de WW, maar wel voor een uitkering op grond van de WBIA. Het besluit ziet derhalve niet op diegene die in aansluiting op de herziening of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering een uitkering ingevolge de WW is toegekend. Voor deze persoon geldt immers de bepaling van artikel 8, eerste lid, WBIA, met als gevolg dat het gemiddeld aantal arbeidsuren dat aantal bedraagt dat is vastgesteld bij de toekenning van die uitkering.
     Bij het opstellen van het besluit is rekening gehouden met het feit dat de wetgever in de gevalsbehandeling geen onderscheid wenst tussen de WBIA-gerechtigde die een uitkering ontvangt waarop de bepalingen van de WW van toepassing zijn en de niet-WBIA-gerechtigde die een uitkering ingevolge de WW ontvangt.

1. Het Tica (Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming) is de rechtsvoorganger van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). Het Lisv is ingevolge de Wet SUWI met ingang van 1 januari 2002 opgevolgd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), red.

 

 

Artikelsgewijze  toelichting

 

Artikel 1

     In dit artikel wordt voor de definitie van belanghebbende verwezen naar de werkloze persoon, genoemd in artikel 2 van de WBIA.

 

Artikel 2

     Dit artikel ziet op de persoon die zijn recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft verloren dan wel voor een lagere arbeidsongeschiktheidsuitkering in aanmerking komt en vervolgens geen recht heeft op een uitkering ingevolge de WW omdat hij niet voldoet aan de wekeneis op grond van artikel 17 van die wet.
     Voor deze persoon wordt het gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek berekend door uit te gaan van het aantal kalenderweken dat is gelegen tussen de aanvang van de dienstbetrekking en het (laatste) moment van uitval.
     Indien de berekening van het gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek voor deze persoon zou geschieden op basis van de periode van 26 kalenderweken als genoemd in artikel 16, tweede lid, van de WW, terwijl tussen moment aanvang dienstbetrekking en het moment definitieve uitval maar 18 weken zouden zijn gelegen, dan zou dat een (te) laag gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek opleveren ten opzichte van de soortgelijke werknemer die wel minimaal 26 weken heeft gewerkt.
     Bij een mogelijke werkhervatting zou deze persoon in een nadeliger positie komen te verkeren dan degene wiens gemiddeld aantal arbeidsuren wel over een werkzame periode van 26 weken berekend kon worden.

 

Artikel 3

     Hierin opgenomen is de vaststelling van het gemiddeld aantal arbeidsuren voor de belanghebbende die na een eerdere arbeidsongeschiktheidsschatting dan de schatting op grond van de Wet TBA recht had op een uitkering ingevolge de WW en ter zake dat recht op uitkering reeds de maximale termijn bereikt had. Voor deze persoon is aansluiting gezocht bij het gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek zoals dat is vastgesteld bij het recht op uitkering dat eerder de maximale duur heeft bereikt. Een hernieuwde berekening van het gemiddeld aantal arbeidsuren is voor deze personen immers overbodig.

 

Artikel 4

     Voor diegenen die niet verzekerd zijn krachtens de WW, bijvoorbeeld zelfstandigen, is in artikel 4, eerste lid, bepaald dat de bedrijfsvereniging [zie UWV en uitvoeringsinstellingen, red.] het gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek (fictief) vaststelt op 38. Als basis is gekozen het aantal arbeidsuren per week van een fulltimewerknemer.
     Per bedrijf verschilt het aantal arbeidsuren voor een fulltimewerknemer. In het ene bedrijf zal dit aantal 40 bedragen, in een ander bedrijf 36 en in weer een ander bedrijf 38. In het algemeen echter kan een arbeidsverhouding van 38 uur per week voor een werknemer als fulltimedienstverband worden beschouwd.
     Indien een werknemer met een WW uitkering gebaseerd op 38 uur per week het werk hervat, dan wordt hij (doorgaans) niet langer werkloos geacht.
     Zou voor de belanghebbende uitgegaan worden van een hoger fictief aantal arbeidsuren, bijvoorbeeld 50, dan zou dat als consequentie hebben dat bij een werkhervatting van 38 uur per week nog een recht op WW-uitkering resteert (in dit geval van 12 uur per week), hetgeen ten opzichte van de werknemer met een reguliere WW-uitkering tot een ongewenst verschil leidt.
     Het is echter denkbaar dat uit de gegevens van de bedrijfsvereniging blijkt dat de belanghebbende minder arbeidsuren per kalenderweek werkzaam was dan voornoemde 38. Gewezen wordt op het voorbeeld van een huishoudelijke hulp, werkzaam bij meerdere private personen gedurende 4 dagen à 4 uur.
     In dat geval is in artikel 4, tweede lid, bepaald dat het gemiddeld aantal arbeidsuren wordt vastgesteld op dat lagere aantal uren, (in dit voorbeeld: 16) per week.

 

Artikel 5

     De inwerkingtreding van dit besluit is bepaald op de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 1996. Hiermee is aangesloten bij de inwerkingtreding van de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria.

 

Amsterdam, 15 mei 1996.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.