Geschiedenis van deze regeling:

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht t/m Betreft Bekendmaking regeling Bekendmaking inwerkingtreding
01-01-2006   Intrekking Stcrt. 2005, 242 Stcrt. 2005, 242
31-08-2002 01-01-2002 Nieuwe regeling Stcrt. 2002, 165 Stcrt. 2002, 165

 

 

22 augustus 2002/nr. SV/F&W/2002/57694
Directie Sociale Verzekeringen

     De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, M. Rutte;
     Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Financiën en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
     Gelet op artikel 17 van de Wet financiering volksverzekeringen;

     Besluit:

 

 

Art. 1. Begripsbepalingen
-1. In deze regeling wordt verstaan onder de wet: de Wet financiering volksverzekeringen.
-2. Voor de toepassing van deze regeling worden de landen van het Koninkrijk der Nederlanden aangemerkt als afzonderlijke mogendheden.

 

Art. 2. Partnerbegrip voor vaststelling premie-inkomen
-1. Voor de toepassing van artikel 8 van de wet wordt verstaan onder partner: degene die partner is in de zin van artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en degene die gelet op het derde lid, onderdeel b, van laatstbedoeld artikel geen keuze voor behandeling als binnenlandse belastingplichtige heeft gedaan of heeft kunnen doen.
-2. In afwijking van het eerste lid geldt, ingeval de premieplichtige en zijn partner beiden belastingplichtig zijn, de gemaakte keuze, bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001, zowel voor de heffing van de inkomstenbelasting als voor de heffing van de premie volksverzekeringen.

 

Art. 3. Heffingspercentage bij verschillende premiepercentages
Ingeval zich ten aanzien van een verzekerde die in de premieheffing bij wege van aanslag wordt betrokken, in het kalenderjaar tijdvakken voordoen waarin anders dan ingevolge artikel 12 van de wet verschillende premiepercentages gelden, wordt van hem de premie geheven naar een percentage (heffingspercentage) dat is samengesteld uit tijdsevenredige delen van die verschillende premiepercentages. Het heffingspercentage wordt afgerond op honderdsten naar beneden.

 

Art. 4. Uitzonderingen premie-inkomen voor premieheffing
Voor de premieheffing behoren niet tot het premie-inkomen:
a. uitkeringen op grond van de socialezekerheidswetgeving van een andere mogendheid die zijn onderworpen aan premieheffing krachtens een wettelijke regeling inzake uitkeringen bij ouderdom en overlijden van die andere mogendheid;
b. ten aanzien van degene die verzekerd is en die tevens werkzaamheden verricht of heeft verricht buiten Nederland: het gedeelte van het premie-inkomen waarop, op grond van een internationale regeling inzake sociale zekerheid die tussen Nederland en één of meer andere mogendheden van kracht is, de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is of dat, bij gebreke van een internationale regeling, is onderworpen aan premieheffing krachtens een wettelijke regeling inzake uitkeringen bij ouderdom en overlijden van een andere mogendheid;
c. ten aanzien van degene die niet is uitgezonderd van de volksverzekeringen op grond van de artikelen 13, eerste lid, onderdeel a, 13, tweede lid, onderdeel c, 13, derde lid, onderdeel a, 13, vierde lid, onderdeel c, 14, eerste lid, onderdeel a, 15, eerste lid, onderdeel a, b en c, subonderdeel 1º, of 16, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 in verband met het verrichten van de in die artikelen bedoelde andere werkzaamheden: het belastbare loon uit de dienstbetrekking uit hoofde waarvan hij zou zijn uitgezonderd van de volksverzekeringen indien hij die andere werkzaamheden niet zou hebben verricht.

 

Art. 5. Premie-inkomen bij premieplichtigheid over gedeelte kalenderjaar
-1. Ten aanzien van degene die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar niet premieplichtig doch gedurende die periode wel belastingplichtig is, wordt voor de premieheffing bij wege van aanslag het premie-inkomen naar tijdsevenredigheid afgeleid van het premie-inkomen dat in aanmerking zou zijn genomen als de premieplicht volledig zou zijn samengevallen met de belastingplicht.
-2. In afwijking van het eerste lid wordt als premie-inkomen geen hoger bedrag in aanmerking genomen dan het premie-inkomen verminderd met het gedeelte daarvan waarop, op grond van een internationale regeling inzake sociale zekerheid die tussen Nederland en één of meer andere mogendheden van kracht is, de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is of dat, bij gebreke van een internationale regeling, is onderworpen aan premieheffing krachtens een wettelijke regeling inzake uitkeringen bij ouderdom en overlijden van een andere mogendheid.

 

Art. 6. Aanpassing maximumpremie-inkomen bij gedeeltelijke premieplicht anders dan door overlijden
Ten aanzien van degene die gedurende een deel van het kalenderjaar anders dan door overlijden niet premieplichtig is, wordt voor de premieheffing bij wege van aanslag als premie-inkomen in aanmerking genomen het bedrag dat naar tijdsevenredigheid is afgeleid van het in artikel 10, zesde lid, van de wet vermelde premie-inkomen dat maximaal in aanmerking zou zijn genomen indien gedurende het gehele kalenderjaar sprake zou zijn geweest van premieplicht, tenzij toepassing van de bepalingen in de wet of van de overige bepalingen in deze regeling tot een lager premie-inkomen leidt.

 

Art. 7. Tijdsevenredige vaststelling
Ingeval voor de premieheffing bij wege van aanslag het heffingspercentage of het premie-inkomen moet worden bepaald door middel van tijdsevenredige vaststelling, wordt daarbij:
a. een kalenderjaar op 360 dagen gesteld;
b. een kalendermaand op 30 dagen gesteld;
c. de dag waarop het tijdvak aanvangt als een gehele dag in aanmerking genomen;
d. de dag waarop het tijdvak eindigt niet in aanmerking genomen.

 

Art. 8. Premie-inkomen indien niet onderworpen aan loonbelasting
-1. Voor de toepassing van artikel 9 van de wet wordt degene die verzekerd is uit hoofde van werkzaamheden of vroegere werkzaamheden dan wel uit hoofde van het recht op een uitkering waarvan de opbrengst niet aan de loonbelasting is onderworpen, geacht ook voor die opbrengst daaraan te zijn onderworpen.
-2. Voor de toepassing van artikel 9 van de wet wordt de in het eerste lid bedoelde verzekerde geacht aan de loonbelasting te zijn onderworpen voor zover hij uit een dienstbetrekking of vroegere dienstbetrekking in de zin van de wettelijke bepalingen betreffende de loonbelasting loon geniet van een inhoudingsplichtige in de zin van die bepalingen dan wel een uitkering geniet die is genoemd in artikel 11, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965.

 

Art. 9. Intrekking uitvoeringsregeling en overgangsregeling
-1. De Uitvoeringsregeling premieheffing volksverzekeringen 1990 wordt ingetrokken.
-2. Voor de premieheffing volksverzekeringen over de jaren voorafgaande aan het jaar 2002 blijft de Uitvoeringsregeling premieheffing volksverzekeringen 1990, zoals deze regeling luidde vóór de datum van inwerkingtreding van deze regeling, van toepassing.

 

Art. 10. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2002.

 

Art. 11. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling premieheffing volksverzekeringen 2002.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

’s-Gravenhage, 22 augustus 2002.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
M. Rutte.

 

 

 

TOELICHTING
[22 augustus 2002]

 

Algemeen

 

     In de Wet financiering volksverzekeringen (de wet) zijn bepalingen met betrekking tot de op te brengen middelen, de premievaststelling en het fondsbeheer van de volksverzekeringen samengebracht. In de paragrafen 1 tot en met 5 van hoofdstuk II van de wet is de financiering geregeld wat betreft de premieplicht, de heffingsmaatstaf, het tarief, de heffing en de invordering. Uitgangspunt van de wetgeving is de gecombineerde heffing van de premie voor de volksverzekeringen en de loon- of inkomstenbelasting, welke op haar beurt onder meer berust op het uitgangspunt dat premieplicht en belastingplicht in de regel samenvallen. Met de inwerkingtreding van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) vindt slechts premieheffing plaats over het inkomen in box 1 (belastbaar inkomen uit werk en woning). De premieheffing strekt zich uit over het inkomen in de eerste en tweede tariefschijf van die box, met inachtneming van de voor die heffingen geldende heffingskorting. Over de inkomens in box 2 en 3 (respectievelijk belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang en belastbaar inkomen uit sparen en beleggen) worden geen premies volksverzekeringen geheven. Meestal zal de gecombineerde heffing zich probleemloos voltrekken door het volledig samenvallen van de premieplicht met de belastingplicht. De in de wet opgenomen bepalingen behoeven echter inzake maatstaf, tarief en heffing voor een aantal situaties aanvullende regelgeving. De wet biedt hiertoe de mogelijkheid in artikel 17, waarin is vastgelegd dat bij ministeriële regeling, in overeenstemming met onze Minister van Financiën en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, nadere regels kunnen worden gesteld met betrekking tot hetgeen in paragrafen 1 tot en met 5 (van hoofdstuk II) is bepaald.
     In deze regeling is voor een vijftal situaties een nadere voorziening opgenomen. Dit betreft:
1º. de situatie waarin de premieplicht en de belastingheffing weliswaar samenvallen, doch het premieregime niet gedurende het hele heffingstijdvak gelijk is geweest (zoals dat het geval is wanneer de verzekerde in de loop van het heffingstijdvak de 65-jarige leeftijd bereikt, artikel 3);
2º. de uitzonderingssituaties waarin samenloop met buitenlandse premieplicht plaatsvindt, een buitenlandse wetgeving van toepassing is op grond van internationale regelingen of de situatie waarbij het gaat om buitenlandse overheidsdienaren en internationale functionarissen met inkomsten uit andere werkzaamheden (artikel 4);
3º. de situatie waarin de premieplicht aanvangt of eindigt in de loop van het voor de belastingheffing geldende tijdvak, zodat de premieplicht zich niet uitstrekt over de gehele periode van de belastingplicht (artikel 5);
4º. de herleiding van het binnenlandse maximumpremie-inkomen in de situatie dat er, anders dan door overlijden, slechts in een gedeelte van een kalenderjaar binnenlandse premieplicht voor de volksverzekeringen bestaat (artikel 6);
5º. de situatie waarin zich premieplicht voordoet terwijl er geen belastingplicht is (artikel 8).

     Zoals hiervoor is aangeduid, zijn in onderhavige regeling onder meer voorzieningen opgenomen met het oog op samenloop met buitenlandse premieplicht. Hieromtrent zij het volgende opgemerkt. De Wet IB 2001 kent voorzieningen ten aanzien van de belastingplichtige die premieplichtig is voor de volksverzekeringen.
     De premies voor buitenlandse verzekeringen die naar aard en strekking overeenkomen met de (Nederlandse) volksverzekeringen behoren tot de kosten van een onderneming of mogen belastingvrij worden vergoed. Dit volgt uit artikel 3.16, negende lid, aanhef en onder b, van de Wet IB 2001 en artikel 15b, aanhef en onder m, van de Wet op de loonbelasting 1964. Zoals hierna bij de artikelsgewijze toelichting wordt uiteengezet, zijn deze op het fiscale vlak liggende maatregelen onvoldoende, onder meer in het licht van internationale regelingen die de premieheffing als zodanig raken. Daarom is in artikel 4 van deze regeling een drietal voorzieningen opgenomen met het oog op samenloop met buitenlandse premieplicht en met betrekking tot onder meer bepaalde diplomatieke en consulaire personeelsleden en internationale functionarissen.
     In december 2000 en in december 2001 is de Uitvoeringsregeling premieheffing volksverzekeringen 1990 (Regeling 1990) aangepast aan enkele veranderingen in het kader van de Wet IB 2001 en de daarmee samenhangende veranderingen in de wet. Bij het premie-inkomen wordt niet langer onderscheid gemaakt tussen ingezetenen en niet-ingezetenen. De bepalingen met betrekking tot bijzondere baten zijn vervallen en hiernaast is het begrip andere mogendheid uitgebreid met de Nederlandse Antillen en Aruba.
     Bovendien is met ingang van 1 januari 2002 een apart partnerbegrip voor de premieheffing volksverzekeringen geïntroduceerd voor niet-inwoners. In verband met de vrije toerekening van de gemeenschappelijke inkomensbestanddelen is dit aparte partnerbegrip nodig bij niet-inwoners als zij bijvoorbeeld niet belastingplichtig zijn of als ze buitenlands belastingplichtig zijn, maar niet kiezen voor behandeling als binnenlands belastingplichtige.
     Mede als gevolg van het arrest van de Hoge Raad van 14 maart 2001 (nr. 35593) dient de regelgeving opnieuw te worden gewijzigd. In dit arrest van de Hoge Raad is bepaald dat in het geval dat iemand niet het hele jaar verzekerd is voor de volksverzekeringen, onder bepaalde omstandigheden een tijdsevenredige verlaging van de premie-inkomensgrens moet plaatsvinden. Dit heeft geleid tot het opnemen van artikel 6 in deze regeling.
     De Uitvoeringsregeling premieheffing volksverzekeringen 2002 (Regeling 2002) komt in de plaats voor de Regeling 1990, die tot de inwerkingtreding van de Regeling 2002 uitvoering gaf aan artikel 17 van de wet. De Regeling 1990 blijft van toepassing voor de premieheffing volksverzekeringen over de jaren voorafgaande aan het jaar 2002. Hoe over die jaren rekening zal worden gehouden met het arrest van de Hoge Raad van 14 maart 2001 (nr. 35593) wordt bepaald in een beleidsbesluit van de Staatssecretaris van Financiën.
     Bij de artikelsgewijze toelichting zijn ter illustratie voorbeelden opgenomen van de in de onderhavige regeling opgenomen voorzieningen. Tenzij anders vermeld, is in de voorbeelden geen rekening gehouden met de van toepassing zijnde algemene heffingskorting.

 

 

Artikelsgewijze  toelichting

 

Artikel 1. Begripsbepalingen

     Het tweede lid van dit artikel is aangepast aan de formulering die wordt gebruikt in artikel 1.6 van de Wet IB 2001 om aan te duiden dat de Nederlandse Antillen en Aruba als aparte mogendheden worden aangemerkt.

 

Artikel 2. Partnerbegrip voor vaststelling premie-inkomen

     Artikel 2 geeft een aanvulling op artikel 8 van de wet. Als er voor de inkomstenbelasting sprake is van fiscaal partnerschap, dan geldt de keuze voor toerekening van gemeenschappelijke inkomensbestanddelen als bedoeld in artikel 2.17 van de Wet IB 2001 zowel voor de inkomstenbelasting als voor de premieheffing volksverzekeringen. Dit is het gevolg van de derde volzin van artikel 8 van de wet. Voor deze situatie is geen apart partnerbegrip voor de premieheffing volksverzekeringen nodig. In bepaalde situaties is de derde volzin van artikel 8 van de wet echter niet van toepassing, bijvoorbeeld wanneer de premieplichtige en zijn partner niet beiden belastingplichtig zijn. Deze laatste situatie kan zich alleen voordoen bij niet-inwoners. Immers inwoners van Nederland zijn altijd belastingplichtig, zodat het partnerbegrip van de Wet IB 2001 van toepassing is. Voor niet-inwoners is in verband met de vrije toerekening van gemeenschappelijke inkomensbestanddelen een apart partnerbegrip voor de premieheffing volksverzekeringen nodig als zij niet belastingplichtig zijn of als zij buitenlands belastingplichtig zijn maar niet (willen of kunnen) kiezen voor behandeling als binnenlands belastingplichtige als bedoeld in artikel 2.5 van de Wet IB 2001.
     Voor deze situatie is artikel 2 opgenomen. Net als voor inwoners is ook voor niet-inwoners voor de vrije toerekening van gemeenschappelijke inkomensbestanddelen voor de premieheffing volksverzekeringen niet vereist dat de partner van de premieplichtige zelf ook premieplichtig is. In het tweede lid van artikel 2 is bepaald dat de keuze die huisgenoten maken voor het al dan niet partner zijn voor de Wet IB 2001, ook van toepassing is voor de premieheffing volksverzekeringen.
     Hiermee wordt voorkomen dat huisgenoten voor de Wet IB 2001 niet voor partnerschap kiezen, terwijl ze dat wel doen voor de premieheffing volksverzekeringen, of vice versa. In dat geval zou zowel voor de inkomstenbelasting als voor de premieheffing volksverzekeringen een aparte inkomensberekening gemaakt moeten worden en bovendien leidt dat tot uitvoeringstechnische problemen.

 

Artikel 3. Heffingspercentage bij verschillende premiepercentages

     Voor de premieheffing bij wege van aanslag is een voorziening nodig voor de situatie waarin de premieplicht en de belastingplicht weliswaar samenvallen, doch het premieregime niet gedurende het hele heffingstijdvak gelijk is geweest. Dit zal zich voordoen indien de premieplichtige gedurende een gedeelte van het heffingstijdvak niet voor alle of niet steeds voor dezelfde volksverzekeringen verzekerd of premieplichtig is geweest (zoals in het geval van 65 jaar worden).
     Voor deze situatie voorziet artikel 3 in premieheffing naar een percentage dat is samengesteld uit tijdsevenredige delen van de verschillende premiepercentages die in de loop van het heffingstijdvak ten aanzien van de premieplichtige hebben gegolden.
     De bepaling ziet derhalve op een individuele mutatie in de premieplicht. Voor een eventuele generale wijziging van een premiepercentage in de loop van een kalenderjaar voorziet artikel 12 van de wet in een gemiddeld percentage.
     In artikel 3 van de Regeling 2002 is, evenals in artikel 2 van de Regeling 1990, vanwege praktische redenen een systeem van tijdsevenredige herleiding neergelegd.
     De tijdsevenredige afleiding vereist vaststelling van tijdvakken. Meestal zullen dat premietijdvakken zijn. In een aantal gevallen zal echter tevens een belastingtijdvak moeten worden vastgesteld.
     Dit is voor de juiste bepaling van tijdsevenredigheid nodig wanneer weliswaar de premieplicht en de belastingplicht samenvallen, doch de belastingplicht zich niet over het hele jaar uitstrekt (bijvoorbeeld door vertrek naar het buitenland of overlijden). Het bepalen van een tijdvak geschiedt mede op basis van de regels van artikel 7.
     Eén en ander kan met de volgende voorbeelden worden geïllustreerd. In deze voorbeelden is alleen rekening gehouden met de algemene heffingskorting en niet met de aanvullende heffingskortingen. In het jaar waarin de leeftijd van 65 jaar wordt bereikt, wordt de van toepassing zijnde heffingskorting in de periode vóór en na het bereiken van die leeftijd naar tijdsgelang berekend (artikel 8.7, tweede lid, Wet IB 2001). Bij overlijden of migratie (voorbeeld 2) wordt de algemene heffingskorting niet naar tijdsgelang berekend.


Voorbeeld 1 (artikel 3)

     Een verzekerde wordt op 16 juni 2002 65 jaar. Hij is het gehele jaar belastingplichtig. Het premie-inkomen bedraagt €|24 000,-. De premiepercentages voor de volksverzekeringen in 2002 bedragen: 17,90% voor de AOW, 1,25% voor de Anw en 10,25% voor de AWBZ.

Berekening percentage:
Tot 1 juni is de verzekerde premie verschuldigd voor de AOW, de Anw en de AWBZ (= 29,4%). De eerste van de maand waarop de pensioengerechtigde leeftijd wordt bereikt (1 juni), is de verzekerde geen premie meer verschuldigd voor de AOW en bedraagt de premie volksverzekeringen 11,5%. De tijdsevenredige splitsing van het premiepercentage verloopt aldus:
150/360 x 29.4% + 210/360 x 11,5% = 18,95% x €|24 000,- = €|4548,-

Berekening heffingskorting:
In 2002 bedraagt de heffingskorting €|1647,- voor personen onder de 65 jaar en €|737,- voor personen vanaf 65 jaar. De verzekerde heeft in dit geval recht op de volgende heffingskorting:
150/360 x €|1647,- + 210/360 x €|737,- = €|687,- + €|430,- = €|1117,-


Voorbeeld 2 (artikel 3)

     Een verzekerde wordt op 16 juni 2002 65 jaar en overlijdt op 14 oktober 2002. Het premie-inkomen bedraagt in dit geval €|19 500,- (het inkomen is in voorbeeld 2 lager dan in voorbeeld 1 om de situaties te kunnen vergelijken; in voorbeeld 2 wordt ten slotte slechts gedurende een deel van het kalenderjaar inkomen gegenereerd).

Berekening percentage:
Het belastingtijdvak bestaat in dit geval uit 283 dagen. Het percentage wordt als volgt samengesteld:
150/283 x 29,4% + 133/283 x 11,5% = 20,98% x €|19 500,- = €|4091,-

Berekening heffingskorting:
De verzekerde heeft in dit geval recht op de volgende algemene heffingskorting:
150/360 x €|1647,- + 210/360 x €|737,- = €|687,- + €|430,- = €|1117,-

     Voorbeeld 2 gaat ook op als in plaats van het overlijden op 14 oktober 2002 op deze datum vertrek naar het buitenland plaatsvindt.

 

Artikel 4. Uitzonderingen premie-inkomen voor premieheffing

     De vraag of iemand verzekerd is inzake de volksverzekeringen dient allereerst te worden beantwoord aan de hand van de bepalingen in de desbetreffende wettelijke regelingen zelf. In geval van grensoverschrijdende arbeid kan er een samenloop van verzekering ontstaan: op grond van die arbeid kan men verzekerd zijn in een ander land, terwijl tegelijkertijd op grond van ingezetenschap verzekering bestaat in Nederland. Omdat deze situatie ongewenst is, zijn internationale coördinatieregels tot stand gekomen ter voorkoming van dergelijke wetsconflicten. Indien ingevolge nationale bepalingen van twee of meer landen iemand gelijktijdig verzekerd zou zijn in twee of meer landen, voorzien die coördinatieregels er normaliter in dat één van deze stelsels exclusief van toepassing is.
     Gedurende eenzelfde tijdvak kan men dus in principe niet aan meer dan één stelsel onderworpen zijn. De bedoelde regels zijn opgenomen in titel II van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen [zie ook Verordening (EG) nr. 883/2004, red.], en in bi- of multilaterale verdragen inzake sociale zekerheid tussen Nederland en andere mogendheden. Aan de hand van de daarin opgenomen aanwijsregels dient men vast te stellen of, en zo ja, gedurende welk tijdvak de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing is. Desondanks komen er situaties voor waarbij gelijktijdig de Nederlandse wetgeving en een buitenlandse wetgeving van toepassing zijn.
     In artikel 4, onderdeel a, b en c, is een bijzondere voorziening opgenomen voor een drietal gevallen. De in artikel 3.16, negende lid, aanhef en onder b, van de Wet IB 2001 en artikel 15b, aanhef en onder m, van de Wet op de loonbelasting 1964 opgenomen voorziening die het ten aanzien van belastingplichtigen die tevens premieplichtig zijn voor de volksverzekeringen mogelijk maakt dat premies voor buitenlandse verzekeringen die naar aard en strekking overeenkomen met de Nederlandse volksverzekeringen worden gerekend tot de kosten van een onderneming of belastingvrij mogen worden vergoed, biedt in deze situaties onvoldoende soelaas.
     De bepaling, in artikel 4, onderdeel a, voorziet erin dat uitkeringen die krachtens de socialezekerheidswetgeving van een andere mogendheid zijn onderworpen aan een premieheffing uit hoofde van een wettelijke regeling inzake uitkeringen bij ouderdom en overlijden, in mindering kunnen worden gebracht op het premie-inkomen.
     Met betrekking tot artikel 4, onderdeel b, wordt het volgende opgemerkt. Ingevolge artikel 14quarter van Verordening (EEG) nr. 1408/71 in verbinding met bijlage VII van deze verordening kan men bij wijze van uitzondering gedurende eenzelfde tijdvak verzekerd zijn ingevolge de wettelijke regelingen van twee lidstaten. Deze situatie doet zich voor indien men in de ene lidstaat werkzaamheden in loondienst en in de andere lidstaat werkzaamheden als zelfstandige uitoefent, terwijl in de laatstbedoelde lidstaat voor die werkzaamheden als zelfstandige specifieke socialezekerheidsregelingen bestaan. Dit is bijvoorbeeld het geval in België, dat een aparte regeling kent voor zelfstandigen, en Duitsland, voor zover het gaat om landbouwwerkzaamheden. Voor de uit werkzaamheden als zelfstandige voortvloeiende inkomsten (winst uit buitenlandse ondernemingen en voordelen uit buiten Nederland anders dan in dienstbetrekking verrichte werkzaamheden) treedt dan mogelijk dubbele premieheffing op indien over die inkomsten in die andere lidstaat premie wordt geheven.
     In artikel 4, onderdeel b, is daarom bepaald dat het gedeelte van het premie-inkomen van degene die verzekerd is en die tevens werkzaamheden verricht (of heeft verricht) buiten Nederland, waarop een internationale regeling inzake sociale zekerheid van toepassing is tussen Nederland en één of meer andere mogendheden, niet tot het premie-inkomen wordt gerekend. Er wordt in dit geval (verdragssituatie) niet de eis gesteld dat er sprake is van onderworpenheid aan premieheffing krachtens een wettelijke regeling van de andere mogendheid. De voorziening van artikel 4, onderdeel b, is in niet-verdragssituaties ook van toepassing op het gedeelte van het premie-inkomen dat is onderworpen aan premieheffing krachtens een wettelijke regeling inzake uitkeringen bij ouderdom en overlijden van een andere mogendheid.
     Nog opgemerkt wordt dat onder niet-verdragssituaties ("bij gebreke van een internationale regeling"; zie ook artikel 5, tweede lid) niet alleen wordt verstaan de situatie dat er geen verdrag met het desbetreffende land bestaat, maar ook de situatie dat er wel een verdrag bestaat met het betrokken land maar de aanwijsregels van dat verdrag inzake de toepasselijke wetgeving niet van toepassing zijn. Voor deze beide situaties geldt de onderworpenheidseis.
     In artikel 4, onderdeel c, is een regeling opgenomen die met name ziet op hier te lande zijnde internationale functionarissen en buitenlandse overheidsdienaren met inkomsten uit andere werkzaamheden. Het gaat daarbij om personen die zouden zijn uitgezonderd van de verzekering op grond van artikel 13, eerste lid, onderdeel a, tweede lid, onderdeel c, derde lid, onderdeel a, vierde lid, onderdeel c, artikel 14, eerste lid, onderdeel a, artikel 15, eerste lid, onderdeel a, b en c, subonderdeel 1º, of artikel 16, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999, maar die in verband met het in die artikelen bedoelde verrichten van andere werkzaamheden toch verzekerd zijn. In een aanzienlijk aantal gevallen - met name waar het gaat om personen die in dienst zijn van de in artikel 13 [artikel 14, red.] van het besluit genoemde organisaties - is er sprake van oprichtings- of zetelovereenkomsten waarin een bepaling inzake vrijstelling van sociale verzekering is neergelegd. Een dergelijke bepaling leidt ertoe dat het salaris uit hoofde van het dienstverband met de internationale organisatie nimmer in de premieheffing wordt betrokken. In de oudere internationale overeenkomsten, die dateren van de tijd dat de sociale verzekeringen zowel wat betreft de prestaties als wat betreft de premiebetaling van andere betekenis waren, komt een bepaling inzake vrijstelling van sociale verzekeringen niet voor. Zonder nadere voorziening zou dit tot gevolg hebben dat binnen de groep internationale functionarissen met andere werkzaamheden een verschil in behandeling zou ontstaan. Zodra immers functionarissen van internationale organisaties waarvan de samenwerkingsovereenkomst geen vrijstellingsbepaling inzake sociale verzekeringen bevat, in Nederland andere werkzaamheden gaan verrichten en daardoor hier te lande verzekerd worden, zouden zij premieplichtig worden voor hun gehele inkomen, ondanks het feit dat op hen het socialeverzekeringsstelsel van de organisatie van toepassing blijft. Teneinde voor deze internationale functionarissen en voor buitenlandse overheidsdienaren tot een uniforme regeling te komen, is in onderdeel c bepaald dat premieheffing over het internationale respectievelijk het buitenlandse salaris achterwege blijft.


Voorbeeld 3 (artikel 4, onderdeel a)

     Een inwoner van Nederland is het gehele jaar belastingplichtig alsmede verzekerd en premieplichtig in Nederland. Hij ontvangt krachtens een buitenlandse (volksverzekerings)wetgeving een ouderdomsuitkering of een nabestaandenuitkering van €|10 000,-, waarvoor premies worden betaald. Voorts heeft hij een Nederlandse uitkering van €|25 000,-. De buitenlandse uitkering van €|10 000,- behoort niet tot het premie-inkomen, zodat alleen premie volksverzekeringen verschuldigd is over €|25 000,-.


Voorbeeld 4 (artikel 4, onderdeel b)

     Een inwoner van Nederland is het gehele jaar belastingplichtig alsmede verzekerd en premieplichtig in Nederland. Hij oefent in Nederland een dienstbetrekking uit (loon €|30 000,-) en hij is tevens als zelfstandige werkzaam in België (winst €|10 000,-). Op grond van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 [zie ook Verordening (EG) nr. 883/2004, red.] is hij ook het gehele jaar verzekerd en premieplichtig in België voor zijn winst. De in België behaalde winst van €|10 000,- behoort niet tot het premie-inkomen, zodat alleen premie volksverzekeringen verschuldigd is over €|30 000,-.


Voorbeeld 5 (artikel 4, onderdeel c)

     Een inwoner van Nederland, van Nederlandse nationaliteit, is het gehele jaar in dienst van de internationale organisatie SHAPE Technical Centre (een hoofdkwartier van de NAVO) te ‘s-Gravenhage en valt onder de socialeverzekeringsregeling van de NAVO. In de desbetreffende internationale overeenkomst is geen vrijstellingsbepaling inzake sociale verzekeringen opgenomen. Het salaris van betrokkene, dat is vrijgesteld van belastingheffing zonder progressievoorbehoud, bedraagt €|100 000,-. Betrokkene is tevens het gehele jaar gemeenteraadslid en ontvangt daarvoor een vergoeding van €|10 000,-. Het SHAPE-salaris van €|100 000,- behoort niet tot het premie-inkomen, zodat alleen premie volksverzekeringen verschuldigd is over €|10 000,-.

 

Artikel 5. Premie-inkomen bij premieplichtigheid over gedeelte kalenderjaar

     Voor de premieheffing bij wege van aanslag is voorts een voorziening nodig voor de situatie waarin er zowel premieplicht als belastingplicht is, doch de premieplicht zich niet uitstrekt over de gehele periode van de belastingplicht. Dit kan zich voordoen indien de verzekeringsplicht in de loop van het heffingstijdvak is geëindigd of (opnieuw) is aangevangen, bijvoorbeeld door te gaan werken in het buitenland. In deze situatie wordt het premie-inkomen naar tijdsevenredigheid afgeleid. Het premie-inkomen wordt afgeleid van het (over een langere periode vastgestelde) inkomen dat als maatstaf zou hebben gegolden als de premieplicht volledig zou zijn samengevallen met de belastingplicht.
     Voor de gevallen waarin men in een belastingjaar op grond van aanwijsregels voor toepasselijke wetgeving, zoals opgenomen in internationale regelingen inzake sociale zekerheid, de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is, is in artikel 5, tweede lid, een aanvullende voorziening in de vorm van een aftrekmethode opgenomen. Deze voorziening hangt samen met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te Luxemburg van 5 mei 1977 (arrest-Peerenboom) en het daarop gebaseerde arrest van de Hoge Raad van 7 september 1977, nr. 17737, BNB 1977/224. In deze arresten is beslist dat zowel artikel 12 van Verordening (EEG) nr. 3 als artikel 13 van Verordening (EEG) nr. 1408/71 [zie ook Verordening (EG) nr. 883/2004, red.] verbiedt dat de staat van woonplaats krachtens zijn socialezekerheidswetgeving premie heft over het loon dat een werknemer met zijn arbeid in een andere lidstaat heeft verdiend en waarop uit dien hoofde de socialezekerheidswetgeving van die andere staat is toegepast.
     Teneinde te voorkomen dat de in artikel 5, eerste lid, opgenomen tijdsevenredige benaderingswijze tot een resultaat leidt dat in strijd is met vorenbedoelde jurisprudentie, bevat het tweede lid van artikel 5 een aanvullende voorziening in de vorm van een aftrekmethode. Deze voorziening geldt ook voor situaties waarin men wel is onderworpen aan premieheffing krachtens een wettelijke regeling van een andere mogendheid inzake uitkeringen bij ouderdom en overlijden, terwijl dit niet gebaseerd is op een internationale regeling inzake sociale zekerheid. Voor het antwoord op de vraag welke situaties hieronder worden verstaan, wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 4, onderdeel b. Voor laatstbedoelde situaties geldt derhalve wel een onderworpenheidseis, in tegenstelling tot de situatie waarbij er een internationale regeling inzake sociale zekerheid van toepassing is.
     Volledigheidshalve zij nog het volgende opgemerkt. In artikel 5, tweede lid, is, zoals aangegeven, een voorziening opgenomen op grond waarvan de tijdsevenredige methode van het eerste lid kan worden vervangen door de aftrekmethode voor bepaalde situaties waarin premietijdvak en belastingtijdvak niet gelijk zijn. Deze voorziening verschilt van de voorzieningen welke zijn getroffen in artikel 4, onderdeel a en b. In die onderdelen van artikel 4 gaat het om situaties waarin over dezelfde periode niet alleen in Nederland maar ook in een andere staat tegelijkertijd premieplicht bestaat of de wetgeving van een andere staat van toepassing is. Het tweede lid van artikel 5 voorziet daarentegen in situaties waarin gedurende een deel van het jaar alleen premieplicht bestaat in een ander land of de wetgeving van een ander land van toepassing is.

 

Artikel 6. Aanpassing maximumpremie-inkomen bij gedeeltelijke premieplicht anders dan door overlijden

     In zijn arrest van 14 maart 2001, nr. 35593, heeft de Hoge Raad beslist dat het niet tijdsevenredig verlagen van het bedrag waarover in een kalenderjaar maximaal premie volksverzekeringen wordt geheven (het premiemaximum) in het kalenderjaar waarin een binnen de Europese Unie migrerende werknemer niet het gehele kalenderjaar verzekerd is voor de volksverzekeringen, in strijd is met de in artikel 39 (voorheen artikel 48) van het EG-Verdrag [zie Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, red.] gewaarborgde vrijheid van werknemersverkeer. De Hoge Raad overweegt daarbij dat ten aanzien van deze werknemer de premielast drukt op een periode die korter is dan een volledig kalenderjaar, terwijl een zelfde premielast ten aanzien van een werknemer die geen gebruik maakt van de in artikel 39 EG-Verdrag gewaarborgde vrijheid, doch overigens in vergelijkbare omstandigheden verkeert, op een volledig kalenderjaar drukt. De in het arrest bedoelde werknemer betaalt daardoor in verhouding meer premie, hetgeen de uitoefening van de in artikel 39 EG-Verdrag gewaarborgde vrijheid kan ontmoedigen. Dit arrest kan analoog worden toegepast op EU-onderdanen die gebruik maken van de in artikel 43 EG-Verdrag gewaarborgde vrijheid van het recht van vestiging. Naar aanleiding van dit arrest is besloten om in alle gevallen waarin het tijdvak van premieplicht anders dan door overlijden korter is dan het volledige kalenderjaar, het premie-inkomen naar tijdsevenredigheid af te leiden van het op grond van artikel 10, zesde lid, van de wet voor dat kalenderjaar geldende premiemaximum.
     Indien daarentegen de toepassing van de bepalingen in de wet of van de overige in de Regeling 2002 opgenomen bepalingen tot een lager premie-inkomen leidt, dient het premie-inkomen op dit lagere bedrag te worden vastgesteld en blijft artikel 6 van de Regeling 2002 dus buiten toepassing.
     De herleiding van het premie-inkomen vindt, zoals in artikel 5 is bepaald, dus in beginsel plaats naar tijdsevenredigheid. Financiële benadeling kon (tot het hiervoor genoemde arrest) zich voordoen als een persoon bijvoorbeeld tussen 1 januari en 30 juni meer had verdiend dan de jaarlijkse maximumpremie-inkomensgrens en vanaf 1 juli in het buitenland was gaan werken. Deze persoon moest de maximale jaarlijkse premie in Nederland betalen en liep het risico om vervolgens vanaf 1 juli gedurende een halfjaar in het buitenland premie te moeten betalen. Artikel 6 regelt dat deze persoon, in dit geval, voortaan maximaal de helft van het maximale premie-inkomen in Nederland betaalt.


Voorbeeld 6 (artikelen 5 en 6)

     Een inwoner van Nederland is in 2002 het gehele jaar binnenlands belastingplichtig met een inkomen van €|120 000,-. Gedurende de eerste zes maanden van het jaar is deze persoon ook premieplichtig, maar hij gaat op 1 juli in Duitsland werken. In het inkomen is een bedrag van €|75 000,- begrepen dat in Duitsland is onderworpen aan premieheffing krachtens een wettelijke regeling inzake uitkeringen bij ouderdom en overlijden. Het premie-inkomen wordt achtereenvolgens afgeleid op grond van artikel 5, eerste lid, artikel 5, tweede lid, en artikel 6.


Artikel 5, eerste lid

     Het premie-inkomen wordt op grond van artikel 5, eerste lid, tijdsevenredig herleid:
180/360 x €|120 000,- = €|60 000,-.
Het maximumpremie-inkomen waarover premie volksverzekeringen is verschuldigd, bedraagt in 2002 €|27 847,-. De verschuldigde premie bedraagt op grond van artikel 5, eerste lid, de maximale premie:
29,40% x €|27 847,- = €|8187,-.


Artikel 5, tweede lid

     Het premie-inkomen van €|120 000,- wordt op grond van het tweede lid verminderd met €|75 000,- tot €|45 000,-.
     Het maximumpremie-inkomen waarover premie volksverzekeringen is verschuldigd, bedraagt in 2002 €|27 847,-. De verschuldigde premie bedraagt op grond van artikel 5, tweede lid, de maximale premie:
29,40% x €|27 847,- = €|8187.


Artikel 6

     Op basis van artikel 6 moet in dit geval (migratie) het maximumpremie-inkomen eveneens naar tijdsevenredigheid herleid worden.
     Het premiemaximum bedraagt na tijdsevenredige herleiding:
180/360 x €|27 847,- = €|13 923,-.

     Het premie-inkomen wordt hier dus vastgesteld op het laagste van de drie berekeningsmethoden. Het premie-inkomen wordt vastgesteld op €|13 923,- en de verschuldigde premie bedraagt:
29,40% x €|13 923,- = €|4093,-.

     Indien de persoon in plaats van in het buitenland te gaan werken, zou zijn overleden, zou artikel 6 niet van toepassing zijn. Het premie-inkomen zou dan €|45 000,- bedragen (het laagste inkomen op grond van artikel 5, tweede lid). Er is slechts premie verschuldigd over het maximale premie-inkomen van €|27 847,-. Het maximumpremie-inkomen wordt slechts naar tijdsevenredigheid afgeleid in geval van migratie in de loop van het kalenderjaar. In dit geval wordt immers ook in het buitenland premie afgedragen. Hierdoor is het waarschijnlijk dat de totale premie (indien binnenlandse en buitenlandse premie worden samengenomen) het maximumpremie(jaar)inkomen zou overschrijden.

 

Artikel 7. Tijdsevenredige vaststelling

     Zoals reeds vermeld in de toelichting op artikel 3 bevat artikel 7 regels voor de tijdsevenredige afleidingen. Deze regels zijn gelijk aan die van artikel 5 van de Regeling 1990. In de toelichting op artikel 3 zijn enige voorbeelden opgenomen met betrekking tot tijdsevenredige afleiding ingeval een verzekerde de 65-jarige leeftijd bereikt in de loop van het kalenderjaar.

 

Artikel 8. Premie-inkomen indien niet onderworpen aan loonbelasting

     Ten slotte is voor de premieheffing bij wijze van inhouding een nadere regeling nodig voor de uitzonderlijke situatie waarin er wel premieplicht bestaat, doch geen onderworpenheid aan de loonbelasting. Wanneer zich dit voordoet, zal het in de regel gaan om personen die naar de omstandigheden beoordeeld niet in Nederland wonen (of geacht kunnen worden te wonen). Bij gebreke van onderworpenheid aan de loonbelasting dient voor de premieheffing een eigen maatstaf van heffing te worden gecreëerd. De werkzaamheden, de vroegere werkzaamheden of het uitkeringsrecht uit hoofde waarvan men verzekerd is zonder deswege belastingplichtig te zijn, worden voor de premieheffing fictief aangemerkt als binnenlandse bron van inkomen. De opbrengst van zulk een bron van inkomen wordt bepaald met inachtneming van regels die daarvoor gelden voor de loonbelasting. Vóór de inwerkingtreding van de Wet IB 2001 werden tevens de werkzaamheden, de vroegere werkzaamheden of het uitkeringsrecht uit hoofde waarvan men verzekerd is zonder deswege belastingplichtig te zijn, voor de inkomstenbelasting fictief als binnenlandse bron van inkomen aangemerkt. Bij de premieheffing bij wege van aanslag wordt nu het wereldinkomen uit werk en woning als uitgangspunt genomen voor het premie-inkomen, ongeacht of men binnenlands belastingplichtig, buitenlands belastingplichtig of niet belastingplichtig is.


Voorbeeld 7 (artikel 8)

     Een inwoner van België is als chauffeur in dienstbetrekking bij een in Nederland gevestigd internationaal transportbedrijf. Hij rijdt niet in Nederland en hij rijdt in hoofdzaak ook buiten België. Hij is op grond van de Wet op de loonbelasting 1964 niet aan de loonbelasting onderworpen. Hij geniet een loon van €|40 000,00. Zonder toepassing van artikel 8 van Regeling 2002 bedraagt zijn loon €|0,-. Na toepassing van genoemd artikel bedraagt zijn binnenlands loon fictief €|40 000,-. De werkgever moet premie inhouden op zijn loon.

 

Artikel 9. Intrekking uitvoeringsregeling en overgangsregeling

     De Uitvoeringsregeling premieheffing volksverzekeringen 1990 wordt ingetrokken. In de premiejaren vóór 2002 is de Uitvoeringsregeling premieheffing volksverzekeringen 1990 van toepassing. Daarnaast zal in een beleidsbesluit van de Staatssecretaris van Financiën worden aangegeven in welke situaties en op welke wijze bij het vaststellen van het premie-inkomen voor de jaren tot en met 2001 rekening gehouden moet worden met het arrest van de Hoge Raad van 14 maart 2001 (nr. 35593).

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
M. Rutte.