Geschiedenis van deze regeling:

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht t/m Betreft Bekendmaking regeling Bekendmaking inwerkingtreding
01-01-2005   Intrekking Stb. 2004, 717 Stb. 2004, 718
02-04-2004 01-01-2003 Wijziging Stcrt. 2004, 63 Stcrt. 2004, 63
03-02-2004   Wijziging Stcrt. 2004, 21 Stcrt. 2004, 21
01-01-2004   Wijziging Stcrt. 2003, 244 Stcrt. 2003, 244
27-11-2003 01-01-2003 Wijziging Stcrt. 2003, 228 Stcrt. 2003, 228
01-01-2003   Wijziging Stcrt. 2002, 220 Stcrt. 2002, 220
07-06-2002   Wijziging Stcrt. 2002, 105 Stcrt. 2002, 105
24-01-2002 01-01-2002 Wijziging Stcrt. 2002, 15 Stcrt. 2002, 15
01-01-2002   Wijziging Stcrt. 2001, 214,
supplement
Stcrt. 2001, 214,
supplement
25-11-2001 01-01-2001 Wijziging Stcrt. 2001, 228 Stcrt. 2001, 228
15-02-2001 01-01-2001 Wijziging Stcrt. 2001, 31 Stcrt. 2001, 31
01-01-2001   Wijziging Stcrt. 2000, 251 Stcrt. 2000, 251
30-12-2000   Wijziging Stcrt. 2000, 251 Stcrt. 2000, 251
17-06-2000   Wijziging Stcrt. 2000, 113 Stcrt. 2000, 113
15-03-2000   Wijziging Stcrt. 2000, 51 Stcrt. 2000, 51
01-01-1999   Wijziging Stcrt. 1998, 199 Stb. 1998, 578
  Nieuwe regeling Stcrt. 1998, 93 Stb. 1998, 578

 

 

14 mei 1998/nr. BZ/UB/98/11834
Directie Bijstandszaken

     De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
     Handelende na overleg met de Minister van Binnenlandse Zaken en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen;
     Gelet op de artikelen 6, derde lid, 30, tweede lid, 36, derde lid, en 37, derde lid, van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars;

     Besluit:

 

 

§ 1.  Definities

 

Art. 1.
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. Wik: de Wet inkomensvoorziening kunstenaars;
c. uitkeringskosten: de ten laste van de gemeente gebleven kosten van uitkeringen, bedoeld in artikel 36, eerste lid, onderdeel a, van de Wik;
d. uitvoeringskosten: de uitvoeringskosten, bedoeld in artikel 36, eerste lid, onderdeel b, van de Wik, onderscheidenlijk artikel 39, eerste lid, van de Wik;
e. kwartaaldeclaratie: de kwartaaldeclaratie, bedoeld in artikel 4, eerste lid.

 

 

§ 2.  Onderzoeken ter zake van uitkeringen

 

Art. 2.
Burgemeester en wethouders verrichten het onderzoek, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Wik, binnen achttien maanden:
a. na de datum waarop de uitkering is ingegaan;
b. na de datum waarop het laatst verrichte onderzoek werd afgesloten.

 

 

§ 3.  De gemeentelijke administratie

 

Art. 3.
De administratie, bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de Wik, wordt zodanig ingericht dat daarin:
a. alle van belang zijnde vastleggingen en bewijsstukken ten behoeve van het besluitvormings-, uitvoerings-, controle- en verantwoordingsproces zichtbaar en controleerbaar zijn vastgelegd;
b. de samenhang tussen de in onderdeel a bedoelde vastleggingen en bewijsstukken blijkt; en
c. de samenhang tussen de totalen in de administratie en van de onderdelen van de kwartaaldeclaraties en de jaaropgave enerzijds en de specificatie per persoon anderzijds kan worden vastgesteld.

 

 

§ 4.  Wijze en tijdstip van declareren door gemeenten

 

Art. 4.
-1. Burgemeester en wethouders declareren de uitkeringskosten en de uitvoeringskosten over een kalenderkwartaal bij het Rijk door middel van een door hen ondertekende kwartaaldeclaratie.
-2. Burgemeester en wethouders dragen zorg dat de kwartaaldeclaratie door de minister is ontvangen uiterlijk op de twintigste van de tweede maand volgende op het kwartaal waarop de kwartaaldeclaratie betrekking heeft. Burgemeester en wethouders maken hierbij gebruik van de daarvoor door de minister verstrekte formulieren, die zijn ingericht overeenkomstig het in artikel 7, eerste lid, bedoelde model van de kwartaaldeclaratie en zijn voorzien van een voor iedere gemeente uniek kenmerk.

 

 

§ 5.  Vergoeding van uitvoeringskosten aan gemeenten

 

Art. 5.
Ter zake van de uitvoeringskosten vergoedt het Rijk over een kalenderjaar aan de gemeente|998,00 per kunstenaar aan wie door burgemeester en wethouders op 31 december van dat kalenderjaar uitkering ingevolge de Wik is verleend.

 

 

§ 6.  Voorschotten aan gemeenten

 

Art. 6.
-1. De indiening van een kwartaaldeclaratie door burgemeester en wethouders wordt beschouwd als een verzoek als bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de Wik om een betaling van het kwartaalvoorschot voor het desbetreffende kwartaal en tevens van de maandvoorschotten voor het tweede kwartaal volgend op het kalenderkwartaal waarop de kwartaaldeclaratie betrekking heeft.
-2. De in het eerste lid bedoelde voorschotten worden onverminderd het derde, vierde en zesde lid betaald:
a. per maand, op of omstreeks de vijftiende van de maand, op basis van de twee kwartalen terug liggende kwartaaldeclaratie, waarbij afstemming plaatsvindt op de landelijk verwachte kosten over die maand;
b. per kwartaal, op of omstreeks de vijftiende van de maand volgende op de maand waarin de kwartaaldeclaratie wordt ontvangen, ter hoogte van de kwartaaldeclaratie, met verrekening van de over dat kwartaal eerder betaalde maandvoorschotten.
-3. Indien de kwartaaldeclaratie niet uiterlijk op de in artikel 4, tweede lid, genoemde datum is ontvangen, kan de minister de betaling van maandvoorschotten opschorten.
-4. Indien op de twintigste van de zesde maand volgende op een kwartaal geen kwartaaldeclaratie over dat kwartaal is ontvangen, dan worden omstreeks de vijftiende van de daaropvolgende maand de nog niet verrekende maandvoorschotten met betrekking tot het betreffende kalenderkwartaal teruggevorderd.
-5. Hervatting van de betaling van de maand- en kwartaalvoorschotten als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a en b, en de nabetaling van voorschotten als bedoeld in het derde en vierde lid vindt alsnog zo spoedig mogelijk plaats na ontvangst van de kwartaaldeclaratie.
-6. Indien het verslag en de verklaring, bedoeld in artikel 33 van de Wik, niet of niet volledig uiterlijk op de in artikel 7, tweede lid, genoemde datum zijn ontvangen, kan de minister met ingang van het vierde kwartaal van het lopende vergoedingsjaar de betaling van maand- en kwartaalvoorschotten opschorten.
-7. Onverminderd het derde en vierde lid zal hervatting van de betalingen, bedoeld in het zesde lid, en de nabetaling van de op grond van het derde lid niet betaalde dan wel teruggevorderde maandvoorschotten plaatsvinden na de ontvangst van het verslag en de verklaring.

 

 

§ 6A.  Vergoeding van uitvoeringskosten aan de adviserende instelling

 

Art. 6a.
-1. Ter zake van de uitvoeringskosten vergoedt het Rijk aan de adviserende instelling voor het jaar 2003:
a.|816 804,00 per kalenderjaar; en
b. ten hoogste eenmaal per kalenderjaar €|272,00 per belanghebbende ten aanzien van wie in het kalenderjaar op verzoek van burgemeester en wethouders advies is uitgebracht.
-2. Ter zake van de uitvoeringskosten vergoedt het Rijk aan de adviserende instelling voor het jaar 2004:
a.|842 125,00 per kalenderjaar; en
b. ten hoogste eenmaal per kalenderjaar €|281,00 per belanghebbende ten aanzien van wie in het kalenderjaar op verzoek van burgemeester en wethouders advies is uitgebracht.

 

 

§ 6B.  Wijze en tijdstip van declareren door de adviserende instelling

 

Art.  6b.
-1. De adviserende instelling declareert de uitvoeringskosten over een kalenderjaar bij het Rijk door middel van een door het bestuur van de adviserende instelling ondertekende jaaropgave. De adviserende instelling draagt zorg dat de minister uiterlijk op 20 september van het jaar volgend op het jaar waarop de jaaropgave betrekking heeft, de jaaropgave en de daarop betrekking hebbende verklaring heeft ontvangen.
-2. De verklaring is gebaseerd op een controle die is uitgevoerd overeenkomstig het in de bijlage beschreven controle- en rapportageprotocol.
-3. De jaaropgave en de verklaring worden ingericht overeenkomstig de bij deze regeling behorende modellen.

 

 

§ 6C.  Voorschotten aan de adviserende instelling

 

Art. 6c.
-1. Op verzoek van de adviserende instelling betaalt de minister:
a. per kalenderkwartaal, binnen vier weken na ontvangst van het verzoek, een voorschot ter hoogte van een vierde deel van het bedrag, genoemd in artikel 6a, onderdeel a;
b. per maand, binnen vier weken na ontvangst van het verzoek, een voorschot in de vergoeding, bedoeld in artikel 6a, onderdeel b, van de op basis van de door de adviserende instelling in de voorafgaande maand uitgebrachte adviezen, voor zover deze adviezen ingevolge artikel 6a, onderdeel b, voor vergoeding in aanmerking komen.
-2. Het verzoek om een voorschot wordt ingericht overeenkomstig het bij deze regeling behorende model.
-3. Indien de jaaropgave en de daarop betrekking hebbende verklaring niet uiterlijk op de in artikel 6b, eerste lid, genoemde datum zijn ontvangen, kan de minister met ingang van het vierde kwartaal van het lopende vergoedingsjaar de betaling van maand- en kwartaalvoorschotten opschorten.

 

Art. 6d. Vervallen.

 

 

§ 7.  Verslag en verklaring

 

Art. 7.
-1. Het verslag en de verklaring, bedoeld in artikel 33 van de Wik, en de kwartaaldeclaratie zijn ingericht overeenkomstig de bij deze regeling behorende modellen. Het onderzoek dat resulteert in de verklaring wordt uitgevoerd overeenkomstig het in de bijlage beschreven controle- en rapportageprotocol.
-2. Burgemeester en wethouders dragen zorg dat de minister het verslag en de verklaring, bedoeld in het eerste lid, uiterlijk op 20 september van het jaar volgend op het jaar waarop zij betrekking hebben, heeft ontvangen. Burgemeester en wethouders maken hierbij gebruik van de daarvoor door de minister verstrekte formulieren, die zijn ingericht overeenkomstig de in het eerste lid bedoelde modellen en zijn voorzien van een voor iedere gemeente uniek kenmerk.

 

 

§ 8.  Overgangs- en slotbepalingen

 

Art. 8.
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag waarop de Wik in werking treedt.

 

Art. 9.
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling administratieve uitvoeringsvoorschriften Wik.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.¹

1. De modellen/bijlagen liggen met ingang van 16 december 2003 ter inzage in de bibliotheek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Stcrt. 2003, 244); het model controle- en rapportageprotocol Kunstenaars en Co met ingang van 1 februari 2004 (Stcrt. 2004, 21). Het gewijzigde model van het verslag en de bijlage controle- en rapportageprotocol betreffende het jaar 2003 liggen met ingang van 1 april 2004 ter inzage in de bibliotheek van het ministerie van SZW (Stcrt. 2004, 63), red.

 

’s-Gravenhage, 14 mei 1998.
De Minister voornoemd,
A.P.W. Melkert.

 

 

 

TOELICHTING
[14 mei 1998]

 

Algemeen

 

     Op grond van de artikelen 30, tweede lid, 36, derde lid, 37, derde lid, en 39, derde lid, van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars (Wik) worden in die [deze, red.] regeling nadere regels gesteld met betrekking tot de gemeentelijke administratie, de vergoeding van uitvoeringskosten alsmede de wijze en het tijdstip van declareren door de gemeente en de te verlenen voorschotten aan gemeenten.
     De wetgever heeft het stellen van nadere regels met betrekking tot de gemeentelijke administratie dwingend voorgeschreven. Met de nadere regels wordt beoogd waarborgen te creëren voor een rechtmatige wetsuitvoering en het toezicht daarop. Hierbij speelt een ordelijk en controleerbaar financieel beheer een essentiële rol. Zonder een volledig en adequaat controlespoor is bij de eerstelijnsuitvoeringscontrole respectievelijk in het kader van de ministeriële toezichtsverantwoordelijkheid de rechtmatigheid van de wetsuitvoering niet vast te stellen.
     De nadere regels hebben, gelet op de eigen verantwoordelijkheid van de gemeentelijke overheid voor de inrichting van haar bedrijfsprocessen, het karakter van randvoorwaarden, maar laten de precieze invulling aan de gemeente zelf over.
     Ingevolge artikel 36, eerste lid, onderdeel b, van de Wik vergoedt het Rijk de door gemeenten in het kader van deze wet gemaakte uitvoeringskosten. In de regeling is aangegeven op welke basis deze vergoeding wordt verstrekt.
     De in deze regeling opgenomen bepalingen omtrent de wijze en het tijdstip van declareren, hebben ten doel om het financiële verantwoordingsproces dat in het kader van de uitvoering van deze wet plaatsvindt tussen het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de gemeenten, ordelijk en doelmatig te laten verlopen. De hierbij te hanteren systematiek is rechtstreeks afgeleid van die bij de Abw, Ioaw en Ioaz [zie Regeling administratieve uitvoeringsvoorschriften Abw, Ioaw en Ioaz 1996, red.], om de administratie van gemeenten en ministerie zo min mogelijk extra te belasten.

 

 

Artikelsgewijs

 

Artikel 2

     Op grond van artikel 6, derde lid, van de Wik heeft de minister de bevoegdheid regels te stellen omtrent de regelmaat waarmee burgemeester en wethouders het heronderzoek als bedoeld in het tweede lid van voornoemd artikel dienen te verrichten.
     Met dit artikel 2 wordt aan die bevoegdheid invulling gegeven en is de termijn waarbinnen het heronderzoek moet zijn uitgevoerd, bepaald op ten hoogste twaalf maanden.

 

Artikel 3

     Onderdeel a van dit artikel strekt ertoe dat te allen tijde uit de administratie kan worden afgeleid of de in het kader van deze wet genomen besluiten en de uitvoering daarvan voldoen aan de wettelijke vereisten. Daarvoor is het noodzakelijk dat alle relevante informatie zichtbaar en controleerbaar is vastgelegd. Dit biedt de gemeente de mogelijkheid om eventuele uit interne controleactiviteiten gebleken tekortkomingen in de uitvoering bij te sturen en draagt daarmee bij aan de eigen primaire toezichtsverantwoordelijkheid van de gemeente.
     De bepaling van onderdeel b brengt tot uitdrukking dat de administratie zodanig moet zijn ingericht dat het logisch verband tussen de bewijsstukken, de daaraan verbonden conclusies en de daaruit voortvloeiende beslissingen omtrent een belanghebbende altijd achteraf nog kan worden gereconstrueerd.
     Met onderdeel c wordt ten slotte beoogd dat het verband blijkt tussen de uitkerings- en debiteurenadministratie enerzijds en de financiële administratie waaruit de gemeentelijke financiële verantwoording naar het Rijk wordt afgeleid anderzijds.

 

Artikel 4

     De in dit artikel opgenomen voorschriften omtrent de wijze en het tijdstip van declareren door de gemeente stemmen vrijwel geheel overeen met hetgeen voor de Abw, Ioaw en Ioaz reeds lang gebruikelijk is [zie Regeling administratieve uitvoeringsvoorschriften Abw, Ioaw en Ioaz 1996, red.]. Ook de bepalingen aangaande de accountantsverklaring en de modellen voor de verantwoordingsformulieren zijn identiek. Uiteraard zijn de modelformulieren zelf wel specifiek op de Wik toegesneden.

 

Artikel 5

     De vergoeding voor de uitvoeringskosten die door het Rijk wordt verstrekt, is afhankelijk gesteld van het aantal uitkeringsgerechtigde kunstenaars per 31 december van het verantwoordingsjaar. Hierbij gaat het om kunstenaars die per 31 december in het bestand van Wik-uitkeringsgerechtigden zijn opgenomen. Op grond van eenvoud en eenduidigheid voldoet deze systematiek als adequate benadering van de uitvoeringskosten van een bestand van uitkeringsgerechtigden gedurende één jaar. Deze systematiek wijkt daarmee af van die van de Abw, Ioaw en Ioaz, waarbij de uitvoeringskosten worden vergoed via de algemene uitkering van het gemeentefonds.

 

Artikel 6

     De bepalingen in dit artikel over het verlenen van voorschotten op de rijksvergoeding aan gemeenten zien op de structurele situatie. In deze structurele situatie zal de bevoorschotting op dezelfde wijze plaatsvinden als bij de Abw, Ioaw en Ioaz het geval is [zie Regeling financiering en verantwoording Abw, Ioaw en Ioaz, red.].
     Bij deze bevoorschotting zal zoveel mogelijk rekening worden gehouden met de ontwikkelingen van de normbedragen en het aantal uitkeringsgerechtigden.
     Omdat de Wik evenwel een nieuwe wet is, kan in de aanvangssituatie de hoogte van de te verlenen voorschotten nog niet worden bepaald op de wijze die in het tweede lid, onderdeel a, van dit artikel is aangegeven. Dit komt doordat er dan nog geen kwartaaldeclaraties van twee kwartalen daarvóór aanwezig zijn en derhalve de basis ontbreekt waarop het voorschot dient te worden berekend. Om dit aanloopprobleem op te lossen, zullen tussen Rijk en gemeenten afspraken worden gemaakt voor een tijdelijke voorziening voor de eerste voorschotten, die afloopt zodra de structurele systematiek van dit artikel wel kan worden toegepast.

 

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert.