Geschiedenis van deze regeling:

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht t/m Betreft Bekendmaking regeling Bekendmaking inwerkingtreding
01-01-2020   Intrekking Stcrt. 2019, 28090 Stcrt. 2019, 28090
18-10-2019   Wijziging Stcrt. 2019, 56587 Stcrt. 2019, 56587
22-05-2019 01-01-2019 Nieuwe regeling Stcrt. 2019, 28090 Stcrt. 2019, 28090

 

 

REGELING van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 14 mei 2019, nr. 2019-0000061915, tot vaststelling van de rijksbijdrage in de kosten van heffingskortingen voor het jaar 2019

     De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
     Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Financiën en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
     Gelet op artikel 15 van de Wet financiering sociale verzekeringen;

     Besluit:

 

 

Art. 1. Geraamde kosten voor heffingskortingen
De geraamde totale kosten voor de heffingskortingen, bedoeld in artikel 15 van de Wet financiering sociale verzekeringen, voor het jaar 2019 bedragen: €|45 127 300 000,00.

 

Art. 2. Rijksbijdrage in de kosten van de heffingskortingen per fonds
Met de toepassing van de formule, bedoeld in artikel 15 van de Wet financiering sociale verzekeringen, bedraagt de rijksbijdrage in de kosten van de heffingskortingen per fonds voor het jaar 2019:
a. ten gunste van het Ouderdomsfonds: €|2 209 900 000,00;
b. ten gunste van het Nabestaandenfonds: €|0,00;
c. ten gunste van het Fonds langdurige zorg: €|3 710 000 000,00.

 

Art. 3. Inwerkingtreding
-1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2019.
-2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2020.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

Den Haag, 14 mei 2019
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
T. van Ark

 

 

 

TOELICHTING
[14 mei 2019]

 

     Met de invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001 is het systeem van belastingvrije sommen vervangen door een systeem van heffingskortingen. Dit leidde tot een daling van opbrengsten van premies voor de volksverzekeringen. Een rijksbijdrage, de bijdrage in de kosten van heffingskortingen (aangeduid als BIKK), compenseert de fondsen van de volksverzekeringen, genoemd in artikel 2 van deze regeling, voor die daling. Artikel 15 van de Wet financiering sociale verzekeringen bevat voor het vaststellen van deze rijksbijdrage een formule. De geraamde totale kosten voor de heffingskortingen in een bepaald jaar zijn daarin variabel en worden bij ministeriële regeling vastgesteld. Artikel 1 van deze regeling voorziet daarin voor het jaar 2019. Daarbij wordt aangesloten bij de raming van de totale kosten voor de heffingskortingen van het Centraal Planbureau in het Centraal Economisch Plan 2019. De geraamde totale kosten voor 2019 bedragen €|44 861 000 000,-. Dit bedrag valt in twee delen uiteen: €|36 904 300 000,- (categorie 65-) en €|7 956 900 000,- (categorie 65+). Met toepassing van de formule van artikel 15 van de Wet financiering sociale verzekeringen is vervolgens de rijksbijdrage per fonds vastgesteld. De uitkomsten daarvan zijn opgenomen in artikel 2 van deze regeling. De toepassing van de formule voor de rijksbijdrage ten gunste van het Nabestaandenfonds leidt tot een negatieve uitkomst. Om die reden wordt de rijksbijdrage voor dat fonds op nul vastgesteld.
     Deze regeling heeft slechts betrekking op de geraamde totale heffingskosten voor het jaar 2019, zodat de regeling vervalt met ingang van 1 januari 2020.

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
T. van Ark