Geschiedenis van deze beleidsregels:

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht t/m Betreft Bekendmaking regeling Bekendmaking inwerkingtreding
01-01-2004   Intrekking Stb. 2003, 376 Stb. 2003, 386
18-07-2003   Nieuwe regeling Stcrt. 2003, 134 Stcrt. 2003, 134

 

 

BESLUIT van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 14 juli 2003, nr. B&GA/BR&I/2003/50194, houdende Beleidsregels vaststelling subsidie Wet inschakeling werkzoekenden voor het jaar 2003

     De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

     Besluit:

 

 

§ 1.  Beleidsregels vaststelling subsidie Wet inschakeling werkzoekenden

 

Beleidsregel 1: De arbeidsduur van de dienstbetrekkingen waarmee bij de subsidieverlening rekening is gehouden, wijkt niet gerechtvaardigd af van 32 uur per week. Grondslag artikel 18, tweede lid, onderdeel a, van de Wet inschakeling werkzoekenden

-1. In een geval als bedoeld in artikel 18, tweede lid, onderdeel a, van de Wet inschakeling werkzoekenden wordt voor een dienstbetrekking waarvan de arbeidsduur niet gerechtvaardigd minder dan 32 uur per week bedraagt, voor deze mindere uren de subsidie lager vastgesteld. De lagere vaststelling wordt toegepast op het basisbedrag en de normbedragen van het vast budget. De lagere vaststelling bedraagt voor:
a. het vaste budget, het aantal mindere uren vermenigvuldigd met het van toepassing zijnde normbedrag voor de betreffende categorie jongere of langdurig werkloze gedeeld door de arbeidsduur per week behorend bij laatstgenoemd normbedrag. Indien voor de betreffende dienstbetrekking geen normbedrag is vastgesteld, wordt hierop geen lagere vaststelling toegepast;
b. het basisbedrag, het aantal mindere uren vermenigvuldigd met het van toepassing zijnde basisbedrag gedeeld door 32 uur.
-2. In een geval als bedoeld in artikel 18, tweede lid, onderdeel a, van de Wet inschakeling werkzoekenden wordt voor een dienstbetrekking waarvan de arbeidsduur niet gerechtvaardigd meer dan 32 uur per week bedraagt de subsidie lager voor deze meerdere uren vastgesteld. De lagere vaststelling wordt toegepast op de normbedragen van het vast budget. De lagere vaststelling bedraagt het aantal meerdere uren vermenigvuldigd met het van toepassing zijnde normbedrag voor de betreffende categorie jongere of langdurig werkloze gedeeld door de arbeidsduur per week behorend bij laatstgenoemd normbedrag. Indien voor de betreffende dienstbetrekking geen normbedrag is vastgesteld, wordt hierop geen lagere vaststelling toegepast.

 

Beleidsregel 2: Het loon in de dienstbetrekkingen voldoet niet aan de vereisten van artikel 15, tweede en derde lid, van de wet. Grondslag artikel 18, tweede lid, onderdeel b, van de Wet inschakeling werkzoekenden

In een geval als bedoeld in artikel 18, tweede lid, onderdeel b, van de Wet inschakeling werkzoekenden wordt de verleende subsidie voor het jaar 2003 lager vastgesteld met het bedrag dat gelijk is aan het basisbedrag en het normbedrag van het vast budget dat voor de desbetreffende dienstbetrekking is verleend.

 

Beleidsregel 3: De dienstbetrekking waarin in een aaneengesloten periode van drie maanden of langer geen arbeid wordt verricht, omdat geen werkzaamheden beschikbaar zijn gesteld, komt niet voor subsidie in aanmerking. Grondslag artikel 18, tweede lid, onderdeel c, van de Wet inschakeling werkzoekenden

In een geval als bedoeld in artikel 18, tweede lid, onderdeel c, van de Wet inschakeling werkzoekenden wordt de verleende subsidie voor het jaar 2003 lager vastgesteld met het bedrag dat gelijk is aan het basisbedrag en het normbedrag van het vast budget dat voor de desbetreffende dienstbetrekking is verleend.

 

Beleidsregel 4: Het gemeentebestuur heeft niet voldaan aan de bij of krachtens de wet gestelde verplichtingen. Grondslag artikel 18, tweede lid, onderdeel d, van de Wet inschakeling werkzoekenden

-1. In een geval als bedoeld in artikel 18, tweede lid, onderdeel d, van de Wet inschakeling werkzoekenden wordt de verleende subsidie voor het jaar 2003 lager vastgesteld met het bedrag dat in strijd met de bij of krachtens de wet opgelegde verplichtingen aan subsidie is verstrekt. In strijd met de opgelegde verplichtingen is subsidie verstrekt als niet voldaan is aan:
a. de in de Wet inschakeling werkzoekenden opgenomen voorschriften, bedoeld in de artikelen:
1º. 3, tweede lid;
2º. 3, derde lid;
3º. 4, eerste lid, juncto artikel 1, eerste lid, onderdeel e en f, en artikel 1, derde lid;
4º. 4, eerste lid, juncto artikel 12, eerste en tweede lid;
5º. 5, eerste lid, juncto artikel 1, eerste lid, onderdeel b en f, en artikel 1, derde lid;
6º. 5, eerste lid, juncto artikel 12, eerste en tweede lid;
7º. 5, eerste lid, juncto artikel 7 of 10, tweede lid, van het Besluit uitvoering en financiering Wet inschakeling werkzoekenden;
8º. 8, tweede lid, voor zover de werkzaamheden, bedoeld in artikel 5, niet voor 80% of meer zijn verricht door natuurlijke of rechtspersonen, tenzij het gemeentebestuur naar het oordeel van de minister aannemelijk maakt dat het geen verwijt kan worden gemaakt van deze tekortkoming;
9º. 8, tweede lid, voor zover de werkzaamheden, bedoeld in de artikelen 3 en 9, eerste lid, niet voor 80% of meer zijn verricht door natuurlijke of rechtspersonen, tenzij het gemeentebestuur naar het oordeel van de minister aannemelijk maakt dat het geen verwijt kan worden gemaakt van deze tekortkoming;
10º. 11; of
11º. 13, tweede lid;
b. de in het Besluit uitvoering en financiering Wet inschakeling werkzoekenden opgenomen voorschriften, bedoeld in de artikelen:
1º. 8;
2º. 10, derde of vierde lid; of
3º. 18, vierde, vijfde of zesde lid, juncto artikel 10a van de Regeling uitvoering en financiering Wet inschakeling werkzoekenden.
-2. Bij toepassing van het eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 8, worden de verrichte werkzaamheden in geld uitgedrukt. Bij de beoordeling of aan genoemd percentage is voldaan, wordt uitgegaan van de blijkens de gemeentelijke administratie over het jaar 2003 verantwoorde kosten voor de inschakeling van derden bij het bemiddelen naar arbeidsovereenkomsten voor werkervaringsplaatsen
-3. Bij toepassing van het eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 9, worden de verrichte werkzaamheden in geld uitgedrukt. Bij de beoordeling of aan genoemd percentage is voldaan, wordt uitgegaan van de blijkens de gemeentelijke administratie over het jaar 2003 verantwoorde uitgaven voor het scholings- en activeringsbudget. Bij de vaststelling of aan genoemd percentage is voldaan, worden buiten beschouwing gelaten uitgaven die in het kader van het scholings- en activeringsbudget zijn gedaan:
a. op grond van artikel 3, tweede of derde lid, van de Wet inschakeling werkzoekenden;
b. ter uitvoering van artikel 9, tweede lid, van de Stimuleringsregeling vacaturevervulling door werklozen en met werkloosheid bedreigde werknemers, zoals deze regeling luidde op 31 december 2002;
c. ter uitvoering van artikel 8, zesde lid, van de Subsidieregeling ESF-EQUAL;
d. teneinde subsidiering van arbeidsplaatsen op grond van het Besluit in- en doorstroombanen te beëindigen; of
e. ter uitvoering van vóór 1 januari 2002 met natuurlijke of rechtspersonen, bedoeld in artikel 8 van de Wet inschakeling werkzoekenden, gesloten overeenkomsten.
-4. Indien het bedrag dat in strijd met de bij of krachtens de wet opgelegde verplichtingen aan subsidie is verstrekt niet kan worden vastgesteld, wordt het bedrag telkens vastgesteld op een percentage van het bedrag dat aan betreffende subsidie in het kader van de wet over het jaar 2003 is verleend. Het percentage bedraagt 0, 0,5 of 1 als niet is voldaan aan de in de Wet inschakeling werkzoekenden opgenomen voorschriften, bedoeld in de artikelen:
a. 3, vierde lid;
b. 4, eerste lid;
c. 4, tweede of derde lid;
d. 4, vierde lid;
e. 4, vijfde lid, juncto artikel 2 van de Regeling uitvoering en financiering Wet inschakeling werkzoekenden;
f. 4, zesde lid;
g. 5, eerste lid;
h. 6, eerste lid, onderdeel a, juncto artikel 2 van het Besluit uitvoering en financiering Wet inschakeling werkzoekenden, onderdeel b of onderdeel c,
i. 13, eerste lid; of
j. 25a.
-5. Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing indien niet wordt voldaan aan de in het Besluit SUWI opgenomen voorschriften, bedoeld in artikel 4.1, tweede en derde lid, voor zover deze voorschriften betrekking hebben op het gemeentebestuur.
-6. Indien een tekortkoming als bedoeld in het vierde lid wordt vastgesteld in:
a. minder dan 15% van het betreffende bestand, dan wordt het in dat lid ten aanzien van die tekortkoming als eerste genoemde percentage toegepast;
b. ten minste 15%, doch niet meer dan 50% van het betreffende bestand, dan wordt het in dat lid ten aanzien van die tekortkoming als tweede genoemde percentage toegepast;
c. meer dan 50% van het betreffende bestand, dan wordt dat lid ten aanzien van die tekortkoming als derde genoemde percentage toegepast.
-7. Het percentage, bedoeld in het vierde lid, wordt, afhankelijk van op welke subsidie de verplichting zich richt, toegepast op het totaalbedrag van het basisbedrag voor dienstbetrekkingen of werkervaringsplaatsen, het vast budget of het scholings- en activeringsbudget. Bij toepassing van het vijfde lid wordt het percentage berekend over de verantwoorde kosten van bemiddeling naar arbeidsovereenkomsten voor werkervaringsplaatsen dan wel de verantwoorde uitgaven voor het scholings- en activeringsbudget dat blijkens de gemeentelijke administratie door natuurlijke of rechtspersonen, bedoeld in artikel 8 van de Wet inschakeling werkzoekenden, is uitgevoerd.
-8. In geval van samenloop van tekortkomingen, bedoeld in het eerste en vierde of vijfde lid, bedraagt de verlaging van de subsidie het in het eerste lid bedoelde bedrag dat in strijd met de bij of krachtens de wet opgelegde verplichtingen aan subsidie is verstrekt.
-9. Indien een tekortkoming als bedoeld in het vierde of vijfde lid betrekking heeft op een deel van het jaar, wordt het bedrag waarmee de subsidie lager wordt vastgesteld naar evenredigheid toegepast.

 

Beleidsregel 5: De besteding van de subsidie heeft anderszins in strijd met de wet plaatsgevonden. Grondslag artikel 18, tweede lid, onderdeel e, van de Wet inschakeling werkzoekenden

In een geval als bedoeld in artikel 18, tweede lid, onderdeel e, van de wet wordt de subsidie lager vastgesteld met het bedrag van het subsidieoverschot van het vast budget 2003 dat volgens de kostenopgave bestemd is ten behoeve van de Wet sociale werkvoorziening, voor zover dit bedrag in 2004 niet daadwerkelijk bestemd is overeenkomstig de kostenopgave.

 

 

§ 2.  Inwerkingtreding, citeertitel

 

-1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en is van toepassing bij de vaststelling van de subsidie Wet inschakeling werkzoekenden voor het jaar 2003.
-2. Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels vaststelling subsidie Wet inschakeling werkzoekenden voor het jaar 2003.

 

 

     De Beleidsregels vaststelling subsidie Wet inschakeling werkzoekenden voor het jaar 2003 zullen met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

Den Haag, 14 juli 2003.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
M. Rutte
.

 

 

 

TOELICHTING
[14 juli 2003]

 

1. Algemeen

 

     Voor de uitvoering van de Wet inschakeling werkzoekenden (Wiw) wordt aan gemeenten door het Rijk jaarlijks subsidie verleend. De subsidie over het jaar 2003 wordt verantwoord door middel van indiening van het verslag over de uitvoering, waarvan de kostenopgave deel uitmaakt. Voorts moet het verslag voorzien zijn van een accountantsverklaring. In artikel 18 van de Wiw zijn regels gegeven betreffende de vaststelling van de subsidie. Nadere regels zijn gegeven in de artikelen 17 en 18 van het Besluit uitvoering en financiering Wet inschakeling werkzoekenden (Buf).
     In het tweede lid van artikel 18 van de Wiw is aangegeven dat de vast te stellen subsidie in een aantal bij wet genoemde gevallen van de verleende subsidie kan afwijken. Deze bevoegdheid van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is in de onderhavige vijf beleidsregels met toelichting nader vormgegeven. Deze beleidsregels geven de wijze aan waarop de minister voor het jaar 2003 toepassing geeft aan artikel 18, tweede lid, van de Wiw.
     Bij de aanbieding van het toetsingskader Wiw 2001 aan gemeenten op 21 november 2001 is meegedeeld dat de subsidievaststelling over 2002 via beleidsregels en over 2003 en volgende jaren bij algemene maatregel van bestuur geregeld zou worden. Inmiddels is een traject gestart voor een wetsvoorstel op het terrein van werk en bijstand dat op afzienbare termijn onder meer de intrekking van de Wiw beoogt (Kamerstukken II 2002-2003, 27 876) [zie Kamerstukken II 2002-2003, 28 870, red.]. Daarom is ervoor gekozen de huidige vorm van het financiële maatregelenbeleid Wiw, beleidsregels, te continueren. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten is akkoord met de beleidsregels.

 

2. Beleidsregels


     De beleidsregels voor de subsidievaststelling over het jaar 2002 zijn het uitgangspunt voor die over 2003. Hierop is één belangrijke aanpassing gepleegd, te weten de toevoeging van beleidsregels ten aanzien van uitbesteding en aanbesteding. Voorts is de mogelijkheid tot het nemen van een maatregel geschrapt wanneer het plan dat gericht is op het vergroten van de mogelijkheden tot inschakeling in het arbeidsproces niet door zowel de persoon, bedoeld in artikel 2, zevende lid, Wiw, als door de gemeente voor gezien is getekend.
     Over 2002 waren geen financiële maatregelen geformuleerd voor de invulling van artikel 8, tweede lid, van de Wiw en artikel 4.1, tweede en derde lid, van het Besluit SUWI. Het betreft in het eerste geval het zoveel mogelijk uitbesteden van reïntegratiewerkzaamheden. In het andere geval gaat het om het volgen van een transparante en toetsbare aanbestedingsprocedure alvorens een schriftelijke overeenkomst te sluiten en het uitsluitend beoordelen van offertes op vergelijkbare kosten. Bij verzamelbrief van 20 december 2002 (Intercom/2002/97994) is gemeenten meegedeeld dat in tegenstelling tot 2002 aan niet-naleving in 2003 van deze verplichtingen wel financiële consequenties kunnen worden verbonden. In deze beleidsregels is aangegeven op welke wijze dit zal plaatsvinden.

 

2.1. Uitbesteding


     De verplichting tot het zoveel mogelijk uitbesteden van reïntegratiewerkzaamheden verwoord in artikel 8, tweede lid, van de Wiw is behalve in genoemde verzamelbrief van december 2002 al toegelicht in de bijlage Aanbesteden reïntegratieactiviteiten door gemeenten (B&GA/GAB/2002/56606) bij de verzamelcirculaire d.d. 4 september 2002 (Intercom/2002/64627) en in de verzamelbrief van 13 maart 2003 (Intercom/2003/21031). Gemeenten worden geacht in 2003 bepaalde bedragen, minimaal 80% van de in aanmerking komende uitgaven uit het scholings- en activeringsbudget en 80% van de kosten aan bemiddeling naar arbeidsovereenkomsten voor werkervaringsplaatsen uitbesteed te hebben. Is dit niet het geval, dan wordt een maatregel getroffen. Toepassing van de maatregel blijft achterwege indien de gemeente beargumenteerd aantoont dat zij al het mogelijke heeft gedaan hieraan te voldoen en dat de onderschrijding van het betreffende bedrag haar naar redelijkheid en billijkheid niet te verwijten valt.
     Voor de berekening van het minimaal uit te besteden bedrag van het scholings- en activeringsbudget worden bepaalde uitgaven buiten beschouwing gelaten. Aangezien het gaat om 80% van de uitgaven blijft uiteraard ook het budget wat niet uitgegeven is in 2003 (waaronder wat meegenomen wordt naar 2004) buiten beschouwing:

Minimaal uit te besteden bedrag scholings- en activeringsbudget
Uitgaven uit scholings- en activeringsbudget 2003 (incl. die voor niet-uitkeringsgerechtigden en gerechtigden Algemene nabestaandenwet) P
Buiten beschouwing te laten uitgaven uit het scholings- en activeringsbudget:
• cofinanciering Equal
• cofinanciering RWI-subsidies Svww
• kinderopvang
• subsidies in de vorm van stimuleringspremies en onkostenvergoedingen
• activiteiten ter ondersteuning van de stimuleringsregeling ID en daarmee samenhangende arrangementen
• contracten van vóór 1 januari 2002 die na die datum doorlopen
Som van de buiten beschouwing te laten uitgaven:
Q -/-
Saldo P en Q R
Minimaal uit te besteden bedrag = 80% van R X

 
     Of sprake is van een verwijtbare dan wel een niet verwijtbare situatie zal per individuele gemeente beoordeeld worden. Dit oordeel houdt enerzijds rekening met buitengewone, onvoorziene omstandigheden. Deze kunnen een situatie van overmacht opleveren, waardoor de gemeente de verplichting onmogelijk dan wel bezwaarlijk kan nakomen. Anderzijds houdt het oordeel rekening met de reële inspanningen die de gemeente zich heeft getroost om tot uitbesteding te komen. De gemeente moet binnen haar mogelijkheden alles in het werk stellen om tekortkomingen te voorkomen, verminderen of herstellen. De gemeente moet de situatie van overmacht en haar inspanningen om die te ondervangen, aantonen.
     Zij moet ook de omvang van de verwijtbaarheid en niet-verwijtbaarheid aantonen. Kan zij dit niet exact, dan zal zij dit bij benadering moeten doen. Een voorbeeld van een benadering van het bedrag waarmee het minimaal uit te besteden bedrag verwijtbaar is onderschreden, kan de volgende zijn. Een gemeente had moeten uitbesteden 50 (de 80%-norm) en heeft maar 45 uitbesteed, dus 10% minder. Het verwijtbare bedrag is dan 10% van het totale afgeweken bedrag (is 0,5, zijnde 10% van 5).
     De hoogte van de maatregel is dus gelijk aan het al dan niet bij benadering bepaalde bedrag waarmee de gemeenten verwijtbaar het minimaal uit te besteden bedrag onderschrijdt. Het achterwege laten van een maatregel voor zover sprake is van niet-verwijtbaar gedrag komt tegemoet aan de wens van een aantal gemeenten om 2003 nog als een overgangsfase te zien waarin de maximaal 20% vrije ruimte mogelijk onvoldoende is. Na 2003 is niet-verwijtbaarheid geen reden meer een maatregel achterwege te laten.

 

2.2. Aanbesteding


     Voor de aanbestedingsverplichting wordt niet gekeken naar het beschikbare budget, maar naar het daadwerkelijk bestede bedrag. Alles wat uitbesteed wordt, moet aan reïntegratiebedrijven of arbodiensten aanbesteed worden volgens artikel 4.1, tweede en derde lid, van het Besluit SUWI. Enerzijds zijn aanbestedingsregels dus niet van toepassing als niet uitbesteed is. Anderzijds zijn er geen uitbestede bedragen die voor het bepalen of conform genoemde aanbestedingsregels is gewerkt buiten beschouwing gelaten mogen worden. De aanbestedingsregels gelden ook voor dat wat binnen de vrije ruimte van 20% is uitbesteed, bij een contract afgesloten voor een individuele persoon en bij een meerjarig contract afgesloten na 1 januari 2002.
     Een contract voldoet niet aan de aanbestedingsvereisten indien zich één of meer tekortkomingen op grond van genoemde bepalingen voordoen. Is bijvoorbeeld niet vergeleken op basis van meer offertes of vooraf schriftelijk vastgestelde criteria of op basis van gelijksoortige kosten, dan voldoet het contract niet.
     Bij het niet nakomen van de betreffende bepalingen van het Besluit SUWI is het hiermee gemoeide financiële beslag niet direct vast te stellen. De mate waarin de zwaarte en vormgeving van de aanbestedingsprocedure tot een betere marktwerking, dat wil zeggen tot effectievere reïntegratiedienstverlening en efficiëntere besteding van de middelen, had geleid bij het wel nakomen van de bepalingen valt niet direct aan te geven. Daarom wordt een forfaitaire maatregel toegepast.

 

2.3. Grondslag


     In artikel 18, tweede lid, Wiw worden vijf situaties aangegeven die kunnen leiden tot een lagere vaststelling van de subsidie. De vastgestelde subsidie kan van de verleende subsidie afwijken:
1. voor zover de arbeidsduur van de dienstbetrekkingen, waarmee bij de subsidieverlening rekening is gehouden, niet gerechtvaardigd afwijkt van 32 uur per week;
2. indien het loon in de dienstbetrekkingen niet voldoet aan de vereisten van artikel 15, tweede en derde lid, Wiw;
3. indien artikel 15, vierde lid, Wiw van toepassing is (in een aaneengesloten periode van drie maanden of langer wordt in de dienstbetrekking geen arbeid verricht, omdat geen werkzaamheden beschikbaar zijn gesteld);
4. indien het gemeentebestuur niet heeft voldaan aan de bij of krachtens de wet gestelde verplichtingen;
5. indien de besteding van de subsidie anderszins in strijd met de wet heeft plaatsgevonden.
     Ten aanzien van deze vijf gronden is telkens een beleidsregel opgesteld.
     Op de vaststelling van de subsidie zijn verder de artikelen 17 en 18 van het Buf van toepassing.

 

3. Beleidsregels vaststelling subsidie Wet inschakeling werkzoekenden


Beleidsregel 1: De arbeidsduur van de dienstbetrekkingen waarmee bij de subsidieverlening rekening is gehouden, wijkt niet gerechtvaardigd af van 32 uur per week. Grondslag artikel 18, tweede lid, onderdeel a, van de Wet inschakeling werkzoekenden


     In artikel 15, eerste lid, Wiw is bepaald dat de arbeidsduur van de dienstbetrekking 32 uur per week bedraagt, tenzij op grond van bij de werknemer gelegen factoren een langere of kortere arbeidsduur dan 32 uur gerechtvaardigd is. De arbeidsduur van 32 uur per week is de norm waarvan is uitgegaan bij de subsidieverlening aan gemeenten voor dienstbetrekkingen. Indien blijkt dat een gemeente niet gerechtvaardigd is afgeweken van deze 32-uursnorm, wordt bij de vaststelling van de subsidie daarmee rekening gehouden.
     Afwijking van de arbeidsduur van een dienstbetrekking beneden 32 uur per week is in ieder geval gerechtvaardigd in de gevallen omschreven in artikel 9, derde lid, van het Buf. Een dienstbetrekking waarvan de arbeidsduur gerechtvaardigd minder dan 32 uur per week bedraagt, komt voor vergoeding in aanmerking naar rato van de arbeidsduur van de dienstbetrekking (artikel 15, eerste lid, onderdeel a, Wiw juncto artikel 9, derde lid, Buf).
     Afwijking van de arbeidsduur van meer dan 32 uur per week is in ieder geval gerechtvaardigd in de gevallen omschreven in artikel 9, vierde lid, van het Buf. Voor de vergoeding geldt hetzelfde principe als bij gerechtvaardigd minder dan 32 uur werken.
     Is één van hierboven genoemde gronden van toepassing, dan moet dit uit het dossier blijken. Indien de gemeente van oordeel is dat er een andere rechtvaardiging is om van de arbeidsduur van 32 uur af te wijken, dan dient de rechtvaardiging hiervoor eveneens uit het dossier van de betrokken werknemer te blijken. Slechts als uit de stukken blijkt dat er in de werknemer gelegen factoren waren die afwijking naar boven of beneden rechtvaardigen, wordt hiermee rekening gehouden.
     Als niet gerechtvaardigd van de arbeidsduur van 32 uur wordt afgeweken, heeft dat voor de gemeenten consequenties bij de vaststelling van de subsidie, zowel ten aanzien van het vast budget als het basisbedrag. Voor het vast budget geldt dat als ongerechtvaardigd minder dan 32 uur wordt gewerkt, er wordt gekort op het normbedrag van het vast budget, bedoeld in artikel 5 van de Regeling uitvoering en financiering Wet inschakeling werkzoekenden (Ruf). De lagere vaststelling bedraagt het aantal uren dat ongerechtvaardigd minder dan 32 uur wordt gewerkt vermenigvuldigd met het normbedrag voor de betreffende categorie dienstbetrekking gedeeld door de arbeidsduur per week behorend bij laatstgenoemd normbedrag. Als bijvoorbeeld iemand in de categorie werkloze van meer dan drie jaar 28 uur werkt terwijl 32 uur gerechtvaardigd is, wordt 4 uur niet vergoed. Het normbedrag voor de betreffende categorie werkloze is in 2003 €|9495,- (artikel 5, zevende lid, van de Ruf). Per uur is dit €|9495,- gedeeld door 32 is €|296,72. Voor vergoeding komt dan niet in aanmerking 4 maal €|296,72 is €|1186,88. Hetzelfde principe geldt mutatis mutandis als een normbedrag voor een arbeidsduur van 36 uur of tussen 32 en 36 uur is vastgesteld. Als ongerechtvaardigd meer dan 32 uur wordt gewerkt, wordt hetzelfde principe toegepast.
     Het basisbedrag wordt alleen gekort voor zover niet gerechtvaardigd minder dan 32 uur wordt gewerkt.

 

Beleidsregel 2: Het loon in de dienstbetrekkingen voldoet niet aan de vereisten van artikel 15, tweede en derde lid, van de wet. Grondslag artikel  18, tweede lid, onderdeel b, van de Wet inschakeling werkzoekenden


     In artikel 15, tweede lid, van de wet is in verband met de subsidieverlening bepaald wat jongeren en langdurig werklozen mogen verdienen bij het aangaan van een dienstbetrekking. Aan een jongere (artikel 9 Wiw) mag, om voor subsidie in aanmerking te komen, niet meer loon worden betaald dan het bedrag dat gezien de leeftijd van de werknemer en de overeengekomen arbeidsduur, in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, voor hem als minimumloon geldt.
     Aan een langdurig werkloze (artikel 13, eerste lid, Wiw) mag niet meer loon worden betaald dan het bedrag dat gezien de overeengekomen arbeidsduur in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag voor hem als minimumloon geldt. Hierop is een uitzondering gemaakt in artikel 12, tweede lid, van de wet waar het betreft werknemers, bedoeld in de Wet sociale werkvoorziening [Wsw, red.], die op grond van een herindicatiebeschikking niet langer tot de doelgroep van deze wet behoren.
     Voorts kan van dit lid worden afgeweken op grond van bij ministeriële regeling te bepalen omstandigheden.
     Het vorenstaande betekent dat:
1. in het geheel geen subsidie wordt verstrekt voor een dienstbetrekking waarin aan een werknemer een loon wordt betaald dat hoger is dan het bedrag dat gezien de leeftijd van de werknemer en de overeengekomen arbeidsduur, in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, voor de werknemer als minimumloon geldt voor zover hiervan niet mag worden afgeweken, tenzij sprake is van de in artikel 15, tweede lid, van de wet gemaakte uitzondering dan wel dat in nader bepaalde omstandigheden afgeweken kan worden (artikel 15, tweede lid, Wiw en artikel 6 Buf). De in artikel 15, tweede lid, van de wet genoemde uitzondering heeft betrekking op de uitzondering van artikel 12, tweede lid, van de wet. Dit lid heeft betrekking op de werknemer, bedoeld in de Wsw, van 23 jaar of ouder die op grond van een herindicatiebeschikking als bedoeld in de Wsw niet langer tot de doelgroep van de Wsw behoort. Zonder advies van de CWI [Centrale organisatie werk en inkomen, red.] kan zo’n werknemer in aanmerking komen voor het vervullen van een dienstbetrekking of een werkervaringsplaats. Bij het gaan vervullen van een Wiw-dienstbetrekking is het niet de bedoeling dat een ex-Wsw-werknemer er in loon op achteruit gaat. De gemeente mag dan een zodanig loon betalen dat dit niet gebeurt, ook al ligt dit boven het in de wet opgenomen maximum.
     Aan de mogelijkheid om in nader in een ministeriële regeling neergelegde omstandigheden af te wijken van het bepaalde inzake de loonbetaling, is verder invulling gegeven in artikel 2a van de Regeling langdurig werkloze Wet inschakeling werkzoekenden. Het gaat hier om personen die gebruik maken van de zogeheten terugkeergarantie.
2. In het geheel geen subsidie wordt verstrekt voor een nieuwe dienstbetrekking die de gemeente na twee jaar is aangegaan met een langdurig werkloze van 23 jaar of ouder en waarin een loon wordt betaald van meer dan 120% van het wettelijk minimumloon en van de minimumvakantiebijslag of vanwege de omvang van de arbeidsduur is gebaseerd op meer dan 120% van het wettelijk minimumloon en van de minimumvakantiebijslag (artikel 13, tweede lid, Wiw en artikel 15, derde lid, Wiw juncto artikel 6, tweede lid, Buf).
     Het betreft telkens zowel het basisbedrag als het voor de desbetreffende persoon geldende normbedrag.

 

Beleidsregel 3: De dienstbetrekking waarin in een aaneengesloten periode van drie maanden of langer geen arbeid wordt verricht, omdat geen werkzaamheden beschikbaar zijn gesteld, komt niet voor subsidie in aanmerking. Grondslag artikel 18, tweede lid, onderdeel c, van de Wet inschakeling werkzoekenden


     Op grond van artikel 18, tweede lid, onderdeel c, van de Wiw wordt de verleende subsidie voor het jaar 2003 lager vastgesteld met het bedrag dat aan een gemeente is verstrekt indien artikel 15, vierde lid, Wiw van toepassing is. In dit lid is bepaald dat voor een dienstbetrekking waarin in een aaneengesloten periode van drie maanden of langer geen arbeid wordt verricht, omdat geen werkzaamheden beschikbaar zijn gesteld, geen subsidie wordt verstrekt. Dit houdt in dat ten behoeve van een dienstbetrekking in het geheel geen subsidie wordt verstrekt voor de periode na ommekomst van een aaneengesloten periode van drie maanden waarin geen arbeid is verricht tot de datum waarop de werknemer weer arbeid in het kader van de Wiw gaat verrichten.
     Uitzondering hierop vormt de situatie dat de gemeente kan aantonen dat de werknemer door ziekte of arbeidsongeschiktheid in die periode verhinderd was arbeid te verrichten en in verband met de ziekte of arbeidsongeschiktheid een reïntegratieplan is opgesteld voor herintreding van de werknemer in het arbeidsproces. Voor de duidelijkheid wordt in dit verband opgemerkt dat op de te verstrekken subsidie de uitkeringen die ten behoeve van ziekte of arbeidsongeschiktheid van een werknemer door de gemeente of de betrokken werknemer zelf zijn ontvangen, in mindering worden gebracht (artikel 17, vijfde lid, van het Buf).
     Het betreft telkens zowel het basisbedrag als het voor de desbetreffende persoon geldende normbedrag.

 

Beleidsregel 4: Het gemeentebestuur heeft niet voldaan aan de bij of krachtens de wet gestelde verplichtingen. Grondslag artikel 18, tweede lid, onderdeel d, van de Wet inschakeling werkzoekenden


     In artikel 18, vierde lid, onderdeel d, van de wet is de bevoegdheid opgenomen om subsidie die in strijd met het bij of krachtens de Wiw bepaalde is verleend niet vast te stellen.


Eerste lid

     Van de bevoegdheid de subsidie lager vast te stellen met het bedrag dat in strijd met de bij of krachtens de wet opgelegde verplichtingen aan subsidie is verstrekt, zal ondermeer gebruik worden gemaakt als door de gemeente subsidie is verstrekt aan een persoon die niet of niet meer tot de doelgroep van de wet of van de daarin opgenomen voorzieningen behoort. Het gaat hierbij (onderdeel a) in ieder geval over de volgende voorschriften die in de Wiw zelf zijn opgenomen:
1. de gemeente heeft een subsidie verstrekt op grond van artikel 3, eerste lid, zonder dat zij bij verordening hiervoor regels heeft gesteld (artikel 3, tweede lid, Wiw);
2. de gemeente heeft kinderopvang gerealiseerd ten behoeve van personen als bedoeld in artikel 2 Wiw zonder dat deze personen alleenstaande ouder zijn (artikel 3, derde lid, Wiw);
3. de gemeente is voor een dienstbetrekking een arbeidsovereenkomst aangegaan met een persoon die niet tot de doelgroep van de wet behoort (artikel 4, eerste lid, Wiw juncto artikel 1, eerste lid, onderdeel e en f, Wiw en artikel 1, derde lid, Wiw);
4. de gemeente is voor een dienstbetrekking een arbeidsovereenkomst aangegaan met een langdurig werkloze als bedoeld in artikel 1, onderdeel e, Wiw en de Regeling langdurig werkloze Wet inschakeling werkzoekenden voor wie de Centrale organisatie werk en inkomen geen positief advies als bedoeld in artikel 12, eerste lid, Wiw heeft afgegeven, tenzij het betreft een Wsw-werknemer die op grond van een herindicatiebeschikking als bedoeld in de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) niet langer tot de Wsw-doelgroep behoort (artikel 4, eerste lid, Wiw juncto artikel 12, eerste en tweede lid, Wiw);
5. de gemeente heeft subsidie verstrekt aan een werkgever voor een werkervaringsplaats die is gerealiseerd voor een persoon die niet tot de doelgroep van de wet behoort (artikel 5, eerste lid, juncto artikel 1, eerste lid, onderdeel b en f, en artikel 1, derde lid, Wiw);
6. de gemeente heeft subsidie verstrekt aan een werkgever voor een werkervaringsplaats die is aangegaan met een langdurig werkloze voor wie de Centrale organisatie werk en inkomen geen positief advies heeft gegeven (artikel 5, eerste lid, Wiw juncto artikel 12, eerste en tweede lid, Wiw);
7. de gemeente heeft subsidie verstrekt aan een werkgever voor een werkervaringsplaats, terwijl de arbeidsovereenkomst die de werkgever met de langdurig werkloze of met de jongere heeft gesloten, is aangegaan voor minder dan zes maanden (artikel 5 Wiw juncto artikel 7 Buf), of de gemeente is subsidie blijven verstrekken aan een werkgever voor een werkervaringsplaats voor een langere periode dan waarvoor deze werkervaringsplaats is aangegaan of voor een langere periode dan het maximum van twaalf maanden (artikel 5 Wiw juncto artikel 10, tweede lid, Buf);
8. de gemeente heeft de werkzaamheden, bedoeld in artikel 5 van de Wiw, niet voor ten minste 80% laten verrichten door natuurlijke of rechtspersonen die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de inschakeling van personen in de arbeid bevorderen. Deze maatregel blijft achterwege indien het gemeentebestuur aannemelijk maakt dat haar van deze tekortkoming geen verwijt kan worden gemaakt (artikel 8, tweede lid, Wiw). Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat artikel 3a van de Wiw nog niet inwerking is getreden;
9. de gemeente heeft de werkzaamheden, bedoeld in artikel 3 en 9, eerste lid, van de Wiw, niet voor ten minste 80% laten verrichten door natuurlijke of rechtspersonen die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de inschakeling van personen in de arbeid bevorderen. Deze maatregel blijft achterwege indien het gemeentebestuur aannemelijk maakt dat haar van deze tekortkoming geen verwijt kan worden gemaakt (artikel 8, tweede lid, Wiw);
10. de gemeente heeft niet de dienstbetrekking met een jongere beëindigd bij het bereiken van de leeftijd van 23 jaar (artikel 11, onderdeel a, Wiw). Vanaf het moment van het bereiken van de leeftijd van 23 jaar door de jongere komt deze dienstbetrekking niet langer voor vergoeding in aanmerking. In uitzonderlijke gevallen is opzegging respectievelijk ontslag niet tijdig mogelijk. In situaties waarin de gemeente kan aantonen de arbeidsovereenkomst op juridische gronden niet tijdig te hebben kunnen beëindigen, maar daartoe wel initiatieven te hebben genomen, wordt de subsidieverlening aan de gemeente gecontinueerd tot het tijdstip waarop beëindiging van de arbeidsovereenkomst wel mogelijk is (brief van 7 december 1998, nr. AM/RAW/98/39618), of de gemeente heeft de dienstbetrekking met een jongere voortgezet die heeft geweigerd deel te nemen aan voor hem op grond van artikel 9 van de wet vastgestelde activiteiten (artikel 11, onderdeel b, Wiw). Blijkt een jongere te weigeren deel te nemen aan voor hem op grond van artikel 9 van de wet vastgestelde activiteiten, dan komt de dienstbetrekking vanaf het moment waarop de weigering heeft plaatsgevonden niet langer voor vergoeding in aanmerking;
11. de gemeente heeft een nieuwe dienstbetrekking aangegaan met de langdurig werkloze na ommekomst van de periode van twee jaar zoals bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet zonder dat een positief advies is gegeven door de Centrale organisatie werk en inkomen (artikel 13, tweede lid, Wiw).
     Verder gaat het (onderdeel b) om de voorschriften die zijn opgenomen in het Buf:
1. de gemeente heeft uit de op grond van artikel 3 van de wet toegekende middelen voor scholing en activering - hetzij direct, hetzij indirect - uitvoeringskosten gefinancierd. Dit is in strijd met de voorschriften betreffende de besteding van het scholings- en activeringsbudget opgenomen in artikel 8 van het Buf. Dit heeft ook betrekking op de cofinanciering in het kader van de Stimuleringsregeling vacaturevervulling door werklozen en met werkloosheid bedreigde werknemers (Svww), de subsidieregeling van de Raad voor werk en inkomen;
2. de gemeente heeft subsidie verstrekt aan een werkgever in de arbeidskosten van een werkervaringsplaats, terwijl de werkgever voor de arbeidskosten van deze werkervaringsplaats gelijktijdig een andere subsidie ontvangt of heeft ontvangen (artikel 10, derde lid, onderdeel a, Buf), of de gemeente heeft subsidie verstrekt aan een werkgever, terwijl de langdurig werkloze of jongere een algemene uitkering ontvangt op grond van de Algemene bijstandswet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen zonder dat de uitzondering van artikel 10, vierde lid, Buf van toepassing is (artikel 10, derde lid, onderdeel b, Buf juncto artikel 10, vierde lid, Buf), of de gemeente heeft subsidie verstrekt aan een werkgever in de arbeidskosten van een werkervaringsplaats, terwijl de arbeidsduur waarop de werknemer werkzaam is op de werkervaringsplaats minder dan 19 uur per week bedraagt (artikel 10, derde lid, onderdeel c, Buf).
     Opgemerkt wordt dat de bepaling ten aanzien van de arbeidsduur van minder dan 19 uur geldt voor werkervaringsplaatsen die zijn aangegaan vanaf 1 januari 2002;
3. de gemeente heeft het bepaalde in artikel 18, vierde, vijfde of zesde lid, van het Buf (in samenhang met artikel 10a van de Ruf) niet juist nageleefd.


Tweede en derde lid

     In het tweede en derde lid is aangegeven op welke wijze de maatregelen, bedoeld in eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 8 en 9 (uitbestedingsvereisten), worden berekend. Er wordt onderscheid gemaakt tussen het uitbestedingsvereiste bij werkervaringsplaatsen (eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 8, juncto het tweede lid) en het uitbestedingsvereiste bij het scholings- en activeringsbudget (eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 9, juncto het derde lid). De werkzaamheden worden telkens eerst in geld uitgedrukt. Vervolgens wordt aan de hand van de gemeentelijke administratie bekeken of ten minste 80% van de onderscheiden werkzaamheden zijn uitbesteed. Voor zover het hierbij gaat om het scholings- en activeringsbudget (eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 9, juncto het derde lid), worden nader in het derde lid aangegeven uitgaven buiten beschouwing gelaten. Het buiten beschouwing laten van deze uitgaven is in een aantal zogenoemde verzamelcirculaires reeds aangekondigd (zie hiervoor het algemeen deel van de toelichting onder punt 2.1).


Vierde lid

     Voorts wordt van de in artikel 18, tweede lid, onderdeel d, van de Wiw gegeven bevoegdheid gebruik gemaakt in de situaties aangegeven in het vierde lid. Het gaat hierbij om situaties waarbij door de gemeenten in strijd met het bepaalde bij of krachtens de wet is gehandeld, maar waarbij geen bedrag van de maatregel kan worden vastgesteld.
     Het betreft de volgende in de Wiw zelf opgenomen situaties:
a. de gemeente heeft uitgaven gedaan voor kinderopvang die niet in georganiseerd verband tegen vergoeding plaatsvindt door anderen dan de ouder, pleeg- of stiefouder op uren dat de ouder, voor zover deze alleenstaande ouder is, hiervoor niet beschikbaar is wegens het deelnemen aan activiteiten en werkzaamheden in het kader van de wet (artikel 3, vierde lid, Wiw). In dit verband wordt nog het volgende gemeld. Het kan voorkomen dat voor de betrokken alleenstaande ouder een plan is opgesteld dat uit verschillende onderdelen bestaat. Consequentie hiervan kan zijn dat aan de verschillende onderdelen niet direct opeenvolgend kan worden deelgenomen, maar met een korte onderbreking na elkaar (zogenaamde frictie trajectloosheid). Een dergelijke korte onderbreking heeft geen consequenties voor vergoeding aan gemeenten voor uitgaven die zij heeft gedaan voor kinderopvang als hierboven genoemd;
b. de gemeente heeft voor een dienstbetrekking geen of een onjuiste arbeidsovereenkomst gesloten met een langdurig werkloze of jongere (artikel 4, eerste lid, Wiw);
c. de invulling van een dienstbetrekking bij een werkgever door de gemeente heeft niet op rechtmatige wijze plaatsgevonden (artikel 4, tweede of derde lid);
d. in een dienstbetrekking wordt door de werknemer scholing gevolgd waardoor er gedurende minder dan 19 uur per week arbeid wordt verricht (artikel 4, vierde lid, Wiw). Bij het bepalen van de omvang van de arbeidsduur per week wordt uitgegaan van het aantal gewerkte uren gedurende een periode van 26 weken. Is het aantal gewerkte uren in die periode gelijk aan of meer dan de uitkomst van de vermenigvuldiging van 26 maal 19 uur, zijnde 494 uren, dan wordt ervan uitgegaan dat voldaan wordt aan de voorwaarde van 19 uur per week arbeid te hebben verricht. Bezien per week kan het aantal gewerkte uren fluctueren in die zin dat afhankelijk van de scholingsduur gedurende een aantal weken de arbeidsduur minder dan 19 uur bedraagt en gedurende een aantal weken daarboven ligt. Om met de scholingsduur rekening te kunnen houden, is het van belang dat de gemeente vastlegt om welke periode van 26 weken het gaat; dit ter voorkoming van dubbeltelling van weken;
e. voor het vervullen van een dienstbetrekking in combinatie waarmee een werknemer de beroepspraktijkvorming van de beroepsbegeleidende leerweg op grond van de Wet educatie en beroepsonderwijs volgt, is niet het bepaalde in artikel 2 van de Regeling uitvoering en financiering Wet inschakeling werkzoekenden in acht genomen (artikel 4, vijfde lid, Wiw juncto artikel 2 Ruf);
f. de gemeente heeft loon betaald voor een dienstbetrekking waarvoor zij geen dan wel slechts gedeeltelijk loon verschuldigd is, omdat het aan de werknemer is te wijten dat de aangeboden werkzaamheden niet worden verricht (artikel 4, zesde lid, Wiw);
g. de gemeente heeft subsidie verstrekt aan een werkgever voor een werkervaringsplaats, terwijl de gegevens ontbreken waaruit blijkt dat de werkgever met de langdurig werkloze of jongere een arbeidsovereenkomst heeft gesloten met het oog op het opdoen van werkervaring (artikel 5, eerste lid, Wiw);
h. de gemeente heeft een dienstbetrekking gerealiseerd bij een inlener bij wie blijkens een schriftelijke verklaring van de inlener het aantal werknemers dat een dienstbetrekking heeft als bedoeld in artikel 4 van de wet meer bedraagt dan het toegestane percentage, tenzij sprake is van de in artikel 2, vierde lid, Buf genoemde uitzondering voor socialevernieuwingsprojecten (artikel 6, eerste lid, onderdeel a, Wiw juncto artikel 2 Buf), of de gemeente heeft een dienstbetrekking gerealiseerd waarvan de invulling heeft plaatsgevonden bij een inlener binnen wiens onderneming in de periode van zes maanden voorafgaand aan de datum van de aanvang van de terbeschikkingstelling één of meer overeenkomsten of aanstellingen tot het verrichten van vergelijkbare arbeid zijn beëindigd op grond van bedrijfseconomische redenen (artikel 6, eerste lid, onderdeel b, Wiw), of de gemeente heeft een dienstbetrekking gerealiseerd waarvan de invulling heeft plaatsgevonden door ter beschikkingstelling van een werknemer aan een onderneming waar inlening van werknemers als bedoeld in de wet niet is overeengekomen met de aldaar functionerende ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging (artikel 6, eerste lid, onderdeel c, Wiw);
i. de gemeente heeft de werkaanvaardingspremie verstrekt zonder dat de gemeente rechtmatig toepassing heeft gegeven aan artikel 3, tweede en derde lid, Wiw - zoals dit luidde tot 1 januari 2002 - en artikel 1a Ruf (artikel 25a Wiw).


Vijfde lid

     In het vijfde lid is geregeld dat de forfaitaire percentages ook gelden als niet is voldaan aan de aanbestedingsvoorschriften die in het Besluit SUWI, dat mede is gebaseerd op artikel 8, vierde lid, van de Wiw, is voldaan. Het gaat in casu om artikel 4.1, tweede en derde lid, van het Besluit SUWI.


Zesde, zevende, achtste en negende lid

     In het zesde lid is bepaald dat naarmate de in het vierde lid genoemde tekortkomingen vaker voorkomen hogere percentages gelden. Dezelfde hogere percentages gelden eveneens naarmate de in het vijfde lid genoemde tekortkomingen met betrekking tot SUWI-aanbestedingsregels vaker voorkomen. Om het deel van het bestand, bedoeld in het vijfde lid, te bepalen, dient eerst het totaal aantal individuele personen (bestand A) waarvoor uitbesteed is te worden vastgesteld. Nagegaan wordt voor hoeveel van die personen (subbestand B) contracten niet conform de aanbestedingsregels tot stand zijn gekomen. Het percentuele aandeel van B in A is dan de mate waarin de tekortkoming voorkomt. Hieruit is vervolgens het toe te passen percentage van de forfaitaire maatregel af te leiden. De administratie dient dus een relatie te leggen tussen de afzonderlijke contracten en de daarbij betrokken individuele personen.
     In het zevende lid is aangegeven op welk bedrag van de subsidie het in het vierde lid bedoeld percentage wordt toegepast. Dit is telkens het totale subsidiebedrag van de afzonderlijke deelsubsidies Wiw (dienstbetrekking, werkervaringsplaats, vast budget of scholings- en activeringsbudget) waarop het betreffende voorschrift zich richt. Bij toepassing van het vijfde lid wordt het percentage berekend over de verantwoorde kosten van bemiddeling naar arbeidsovereenkomsten voor werkervaringsplaatsen of de verantwoorde uitgaven in het kader van het scholings- en activeringsbudget, dat blijkens de gemeentelijke administratie door derden is uitgevoerd.
     In het achtste lid is de samenloop van tekortkomingen geregeld.
     In geval van samenloop van tekortkomingen als bedoeld in het eerste, vierde of vijfde lid per afzonderlijke dienstbetrekking, werkervaringsplaats of voorziening van het scholings- en activeringsbudget bedraagt de verlaging van de subsidie maximaal het in het eerste lid bedoelde bedrag dat in strijd met de bij of krachtens de wet opgelegde verplichtingen aan subsidie is verstrekt. De tekortkomingen op grond van het vierde of vijfde lid worden dan niet meegenomen in de vaststelling van de subsidie.
     Het negende lid geeft regels voor het geval de tekortkoming slechts betrekking heeft op een deel van het jaar.

 

Beleidsregel 5: De besteding van de subsidie heeft anderszins in strijd met de wet plaatsgevonden. Grondslag artikel 18, tweede lid, onderdeel e, van de Wet inschakeling werkzoekenden


     Het gemeentebestuur bestemt het subsidieoverschot, bedoeld in artikel 18, tweede lid, van het Buf, van het vast budget over het subsidiejaar 2003 in het subsidiejaar 2004 voor de uitvoering van de Wiw of de Wet sociale werkvoorziening. Wanneer volgens de kostenopgave over bijvoorbeeld het subsidiejaar 2003 een bedrag van het overschot is bestemd voor de Wet sociale werkvoorziening, geldt het volgende. Indien bij de verantwoording over subsidiejaar 2003 uit de gemeentelijke administratie blijkt dat dit bedrag niet aan de volgens de kostenopgave begunstigde instantie is (over)geboekt, wordt de subsidie lager vastgesteld. De lagere vaststelling is gelijk aan het verschil tussen het volgens de kostenopgave en het volgens de administratie feitelijk (over)geboekte bedrag (artikel 18, tweede lid, Buf).
     In dit geval is het van belang dat het gaat om het bestemmen van het overschot. Of het overschot is besteed, dat wil zeggen of er daadwerkelijk uitgaven mee zijn gedaan, blijft bij de verantwoording buiten beschouwing. Naar aanleiding van dit geval wordt voor de duidelijkheid nog in algemene zin het volgende opgemerkt over besteden. In het kader van de Wet inschakeling werkzoekenden gaat het bij besteden om de daadwerkelijk gedane uitgaven. Alleen de werkelijk in het betreffende verantwoordingsjaar gedane uitgaven kunnen verantwoord worden.

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
M. Rutte
.