Geschiedenis van deze beleidsregels:

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht t/m Betreft Bekendmaking regeling Bekendmaking inwerkingtreding
03-02-2017 01-01-2017 Intrekking Stcrt. 2017, 4913 Stcrt. 2017, 4913
02-07-2016 01-07-2016 Wijziging Stcrt. 2016, 34170 Stcrt. 2016, 34170
28-01-2016 01-01-2016 Wijziging Stcrt. 2016, 3303 Stcrt. 2016, 3303
16-07-2015 01-07-2015 Wijziging Stcrt. 2015, 19661 Stcrt. 2015, 19661
01-01-2015   Nieuwe regeling Stcrt. 2014, 37089 Stcrt. 2014, 37089

 

 

     Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

     Besluit:

 

 

HOOFDSTUK  1

Algemeen kader

 

Art. 1. Normbedragen
De normbedragen voor voorzieningen als bedoeld in:
- artikelen 34a en 35 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
- artikelen 2:22 en 2:23 van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten; ¹
- artikel 19a van de Wet overige OCW-subsidies;
- artikelen 3, 5, 6, 7, 13, 14, 15, 15a, 15b en 18 van het Reïntegratiebesluit;
- artikelen 3, 5, 6, 7 en 8 van het Uitvoeringsbesluit onderwijsvoorzieningen voor jongeren met een handicap;
worden vastgesteld op de bedragen, genoemd in de bijlage bij dit besluit.

1. Volgens de redactie dient "Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten" te worden vervangen door: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

 

Art. 2. Algemene begrippen
In dit besluit wordt verstaan onder:
- dienstbetrekking: een dienstbetrekking in de zin van artikel 3 van de ZW/WAO/WW of een op grond van artikel 4 of 5 van de ZW/WAO/WW daarmee gelijkgestelde arbeidsverhouding;
- klant: een natuurlijk persoon met structureel functionele beperkingen. Tot het begrip klant behoort ook de leerling;
- leerling: een natuurlijk persoon zoals omschreven in artikel 19a, eerste lid, van de Wet overige OCW-subsidies;
- leefvervoer: vervoer in de privésfeer van een klant;
- normbedrag: de maximale vergoeding die het UWV voor de verstrekking van een voorziening betaalt;
- onderwijsvoorziening: een voorziening die een leerling ondersteunt bij het volgen van onderwijs;
- reisvergoeding: de vergoeding voor gereden kilometers die door de tolk en de overige verleners van intermediaire activiteiten als werktijd wordt beschouwd. Hierbij is ook de fiscaal toegestane norm onkostenvergoeding per kilometer begrepen;
- startende zelfstandige: de natuurlijk persoon die, anders dan in dienstbetrekking, arbeid in zelfstandig beroep of bedrijf gaat verrichten of verricht teneinde zich daarmee een inkomen te verwerven;
- structureel functionele beperkingen: beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek. Gaat het om beperkingen bij het verrichten van inkomensvormende arbeid, dan is de verwachting dat deze minimaal één jaar zullen duren. Beperkingen die ertoe leiden dat een leerling belemmeringen ondervindt bij het volgen van onderwijs duren naar verwachting ten minste drie maanden;
- tolk: een vertaler van (gesproken) tekst in woord of gebaar die in het Register Tolken Gebarentaal (RTG, www.stichtingrtg.nl) staat ingeschreven. Een communicatieassistent kan met ingang van 1 januari 2015 niet als tolk optreden;
- tolk op afstand: een tolk die zijn tolkdiensten verricht vanuit een eigen werklocatie, niet zijnde de locatie waar de klant die gebruikmaakt van de tolk zich bevindt;
- voorziening: een middel of dienst die beoogt de beperkingen als gevolg van ziekte en/of gebrek voor het vinden en/of verrichten van inkomensvormende arbeid of het deelnemen aan regulier onderwijs zoveel als mogelijk weg te nemen;
- UWV: Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
- werkvoorziening: een voorziening die een klant ondersteunt bij het aan het werk gaan of bij de uitoefening van zijn werkzaamheden;
- werkgever: een werkgever in de zin van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;

 

 

HOOFDSTUK  2

Vervoersvoorzieningen

 

Art. 3. Kilometervergoeding
-1. De kilometervergoedingen volgens de normbedragen C22,¹ C25-I en C25-V worden verstrekt op basis van de woon-werkafstand of woon-schoolafstand. Deze afstand wordt bepaald volgens de ANWB-routeplanner "snelste route", op basis van volledige postcodes en wordt per enkele reis afgerond naar boven op hele kilometers.
-2. De aftrek van de eigen bijdrage, genoemd in de normbedragen C26-I en C26-II, wordt berekend over de afstand als bedoeld als in het eerste lid.

1. De codes verwijzen naar de codelijst zoals opgenomen in de bijlage bij deze beleidsregels.

 

Art. 4. Taxikostenvergoeding
-1. Een taxikostenvergoeding volgens het normbedrag C31 wordt verstrekt als de klant niet meer dan 100 meter kan lopen en voor elke verplaatsing buitenshuis is aangewezen op een taxi.
-2. De combinatievergoeding volgens het normbedrag C34 wordt verstrekt als de klant voor het leefvervoer niet uitsluitend is aangewezen op vervoer per taxi, maar ook gebruik kan maken van alternatief vervoer.

 

 

HOOFDSTUK  3

Tolken

 

Art. 5. Uurvergoeding tolken en intermediaire dienstverleners
-1. De uurvergoeding volgens de normbedragen E17-I en E17-III verstrekt het UWV uitsluitend voor feitelijk uitgevoerde dienstverlening en bij een minimale inzet van:
a. één lesuur in onderwijssituaties tussen 08:00 en 18:00 uur op basis van de werkelijke lengte in minuten; of
b. één kwartier in alle overige voorkomende situaties.
Afronding vindt plaats op hele kwartieren naar boven en geldt per getolkte tijd, per opdracht en per locatie in een etmaal.
-2. Voor opdrachten binnen Nederland wordt in geval van de hieronder vermelde buitengewone werktijden de uurvergoeding vastgesteld op het daarbij aangegeven percentage van de in het eerste lid bedoelde uurvergoedingen. De in het eerste lid bedoelde uurvergoedingen worden als volgt verhoogd in geval van buitengewone werktijden:

Maandag t/m vrijdag: 0.00 uur tot 6.00 uur:
6.00 uur tot 8.00 uur:
18.00 uur tot 22.00 uur:
22.00 uur tot 24.00 uur:
140%
120%
120%
140%
Zaterdag: 0.00 uur tot 6.00 uur:
6.00 uur tot 22.00 uur:
22.00 uur tot 24.00 uur:
140%
130%
140%
Zondag/feestdag: 0.00 uur tot 24.00 uur: 145%

Voor opdrachten op werkdagen van maandag tot en met vrijdag tussen 8.00 uur tot 18.00 uur vergoedt het UWV 100% van de in het eerste lid bedoelde uurvergoeding. Voor opdrachten in het buitenland wordt, ongeacht de werktijden, 100% van de in het eerste lid bedoelde uurvergoeding vergoed.

 

Art. 6. Specifieke regels voor opdrachten in het onderwijs
Voor opdrachten in het onderwijs wordt de uurvergoeding als volgt gedifferentieerd in percentages van de normbedragen E17-I en E17-III:
a. in wetenschappelijk en hoger beroepsonderwijs: 105%;
b. in het middelbaar (beroeps)onderwijs: 100%;
c. in het lager onderwijs: 95%.

 

Art. 7. Reisvergoeding van tolken en intermediaire dienstverleners
-1. Het UWV verstrekt de reisvergoeding volgens de normbedragen E17-A1 en E17-A3 op basis van het aantal werkelijk gereisde kilometers. Dit aantal wordt bepaald aan de hand van de ANWB-routeplanner "snelste route" op basis van volledige postcodes en per enkele reis. Afronding vindt plaats naar boven op hele kilometers. Voor de reisvergoeding geldt een maximum van 80 kilometer per enkele reis.
-2. De reisvergoeding wordt verstrekt bij een reisafstand op basis van minimaal één cijfer of letter verschil in de postcode.
-3. Kan de klant aantonen dat het gewenste type tolk c.q. overige intermediaire dienstverleners niet binnen redelijke afstand van de opdrachtlocatie beschikbaar is, dan kan het UWV in afwijking van het bepaalde in het eerste lid een reisvergoeding verstrekken tot maximaal 110 kilometer per enkele reis.
-4. Uitsluitend voor klanten die doof en blind of doof en zeer slechtziend zijn, hanteert het UWV geen maximum voor het aantal te reizen kilometers. De tolk en de overige intermediaire dienstverleners kunnen binnen redelijke grenzen - dit ter beoordeling aan het UWV - extra kilometers rijden voor het ophalen en/of thuisbrengen van de klant.

 

Art. 8. Afwijkende vergoeding tolkopdrachten
-1. Voor groepsgewijze toepassingen van de inzet van tolken wijkt het UWV af van de vergoedingen als bedoeld in artikel 5, eerste en tweede lid, en artikel 7, eerste lid. Het UWV verstrekt in deze situatie op basis van maatwerk een passende vergoeding.
-2. Indien er sprake is van teamtolken, waarbij twee tolken tegelijkertijd voor één klant optreden, vergoedt het UWV 150% van het geldende normbedrag per team. Elke tolk ontvangt 75% van de vergoeding. De voorwaarden hiervoor zijn:
a. de opdrachtduur is langer dan twee klokuren;
b. van tevoren staat vast dat gedurende de opdracht geen (tolk)pauzes mogelijk zijn;
c. van tevoren staat vast dat het achtereenvolgens inzetten van verschillende tolken niet mogelijk is;
d. de opdrachtduur wordt niet onderbroken door lunchpauzes of koffiepauzes (de laatste van een kwartier of langer);
e. informatie over de aard van de opdracht dient bij de aanvraag te worden gevoegd om verificatie door het UWV mogelijk te maken.
-3. Voor opdrachten die in het buitenland plaatsvinden, wordt geen teamtolkvergoeding verstrekt.
-4. Een aanvraag voor vergoeding van tolkopdrachten als bedoeld in het eerste en tweede lid dient uiterlijk drie weken voorafgaand aan de datum van uitvoering van de opdracht bij het UWV te zijn ingediend.
-5. Het eerste tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op de tolkdiensten die worden verleend aan klanten die doof en blind of doof en zeer slechtziend zijn als bedoeld in artikel 7, vierde lid.
-6. Voor de tolk op afstand wordt de uurvergoeding E17-I gehanteerd. Het UWV verstrekt naast deze uurvergoeding ofwel een extra vergoeding van 30% van de uurvergoeding E17-I voor voorbereiding en afronding van de opdracht ofwel de reisvergoeding E17-AI op basis van het bepaalde in artikel 7. Het UWV verstrekt niet beide aanvullende vergoedingen naast de uurvergoeding E17-I.

 

Art. 9. Annulering van tolkopdrachten
-1. Een opdracht die aantoonbaar binnen 24 uur vóór het afgesproken tijdstip van uitvoering wordt geannuleerd, wordt voor 50% van de geldende norm vergoed. Opdrachten die langer dan 24 uur vóór het afgesproken tijdstip van uitvoering worden geannuleerd, worden in het geheel niet vergoed.
-2. Indien de oorzaak van de annulering aan de tolk moet worden toegeschreven, verstrekt het UWV geen vergoeding.
-3. Is de feitelijke tijdsduur van de opdracht korter dan de oorspronkelijke tijdsduur die tussen de tolk en de klant is afgesproken, dan merkt het UWV dit verschil als geannuleerde tijd aan. Dit verschil bedraagt ten minste vijftien minuten, omdat verrekening plaatsvindt in hele kwartieren. Het totaal van getolkte tijd en geannuleerde tijd mag de oorspronkelijk overeengekomen duur van de opdracht niet overtreffen.
-4. Het UWV verstrekt geen reisvergoeding voor volledig geannuleerde opdrachten. Deze bepaling geldt ook in de situatie dat het bericht van de annulering de tolk te laat of in het geheel niet heeft bereikt.

 

 

HOOFDSTUK  4

Slotbepalingen

 

Art. 10. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels UWV normbedragen voorzieningen 2015.

 

Art. 11. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2015.

 

 

     Dit besluit wordt met de toelichting en de bijlage in de Staatscourant geplaatst.

 

Amsterdam, 2 december 2014
B.J. Bruins,
voorzitter Raad van bestuur UWV

 

 

 

BIJLAGE

 

Code Beschrijving Vanaf
01-07-2015
Vanaf
01-07-2016
Werk Onder-
wijs
ALGEMENE NORMBEDRAGEN
Drempelbedrag voorzieningen
B11 Drempelbedrag waar beneden geen vergoeding wordt verleend (kostenbedrag inclusief BTW).
Toelichting: Voorzieningen die minder dan dit bedrag kosten, worden niet vergoed. Meerdere aangevraagde voorzieningen die ieder minder kosten dan het drempelbedrag kunnen worden opgeteld en vergoed.
|129,00 |132,00 X X
VERVOERSVOORZIENINGEN
Referentieauto
C18-II Normbedrag referentieauto (aanschafbedrag inclusief BTW).
Toelichting: Een referentieauto is een gemiddeld type auto standaard voorzien van faciliteiten.
|21 500,00 |21 500,00 X X
C18-III Eigen bijdrage verzekeringskosten bij noodzakelijke aanschaf van een auto boven de kosten van de referentieauto.
Toelichting: Dit maandelijkse bedrag wordt op de feitelijke maandelijkse kosten in mindering gebracht (eigen bijdrage).
|95,15 |96,29 X X
C18-IV Eigen bijdrage motorrijtuigenbelasting bij noodzakelijke aanschaf van een auto boven de kosten van een referentieauto.
Toelichting: Dit maandelijkse bedrag wordt op de feitelijke maandelijkse kosten in mindering gebracht (eigen bijdrage).
|33,54 |33,94 X X
Inkomensgrenzen voor vervoersvoorzieningen voor het woon-werk- en het privévervoer
C20-I Inkomensgrens woon-werk- en privévervoer.
Toelichting: Deze inkomensgrens geldt niet voor het woon-schoolvervoer. Boven deze inkomensgrens is geen vergoeding mogelijk, behalve voor (rolstoel)taxivervoer. Hiervoor is soms vergoeding mogelijk.
|36 727,00 |37 167,72 X X
C20-III Inkomensgrens woon-werk- en privévervoer als in één gezin meer vervoersvoorzieningen nodig zijn.
Toelichting: Deze inkomensgrens geldt niet voor het woon-schoolvervoer.
|55 091,00 |55 752,09 X X
Kilometervergoeding bruikleenauto van Welzorg
C22 Kilometervergoeding bruikleenauto.
Toelichting: Deze vergoeding is bedoeld voor de brandstofkosten van een auto. De eigen bijdrage gaat hier nog wel van af.
|0,13 |0,13 X X
Kilometervergoeding voor auto’s in eigen bezit
C25-I Personenauto.
Toelichting: Dit is een vergoeding voor het bezit en gebruik van een eigen auto. De eigen bijdrage gaat hier nog wel van af.
|0,48 |0,49 X X
C25-V Bestelauto/busje.
Toelichting: Dit is een vergoeding voor het bezit en gebruik van een eigen bestelauto of busje. De eigen bijdrage gaat hier nog wel van af.
|0,61 |0,61 X X
Algemeen gebruikelijke kosten woon-werkvervoer per kilometer
C26-I Algemeen gebruikelijke kosten woon-werkvervoer per kilometer.
Toelichting: Gemiddelde kosten van één kilometer openbaar vervoer in Nederland die op de woon-werkvergoeding in mindering worden gebracht. Dit bedrag is de eigen bijdrage.
|0,14 |0,14 X  
C26-II Algemeen gebruikelijke kosten woon-werkvervoer per kilometer boven de inkomensgrens C20-I en C20-III.
Toelichting: De kosten zijn gelijk aan de kosten van het bezit en gebruik van een eigen auto. Dit bedrag wordt in mindering gebracht op de (rolstoel)taxikosten of de kosten van speciale auto’s.
|0,48 |0,49 X  
Vervoerskostenvergoeding voor privékilometers
C31 Taxikostenvergoeding.
Toelichting: Indien ook een vergoeding is gegeven voor het woon-werkvervoer. De vergoeding kan niet separaat worden aangevraagd. Het betreft een vast jaarlijks bedrag.
|3935,00 |3982,22 X X
C32 Vergoeding voor visueel gehandicapten.
Toelichting: Indien ook een vergoeding is gegeven voor het woon-werkvervoer. De vergoeding kan niet separaat worden aangevraagd. Het betreft een vast jaarlijks bedrag.
|1966,00 |1989,59 X X
C33 Rolstoeltaxikostenvergoeding.
Toelichting: Indien ook een vergoeding is gegeven voor het woon-werkvervoer. De vergoeding kan niet separaat worden aangevraagd. Het betreft een vast jaarlijks bedrag.
|4807,89 |4865,58 X X
C34 Combinatievergoeding (taxi + overig vervoer).
Toelichting: Indien ook een vergoeding is gegeven voor het woon-werkvervoer. De vergoeding kan niet separaat worden aangevraagd. Het betreft een vast jaarlijks bedrag.
|1752,63 |1773,66 X X
Begeleidingskosten
C71 Vergoeding reiskosten begeleider per jaar.
Toelichting: Jaarlijkse vergoeding als de arbeidsgehandicapte klant niet zelf kan reizen en de begeleider een deel niet samen kan reizen (bijvoorbeeld de terugweg).
|850,00 |860,20 X X
VOORZIENINGEN VOOR INTERMEDIAIRE DIENSTVERLENING
E17-I Uurvergoeding geregistreerde tolk gebarentaal of schrijftolk (bedrag exclusief BTW).
Toelichting: Registratie van tolk op www.stichtingrtg.nl.
|52,52 |53,15 X X
E17-III Uurvergoeding intermediaire dienstverleners visueel gehandicapten en motorisch gehandicapten (bedrag exclusief BTW). NB: communicatieassistent is komen te vervallen per 1 januari 2015. |19,44 |19,83 X X
E17-A1 Reisvergoeding geregistreerde doventolk per kilometer (bedrag exclusief BTW). |0,69 |0,69 X X
E17-A3 Reisvergoeding intermediaire dienstverleners visueel gehandicapten en motorisch gehandicapten (bedrag exclusief BTW). NB: communicatieassistent is komen te vervallen per 1 januari 2015.
Toelichting: Inclusief vergoeding voor gereisde werktijd; reisvergoeding voor student-tolk is vervallen.
|0,30 |0,31 X X
MEENEEMBARE VOORZIENINGEN
G22-I Computer/laptop/tablet (eenmaal per vier jaar) (bedrag inclusief BTW).
Toelichting: De vergoeding is gericht op een middel zonder aanpassingen.
|790,00 |799,48 X X
BRUIKLEENVERSTREKKING
I12 Een voorziening wordt in bruikleen verstrekt als deze meer kost dan het vastgestelde bedrag (beneden dit bedrag verstrekking in eigendom).
Toelichting: In geval van bruikleen kunnen additionele kosten als onderhoud en reparatie door het UWV worden vergoed.
|3546,00;
contractuele uitzondringen mogelijk
|3588,55;
contractuele uitzondringen mogelijk
X X
JOBCOACHING/PERSOONLIJKE ONDERSTEUNING (alleen werkvoorziening)
Q1 Uurvergoeding voor jobcoaching/persoonlijke ondersteuning (bedrag exclusief BTW). |74,78 |75,68 X  
NORMBEDRAGEN VOOR STARTENDE ZELFSTANDIGEN
Z1 Inkomensgrens startende zelfstandigen drie jaar na de start.
Toelichting: Op basis van het gemiddelde jaarinkomen van de voorgaande drie arbeidsjaren wordt vastgesteld of de zelfstandige nog in aanmerking komt voor vergoeding van voorzieningen. Het gemiddelde jaarinkomen mag dan niet hoger zijn dan het normbedrag Z1.
|81 730,42 |82 090,03 X  
Z2 Vergoeding kosten begeleiding startende zelfstandigen vóór en ná de start (bedrag vergoeding inclusief BTW). |3677,38 |3693,56 X  
Z3 Voorbereidingskrediet startende zelfstandige (bedrag vergoeding inclusief BTW).
Toelichting: Dit bedrag is bestemd voor oriënterende activiteiten van de starter zoals netwerkcontacten en vakbeurzen. De indexering van het bedrag Z3 volgt de jaarlijkse indexering van het starterskrediet door SZW.
|2876,41 |2889,07 X  
INTERNE JOBCOACHING (alleen werkvoorziening)
Q2 Subsidiebedrag voor interne jobcoaching voor een dienstbetreking X  
  Begeleidingsregimes Jaar 1 Jaar 2 Jaar 3 e.v.
  licht |2700,00 |1400,00 |1400,00
  midden |4500,00 |2700,00 |1400,00
  intensief |6800,00 |4500,00 |2700,00
  Subsidiebedrag voor interne jobcoaching voor een proefplaatsing    
  Begeleidingsregimes Duur proefplaatsing
  licht |500,00
  midden |600,00
  intensief |750,00

 

 

 

TOELICHTING
[2 december 2014]

 

Algemeen

 

Aard van dit besluit

     De Beleidsregels UWV normbedragen voorzieningen 2015 bevatten uitsluitend de regels die verband houden met de vaststelling en wijziging van normbedragen inzake de verstrekking van voorzieningen. Regels met een algemeen beleidsmatig karakter zijn opgenomen in het UWV-besluit intermediaire activiteiten [lees: Beleidsregel intermediaire activiteiten, red.].

     Op grond van de in artikel 1 van de Beleidsregels UWV normbedragen voorzieningen 2015 genoemde wetsartikelen is het UWV bevoegd voorzieningen te verstrekken tot behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid.
     Voor de verstrekking van de voorzieningen hanteert het UWV normbedragen die periodiek worden vastgesteld. In dit besluit zijn de normbedragen opgenomen zoals deze gelden met ingang van 1 januari 2015.


Invloed van de Participatiewet

     De in dit besluit opgenomen bedragen hebben uitsluitend betrekking op de wettelijke opdracht die het UWV heeft inzake de verstrekking van voorzieningen uit hoofde van de Wet WIA, de Wet Wajong [lees: Wajong, red.], het Reïntegratiebesluit, het Uitvoeringsbesluit onderwijsvoorzieningen voor jongeren met een handicap en de Wet overige OCW-subsidies.


Perioden in het jaar waarin van voorzieningen gebruik wordt gemaakt

     Het UWV gaat er bij de vaststelling van de normbedragen van uit dat een klant niet het gehele jaar gebruikmaakt van de voorzieningen. Zo heeft bijvoorbeeld in het geval van een dienstbetrekking met een looptijd van één jaar de klant de werkvoorziening maximaal 48 weken nodig. Het UWV houdt namelijk rekening met perioden van niet werken als gevolg van bijvoorbeeld vakantie. Voor onderwijsvoorzieningen gaat het UWV ervan uit dat deze maximaal 40 weken per jaar nodig zijn (voor een volledig schooljaar).
     Bij dienstverbanden korter dan één jaar zal het UWV de omvang van de voorziening - indien het een vergoeding betreft - naar rato vaststellen.


De aanpassingen

     De indexering van de normbedragen ten opzichte van de bedragen in de Beleidsregels UWV normbedragen voorzieningen 2014 heeft als volgt plaatsgevonden:
- Op basis van de CBS-prijsindex (1 september 2014) zijn de bedragen op welke dit prijsindexcijfer van toepassing is, verhoogd met een factor 0,009.
- Het drempelbedrag (B11) is op basis van de stijging van het wettelijk minimumloon per 1 januari 2015 verhoogd met een factor 0,004.
- De bedragen voor voorzieningen van startende zelfstandigen (de Z-bedragen) zijn met een factor 0,00075 verhoogd. Hiermee volgt het UWV het maximale bedrag van het starterskrediet dat voor het jaar 2015 door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is vastgesteld op €|35 393,-.

     Het UWV bepaalt of een normbedrag wordt aangepast aan het CBS-prijsindexcijfer. De normen die zijn gebaseerd op het wettelijk minimumloon volgen te allen tijde de aanpassingen hiervan.

 

 

Artikelsgewijs

 

Artikel 3, eerste lid

     Voor de bepaling van de "snelste" route geldt in eerste instantie de ANWB-routeplanner. Als het resultaat daarvan afwijkt van de gedeclareerde afstand, zal er een tweede check plaatsvinden op basis van Route.nl (systeem van Falke). Als er geen noemenswaardig verschil is tussen de uitkomsten van beide routeplanners, volgt het UWV de uitkomst van de ANWB-routeplanner

 

Artikel 4. Taxikostenvergoeding


Eerste lid. Verstrekkingsgrond

     Het UWV verstrekt voor het leefvervoer een vergoeding waarmee op jaarbasis een afstand tussen de 1500 tot 2000 kilometer door de klant kan worden overbrugd.


Tweede lid. Combinatievergoeding

     De combinatievergoeding wordt verstrekt voor het leefvervoer van een klant die niet uitsluitend is aangewezen op een taxi. De klant kan met deze vergoeding gebruikmaken van een (goedkoper) alternatief zoals bijvoorbeeld een (bel)bus. Daarom is de hoogte van deze vergoeding lager dan de taxikostenvergoeding als bedoeld in artikel 4, eerste lid.

 

Artikel 5. Uurvergoeding tolken


Eerste lid

     Om in aanmerking te kunnen komen voor de vergoeding E17-I dient ingevolge de definitie van tolk zoals opgenomen in artikel 2 van dit besluit en dient de tolk [lees: van dit besluit de tolk, red.] geregistreerd te zijn in het register van de Stichting Register Tolken Gebarentaal. Voor de normvergoedingen E17-I en E17-III geldt dat deze uitsluitend mag worden gedeclareerd over de tijd waarin de gevraagde dienstverlening heeft plaatsgevonden, afgerond op een heel kwartier.

     Het begrip feitelijke tolkactiviteit wordt omschreven in het UWV-besluit beleidsregels intermediaire activiteiten [lees: Beleidsregel intermediaire activiteiten, red.]. Op grond van dat besluit behoren tot de tijd waarin de dienstverlening van de tolk heeft plaatsgevonden niet:
- de lunch- en eventuele dinerpauzes;
- de ingeroosterde tussenuren en studie-uren in het onderwijs;
- (geplande) koffie- en theepauzes van langer dan een kwartier.

     Het normbedrag E17-III is van toepassing op de intermediaire dienstverlener. Per 1 januari 2015 kan de communicatieassistent niet langer als tolk optreden.


De hoogte van de uurvergoeding

     Om in aanmerking te kunnen komen voor de vergoeding E17-I dient de tolk geregistreerd te zijn in het register van de Stichting Register Tolken Gebarentaal.
     Er mogen naast deze uurvergoeding geen kosten afzonderlijk worden vergoed, tenzij in dit besluit anders is bepaald.


De samenstelling van de overheadvergoeding

     De vergoedingen per uur volgens de normbedragen E17-I en E17-III zijn vastgesteld inclusief een overhead- en risico-opslag van 43% van het loon- of inkomensgedeelte in de norm.
     Deze opslag is bedoeld als tegemoetkoming in de kosten die de werkgever van de tolk c.q. de zelfstandig werkende tolk of intermediaire dienstverlener moet maken, zoals onder meer
(totaal 43 procentpunten):
- registratie en onderhoud deskundigheid (8);
- werkgeverslasten en verzekeringen (7);
- ondernemersrisico en acquisitie opdrachten (8);
- kantoor- en administratiekosten (7);
- inconveniënte tijd, onder meer: pauzes en wachttijd tijdens en tussen opdrachten, alsmede de vrijval als gevolg van te laat geannuleerde opdrachten (totaal 13, inclusief 8 voor annuleringsschade);
- en voor schrijftolken bovendien: kosten apparatuur, inclusief opbouw- en afbraaktijd (maakt onderdeel uit van het inkomensgedeelte van de norm).


Dienstverlening tijdens pauzes

     Het UWV verstrekt geen vergoeding voor onder andere pauzes, tussenuren en studie-uren.
     Het doorwerken tijdens pauzes komt niet voor vergoeding in aanmerking. Vergoeding kan wel plaatsvinden als bijvoorbeeld de les of vergadering zodanig uitloopt dat een deel van de pauze komt te vervallen.
     Als afrondingsregel voor vergoeding geldt:
- in onderwijssituaties: het lesuur. Hieronder wordt verstaan de op de desbetreffende onderwijsinstelling geldende (vaak korter dan een klokuur durende) lengte van de leseenheid;
- de declaratie van lestijd over één etmaal in één onderwijsinstelling mag over het totaal naar boven worden afgerond op het eerstvolgende hele kwartier;
- in alle overige situaties: per tolkopdracht naar boven op het eerstvolgende hele kwartier.


Tweede lid. Toeslag buitengewone werktijden

     Voor de bepaling van de verhoging van de uurvergoeding in geval van buitengewone werktijden is aansluiting gezocht bij de CAO Welzijn. Deze verhoging is uitsluitend van toepassing op de normbedragen E17-I en E17-III en uitsluitend voor opdrachten binnen Nederland.
     Met betrekking tot de vraag welke feestdagen voor een toeslag in aanmerking komen, volgt het UWV de maatschappelijke ontwikkelingen.


De achterwachtregeling

     De achterwachtregeling is een regeling die door de bemiddelaar wordt beheerd. Deze regeling houdt in dat de bemiddelaar in bijzondere situaties, meestal op ongewone tijdstippen, een tolk regelt. De uurvergoeding vindt plaats op basis van het percentage dat voor het desbetreffende tijdstip geldt (zie artikel 5, tweede lid). Van de achterwachtregeling wordt vooral in de leefsfeer maar steeds vaker ook in de werk- en onderwijssfeer gebruikgemaakt.

 

Artikel 6. Specifieke bepalingen ten aanzien van tolkdiensten in het regulier onderwijs


Eerste lid. Differentiatie naar type onderwijs

     Aannemelijk is dat in het wetenschappelijk onderwijs en het hoger beroepsonderwijs de intensiteit van het onderwijs hoger is dan bij het middelbaar (beroeps)onderwijs. Bij het lager onderwijs is het aannemelijk dat de intensiteit lager is dan bij het middelbaar (beroeps)onderwijs. In overleg met het ministerie van OCW hanteert het UWV bij het wetenschappelijk onderwijs en het hoger beroepsonderwijs een hogere factor en bij het lager onderwijs een lagere factor ten opzichte van het middelbaar (beroeps)onderwijs. De moeilijkheidsgraad van opdrachten is bij de vaststelling van deze factoren buiten aanmerking gelaten.
     De in dit lid genoemde percentages worden alleen gewijzigd met instemming van het ministerie van OCW.

 

Artikel 7. [Reisvergoeding van tolken en intermediaire dienstverleners, red.]


Eerste lid

     Voor de bepaling van de "snelste" route geldt het gebruik van de ANWB-routeplanner. Als de gedeclareerde afstand niet overeenkomt met het resultaat van de gebruikte routeplanner, vindt er een tweede check plaats op basis van Route.nl, het systeem van Falke. In het geval er geen noemenswaardig verschil is, volgt het UWV de uitkomst van het eerste gehanteerde systeem.


Tweede lid

     Het minimum voor de reisvergoeding wordt bepaald door de postcodes van vertrek en aankomst. Dit betekent dat wanneer vertrek en aankomst in hetzelfde postcodegebied gelegen zijn (volgens de volledige postcode van zes posities), er geen vergoeding wordt verstrekt.


Derde lid. Uitzondering op de hoofdregel 2 x 80 kilometer

     Indien een tolk niet binnen een afstand van 80 c.q. 110 kilometer kan worden gevonden, mag aan de gevonden tolk een reisvergoeding op basis van het werkelijk gereden aantal kilometers worden verstrekt.

     De reisvergoeding wordt sinds 1 januari 2012 verstrekt tot maximaal 160 kilometer vice versa per opdracht. Bij samengestelde opdrachten geldt 80 kilometer per enkele opdracht (de reis naar de opdracht) en voor de laatste opdracht van de dag maximaal 80 kilometer voor de aanreis en maximaal 80 kilometer voor de thuisreis.
     In de loop van 2012 bleek dat het in sommige regio’s moeilijk was om een tolk binnen een straal van 80 kilometer enkele reis van de opdrachtlocatie te krijgen. Met name bleek dit probleem te bestaan voor het inschakelen van een schrijftolk, een type tolk dat relatief zeldzaam is.
     In overleg met de tolkenorganisaties is besloten dat, indien het gewenste type tolk niet binnen redelijke afstand van de opdrachtlocatie beschikbaar is, het UWV een reisvergoeding tot maximaal 110 kilometer per enkele reis kan verstrekken. Dit is in ieder geval aan de orde voor de volgende regio’s. De postcode van de opdrachtlocatie is hierbij bepalend.

     Voor schrijftolken en tolken gebarentaal geldt voor de reisvergoeding een afstand van maximaal 2 x 110 kilometer voor opdrachten in regio’s met één van de volgende postcodes (de groene zone):
1790 t/m 1799
4300 t/m 4699
5900 t/m 6499
7800 t/m 7899
8400 t/m 9900

     Voor alleen schrijftolken geldt voor de reisvergoeding een afstand van maximaal 2 x 110 kilometer voor opdrachten in regio’s met één van de volgende postcode (de blauwe zone):
1600 t/m 1699 (met ingang van 1 november 2012)
1700 t/m 1789 (met ingang van 1 november 2012)
7500 t/m 7700
7900 t/m 7999
8300 t/m 8399

     Indien - gezien de ligging van de opdrachtsituatie - bovenstaande regels van toepassing zijn, behoeft voor een reisafstand tot maximaal 2 x 110 kilometer geen toestemming vooraf aan het UWV te worden gevraagd.


Vierde lid. De doofblinde klant

     Voor klanten die naast een ernstige auditieve handicap ook een ernstige visuele handicap hebben, legt het UWV geen beperkingen op aan het aantal kilometers dat de tolk ten behoeve van de doofblinde klant rijdt.
     In geval van een opdracht voor een klant die naast een ernstige auditieve handicap ook een ernstige visuele handicap heeft, kan tot op zekere hoogte het gestelde maximumaantal kilometers worden overschreden. Het UWV bepaalt op basis van de omstandigheden of deze meerdere kilometers redelijk zijn. De tolk mag ten behoeve van deze klant tegen geldende normvergoeding omrijden om hem op te halen en/of terug naar huis te brengen. Voorwaarde is dat de klant zelf deze dienstverlening van de dienstverlener vraagt.

 

Artikel 8. Afwijkende vergoedingen tolkopdrachten

     De in dit artikel genoemde vergoedingen betreffen de standaardnormbedragen, tenzij het UWV met een klant of tolkorganisatie een specifieke regeling heeft getroffen.


Eerste lid. Groepstoepassingen en buitenlandse opdrachten (het zogenoemde Madrid-model)

     Voor groepsgewijze toepassingen en opdrachten in het buitenland kunnen speciale afspraken worden gemaakt. Bij toekenning van een vergoeding kan, onder meer op basis van het uitgangspunt "goedkoopst en adequaat", naar beneden worden afgeweken van de bepalingen in dit besluit. Voorafgaande toestemming van het UWV is een vereiste.
     Ook kan in geval van een groepstoepassing een op de situatie toegesneden vergoeding worden afgesproken voor de werkelijke reis- en verblijfkosten. Dit is een afwijking van de hoofdregel volgens welke reis- en verblijfkosten van de tolk in het buitenland niet worden vergoed.
     Aan de bemiddelaar kan worden verzocht om, op basis van de samenstelling van de groep, een aantal tolken van de benodigde typen vast te stellen.

     Voor tolkdiensten in het buitenland geldt:
- per dag wordt voor iedere doventolk een vergoeding verstrekt voor het daadwerkelijk benodigde aantal tolkuren, met een maximum van acht;
- reis- en verblijfkosten van de tolk, voor zover deze betrekking hebben op het buitenland, worden in het geheel niet vergoed. Uitzonderingen zijn er voor groepsgewijze toepassingen, waarbij als uitgangspunt geldt de werkelijke reis- en verblijfskosten op basis van een groepsarrangement.
     Het UWV wil bevorderen dat voor een tijdelijk verblijf in het buitenland zoveel mogelijk van ter plaatse beschikbare dienstverlening gebruik wordt gemaakt. Hiervoor kan een vergoeding worden verstrekt ten behoeve van een tolk ter plaatse, met inachtneming van de bepalingen van dit besluit.


Tweede en derde lid. Voorwaarden ten aanzien van de inzet van teamtolken.

     Indien er sprake is van teamtolken, waarbij maximaal twee tolken tegelijkertijd voor één klant optreden, vergoedt het UWV 150% van het geldende normbedrag per team. Elke tolk ontvangt 75% van de vergoeding.
     De voorwaarden hiervoor zijn:
a. de opdrachtduur is langer dan twee klokuren;
b. van tevoren staat vast dat gedurende de opdracht geen (tolk)pauzes mogelijk zijn;
c. van tevoren staat vast dat het achtereenvolgens inzetten van verschillende tolken niet mogelijk is;
d. de opdrachtduur wordt niet onderbroken door lunchpauzes of koffiepauzes (de laatste van een kwartier of langer);
e. informatie over de aard van de opdracht dient bij de aanvraag te worden gevoegd om verificatie door het UWV mogelijk te maken.

     Het UWV gaat uit van een verdeling van 150% over twee tolken, waarbij elke tolk 75% van de vergoeding ontvangt. Een eventueel andere verdeling van dit bedrag is een aangelegenheid van de tolken die gezamenlijk deze opdracht uitvoeren.
     In geval van een doofblinde klant verstrekt het UWV in ieder geval een vergoeding van 2 x 100%.

     Het UWV staat in uitzonderlijke situaties de inzet van een teamtolk toe. Hierbij dient de klant de aanvraag uiterlijk drie weken vóór aanvang van de opdracht bij het UWV te hebben ingediend. Bij de aanvraag voegt de klant informatie toe die verificatie door het UWV mogelijk maakt.
     Deze informatie heeft betrekking op:
- de omschrijving van de opdracht;
- de reden waarom teamtolken wordt aangevraagd;
- bereikbaarheidsgegevens, inclusief contactpersoon, van de organisatie van het evenement waarbinnen de tolkopdracht plaatsvindt.

     In het geval van een doofblinde klant geldt de hiervoor genoemde verplichting tot de het doen van een aanvraag bij het UWV niet. In alle overige gevallen worden aanvragen voor de inzet van teamtolken door het UWV-panel teamtolken behandeld.


Zesde lid. Tolken op afstand

     De tolk op afstand is geen specifieke functie. Een tolk kan voor de ene opdracht als tolk op locatie werken en voor een andere opdracht als tolk op afstand. Per opdracht moeten beide hoedanigheden strikt worden gescheiden. De normvergoeding voor een tolk op afstand bedraagt de normvergoeding E17-I vermeerderd met een toeslag van 30% of de reisvergoeding. Vergoeding van beide aanvullingen op de normvergoeding E17-I ten behoeve van één en dezelfde opdracht is niet toegestaan.

 

Artikel 9. Annulering van tolkopdrachten

     Het UWV brengt in geval van verhindering de tolk voor een vergoeding van 50% van de normvergoeding over de gederfde uren in aanmerking. Deze vergoeding geldt in de onderwijssfeer, de werksfeer en de leefsfeer. Aanspraak op deze vergoeding bestaat uitsluitend wanneer de annulering aantoonbaar plaatsvindt binnen 24 uur vóór aanvang van de opdracht.
     Het UWV verstrekt geen reisvergoeding voor geannuleerde opdrachten. Evenmin vergoedt het UWV de reiskosten.
     De reisvergoeding wordt wel verstrekt als de annulering betrekking heeft op een kortere opdracht dan oorspronkelijk was afgesproken. De reisvergoeding moet in deze situatie worden toegeschreven aan het deel van de opdracht dat wel is uitgevoerd.
     Naast deze annuleringsvergoeding geldt de vergoeding die hiervoor is opgenomen in de overheadopslag (zie de toelichting op artikel 5, tweede lid).

     De werkelijk getolkte tijd is gerelateerd aan objectieve criteria.
     Werkelijk geleverde tijd door een tolk is niet altijd gelijk aan de geboekte of geplande tijd. Duurt de opdracht korter, dan is de kortere tijd volgens de norm declarabel. Het niet-gerealiseerde deel van de geplande of geboekte tijd kan de tolk als een geannuleerde opdracht declareren. Hierbij geldt als voorwaarde dat deze tijd minimaal één kwartier bedraagt. Deze handelwijze geldt ook als de opdracht op een later tijdstip dan met de tolk was afgesproken, is begonnen.
     Loopt de opdracht uit, dan is de langere getolkte tijd declarabel volgens de norm. Deze extra tijd wordt bij de duur van de oorspronkelijke opdracht opgeteld.

 

Artikel 11. Inwerkingtreding

     Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2015 en heeft betrekking op de voorzieningen die na 1 januari 2015 worden toegekend. De eerdere Beleidsregels UWV normbedragen voorzieningen [lees: Beleidsregels UWV normbedragen voorzieningen 2014, red.] blijven van toepassing op verstrekkingen en vergoedingen die door het UWV in het kalenderjaar van de desbetreffende beleidsregels hebben plaatsgevonden.

 

 

Toelichting op de normbedragen die niet in de artikelen van het besluit zijn genoemd.

 

C18-II. Referentieauto

     Het UWV herziet het normbedrag voor de referentieauto een keer per vijf jaar. Hierbij maakt het UWV gebruik van de uitgave "Mobiliteit in cijfers" van de stichting Bovag-RAI.
     Voor het bedrag van de referentie-auto is gekozen voor een gemiddelde van de auto’s die in de voorgaande periode in Nederland zijn gekocht.


C18-III. Eigen bijdrage verzekeringskosten

     De kosten van deze eigen bijdrage zijn afgeleid van een (vol)cascoverzekering die hoort bij een auto met een aanschafwaarde gelijk aan de referentieauto en met een no claim van 50% zoals deze berekend zijn door de ANWB.


C18-IV. Eigen bijdrage motorrijtuigenbelasting

     De kosten van deze eigen bijdrage zijn gebaseerd op de gemiddelde kosten van de motorrijtuigenbelasting in Nederland voor een personenauto die op benzine rijdt en 975 kg zwaar is. Het gewicht is ontleend aan de uitgave "Mobiliteit in cijfers" van de stichting Bovag-RAI.
     Het is het gemiddelde gewicht van een auto in Nederland.


C31 en C33. Inkomensgrenzen vervoer

     De in 2015 te verwachten wijzigingen in het vaststellen van het inkomen zijn niet van zodanige aard en omvang dat de bedragen C31 en C33 moeten worden herzien ten opzichte van die in de Beleidsregels UWV normbedragen voorzieningen 2014.


G22-1. Computers

     Het UWV beschouwt voor een aantal onderwijsvormen het bezit en gebruik van een computer als algemeen gebruikelijk. Zie hiervoor het UWV-besluit Beleidsregels UWV vergoeding computers in het regulier onderwijs (Stcrt. 2012, 26156). De aanvraag kan slechts betrekking hebben op één type computer. De klant kan dus niet tegelijkertijd of kort achtereenvolgens voor een personal computer, een laptop en een tablet in aanmerking worden gebracht.
     De verstrekkingduur bedraagt vier jaar. Dit betekent dat de klant geacht wordt ten minste vier jaar met het verstrekte voorziening te doen.
     Het normbedrag G22-1 geldt als maximumbedrag voor de eenvoudige computer voor de lees-en schrijffunctie. Voor alle computers geldt dat de klant deze niet zelf mag aanschaffen, maar dat aankoop via de centrale inkoopfunctie van het UWV plaatsvindt.


I12. De afbakening tussen voorzieningen die in bruikleen en die in eigendom worden verstrekt

     Het bedrag I12 is in principe bepalend voor de keuze of een voorziening door het UWV in bruikleen dan wel in eigendom wordt gegeven. Voorzieningen met een lagere aanschafprijs worden in de regel in eigendom gegeven aan de klant, tenzij het UWV met zijn leveranciers hierover andere afspraken heeft gemaakt. In het geval van verstrekking in eigendom komen de kosten van onderhoud en verzekering voor rekening van de klant zelf. Voorzieningen waarvan de aanschafprijs hoger is dan bedrag I12 worden in bruikleen of lease aan de klant gegeven. Kosten van onderhoud en verzekering komen in deze situatie voor rekening van het UWV of van de bruikleen-/leaseverstrekker.
     Het UWV heeft met leveranciers afspraken gemaakt inzake levering, nazorg en onderhoud van de voorziening. Deze afspraken gelden ongeacht de kostprijs van de voorziening.
     Dit betekent dat het onderscheid op basis van bedrag I12 alleen nog geldt ten aanzien van voorzieningen waarvoor het UWV geen vaste afspraken met leveranciers heeft gemaakt.


Q1. Jobcoach

     De vergoeding voor jobcoach betreft een all-intarief. Reistijd, reiskosten, etc., maken onderdeel uit van dit tarief. De voorwaarden waaronder het UWV een jobcoachvoorziening verstrekt, is opgenomen in de Beleidsregel Protocol Jobcoach UWV [lees: Beleidsregel Protocol Jobcoach UWV 2014, red.].


Q2. Interne jobcoach

     Het subsidiebedrag voor een interne jobcoach betreft een jaarbedrag ingeval een klant een dienstbetrekking van ten minste 24 uur per week heeft. Het UWV stelt het jaarbedrag naar rato vast als het aantal te werken uren minder dan 24 uur bedraagt. Aan de dienstbetrekking wordt een minimumgrens van ten minste twaalf uur werken gesteld. De voorwaarden waaronder het UWV subsidie verleent voor een interne jobcoach is opgenomen in de Beleidsregel Protocol Interne Jobcoach UWV [lees: Beleidsregel UWV Protocol Interne Jobcoach 2015, red.].


Z1. Inkomensgrens voor voorzieningen aan startende zelfstandigen

     Met ingang van 1 januari 2010 geldt een wettelijke inkomensgrens ten aanzien van de voorzieningen die aan startende zelfstandigen zijn toegekend. Het UWV hanteert de inkomensgrens nadat de eerste drie jaar van de zelfstandige vestiging zijn verstreken.
     De inkomensgrens Z1 geldt voor de meeneembare voorzieningen, de aanpassingen aan de bedrijfsruimte en de intermediaire activiteiten die door de startende zelfstandige worden aangevraagd.
     De inkomensgrens Z1 geldt niet voor het starterskrediet en de bijbehorende instrumenten. Voor vervoersvoorzieningen gelden vanaf het eerste moment de inkomensgrenzen C31 en C33. Om te voorkomen dat een eenmalige piek in het inkomen van de pas gestarte zelfstandige tot een afwijzing of intrekking van voorzieningen leidt, middelt het UWV de vastgestelde inkomens van de laatste drie jaren. Hiermee nivelleert het UWV eenmalige uitschieters in het inkomen van de zelfstandige (artikel 15b, tweede lid, van het Reïntegratiebesluit).

     Gevestigde (niet-startende) zelfstandigen komen niet in aanmerking voor de voorzieningen van de Wet WIA. De enige uitzondering op deze regel betreft de zelfstandigen die onder toepassing van de toenmalige Wet Rea een voorziening hebben gekregen en die thans een verzoek indienen tot voortzetting of vervanging van deze voorziening.


Z2. Begeleiding vóór en na de start

     De kosten van begeleiding vóór en na de start kunnen als voorziening in de zin van artikel 34a Wet WIA worden vergoed. Deze vergoeding kan het UWV verstrekken aan alle aanvragers in een zelfstandig beroep of die een bedrijf willen starten. Bovendien kan deze begeleiding worden verstrekt aan klanten die bij het UWV een aanvraag hebben ingediend voor een starterskrediet.
     Begeleiding vóór de start is in het bijzonder gericht op de voltooiing van het ondernemersplan, waarvoor de startende zelfstandige zelf een eerste aanzet moet leveren.
     Begeleiding na de start is gericht op de versterking van de ondernemersvaardigheden, bijvoorbeeld bij het opstellen van de jaarrekening, de BTW-afdracht en de belastingaangifte. Voor elk van beide vormen van begeleiding kan een vergoeding tot het maximale bedrag van normbedrag Z2 worden verstrekt.
     Als voorwaarde voor deze begeleiding stelt het UWV dat de startende zelfstandige niet tegelijkertijd in aanmerking is gebracht voor een re-integratietraject.

     Begeleiding vóór en na de start dient niet te worden verward met het voorbereidingskrediet (zie onder Z3).


Z3. Voorbereidingskrediet

     Het voorbereidingskrediet is bestemd voor de bekostiging van marketing-, netwerk- en overige voorbereidingsactiviteiten van de startende zelfstandige. Het voorbereidingskrediet wordt, na toekenning van het eigenlijke starterskrediet, bij het bedrag van dit krediet opgeteld en dient op gelijke wijze en met hetzelfde rentepercentage te worden afgelost. In geval van afwijzing door het UWV van de aanvraag starterskrediet behoeft het inmiddels verkregen bedrag van het voorbereidingskrediet niet te worden terugbetaald. Het UWV sluit hiermee aan op de uitvoeringspraktijk van het Besluit Bijstandsverlening Zelfstandigen [lees: Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004, red.].

 

B.J. Bruins,
voorzitter Raad van bestuur UWV