Geschiedenis van deze regeling:

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht t/m Betreft Bekendmaking regeling Bekendmaking inwerkingtreding
01-01-2007   Intrekking Stb. 2006, 625 Stb. 2006, 645
01-04-2001   Nieuwe regeling Stcrt. 2001, 64 Stcrt. 2001, 64

 

 

27 maart 2001/CIM2001/N62202
Directie Coördinatie Integratiebeleid Minderheden

     De Minister voor Grotesteden- en Integratiebeleid;
     Gelet op artikel 24, vierde lid, van de Wet inburgering nieuwkomers;

     Besluit:

 

 

Art. 1.
In deze regeling wordt verstaan onder wet: de Wet inburgering nieuwkomers.

 

Art. 2.
Onverminderd artikel 5, onderdeel A, van hoofdstuk 2, van de Invoeringswet Vreemdelingenwet 2000 is de wet van toepassing op een vreemdeling die tot 1 april 2001 nieuwkomer was in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1º, van die wet ¹.

1. Volgens de redactie dient "die wet" te worden vervangen door: de wet.

 

Art. 3.
Voor de vreemdeling die met toepassing van artikel 115, eerste lid juncto zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 van rechtswege wordt aangemerkt als houder van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van laatstgenoemde wet, geldt:
a. in afwijking van artikel 2, eerste lid, van de wet dat het formulier, bedoeld in het laatstgenoemde lid, hem wordt overhandigd tegelijk met het document van genoemde verblijfsvergunning voor bepaalde tijd dat hem wordt uitgereikt; en
b. in afwijking van artikel 2, tweede lid, van de wet dat hij voldoet aan de in artikel 2, eerste lid, van de wet bedoelde verplichting binnen zes weken nadat hem het document van genoemde verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is uitgereikt.

 

Art. 4.
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2001.

 

Art. 5.
Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke regeling overgangsrecht inburgering nieuwkomers in verband met de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

De Minister voor Grotesteden- en Integratiebeleid,
R.H.L.M. van Boxtel
.

 

 

 

TOELICHTING
[27 maart 2001]

 

     Met de invoering van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) per 1 april 2001 is onder meer de indeling van de verblijfsvergunningen gewijzigd, waarbij tevens het aantal verschillende typen vergunningen is beperkt.
     Deze wijziging heeft ook gevolgen voor de doelgroepomschrijving van de Wet inburgering nieuwkomers (Win). De huidige doelgroepomschrijving bepaalt dat, voor zover hier van belang, als nieuwkomer wordt aangemerkt de vreemdeling aan wie op grond van artikel 9 of 10, eerste lid, onderdeel b, van de Vreemdelingenwet 1994 is toegestaan in Nederland te verblijven. Dit betekent dat de toegelaten vluchteling en de houder van een vergunning tot verblijf (VTV) (met uitzondering van degenen die hier voor een tijdelijk doel in de zin van de Win verblijven) doelgroep van de Win zijn.
     Op grond van artikel 5, onderdeel A, hoofdstuk 2, van de Invoeringswet Vreemdelingenwet 2000 (Invoeringswet Vw 2000) luidt de doelgroepomschrijving van de Win bij inwerkingtreding van de Vw 2000 per 1 april 2001, voor zover hier van belang, als volgt: nieuwkomer is de vreemdeling die in Nederland rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onderdeel a en c, van de Vw 2000. Hiermee zijn voor de situatie na 1 april 2001 de houder van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier (VBT regulier, artikel 14 Vw 2000) (met uitzondering van degenen die hier voor een tijdelijk doel in de zin van de Win verblijven) en de houder van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel (VBT asiel, artikel 28 Vw 2000) als doelgroep van de Win aangewezen.
     In deze tijdelijke regeling is het overgangsrecht opgenomen met betrekking tot vreemdelingen die tot 1 april 2001 behoren tot de doelgroep van de Win en na 1 april 2001 - zonder deze overgangsregeling - onbedoeld niet meer.
     Het gaat dan om degenen die vóór 1 april 2001 als vluchteling waren toegelaten of houder waren van een vergunning tot verblijf zonder beperkingen. Op basis van het overgangsrecht zoals neergelegd in artikel 115 van de Vw 2000 wordt de toelating als vluchteling en de vergunning tot verblijf zonder beperkingen van rechtswege aangemerkt als een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.
     Zonder overgangsregeling zou de inwerkingtreding van de Vw 2000 tot gevolg hebben dat genoemde twee categorieën vergunninghouders van de ene op de andere dag niet meer verplicht zouden zijn tot inburgering op grond van de Win. Dit zou bijvoorbeeld kunnen betekenen dat een vreemdeling die op 31 maart 2001 nog Win-plichtig is, vanaf 1 april 2001 zijn inburgeringsprogramma niet meer zou kunnen, maar ook niet meer zou hoeven af te maken. Ik acht dat een ongewenste situatie.
     Door de werking van artikel 2 van deze regeling blijft de Win na 1 april 2001 ook van toepassing op degenen die vóór 1 april 2001 Win-plichtig waren en enkel door het overgangsrecht van de Vw 2000 onbedoeld buiten de doelgroep van de Win zouden worden geplaatst.
     In casu gaat het om de volgende categorieën vreemdelingen.
1. De toegelaten vluchtelingen en houders van een vergunning tot verblijf zonder beperkingen die vóór 1 april 2001 Win-plichtig zijn en bijvoorbeeld zitten in de fase van melding, inburgeringsonderzoek of inburgeringsprogramma.
2. De toegelaten vluchtelingen en houders van een vergunning tot verblijf zonder beperkingen die nog in een opvangcentrum verblijven en aan wie de beschikking, bedoeld in artikel 15d van de Vreemdelingenwet 1994, is uitgereikt, maar die na 1 april 2001 zullen worden uitgeplaatst naar gemeenten.
     Artikel 3 geeft een overgangsregeling voor een andere situatie. In artikel 2, tweede lid, onderdeel b, van de Win is bepaald dat de termijn voor melding bij het college van burgemeester en wethouders voor het houden van een inburgeringsonderzoek voor nieuwkomers die niet in een opvangcentrum verblijven, begint te lopen zes weken nadat aan de nieuwkomer de beschikking, bedoeld in artikel 15d van de Vreemdelingenwet 1994, is uitgereikt. In artikel 5, onderdeel B, hoofdstuk 2, van de Invoeringswet Vw 2000 is het genoemde tweede lid, onderdeel b, aangepast in die zin dat verwezen wordt naar de beschikking gegeven op basis van de Vw 2000.
     Op grond van de Vw 2000 worden de houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf per 1 april 2001 van rechtswege aangemerkt als houders van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel (VBT asiel, artikel 28 Vw 2000). Omdat deze omzetting van rechtswege plaatsvindt, zullen er geen beschikkingen worden gegeven. Hierdoor is het moment waarop voor deze groep vergunninghouders de meldingstermijn in het kader van de Win aanvangt niet bepaald.
     In artikel 3 van de overgangsregeling is daarom bepaald dat de meldingstermijn aanvangt op het moment dat het meldingsformulier, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Win, wordt overhandigd. Deze overhandiging vindt plaats door de vreemdelingendienst, tegelijk met de uitreiking van het nieuwe vreemdelingendocument. De vreemdeling ontvangt namelijk binnen enige maanden na inwerkingtreding van de Vw 2000 een nieuw document, met behulp waarvan hij zijn nieuwe verblijfsrecht kan aantonen.

 

De Minister voor Grotesteden- en Integratiebeleid,
R.H.L.M. van Boxtel
.