Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Wet inschakeling werkzoekenden
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 31 december 2003

 

REGELING  LANGDURIG  WERKLOZE
WET  INSCHAKELING  WERKZOEKENDEN

Vervallen
m.i.v. 1 januari 2004
(art. 2:1 IWwb)

 
 

18 december 1997, Stcrt. 1997, 249
Inwerkingtreding: 1 januari 1998
(T.a.v. artt. 1:3 Wiw en 12:2 BufW)

 

 

 

 
REGELING houdende nadere regels ter zake van de aanmerking als langdurig werkloze en de inschrijving als werkloos werkzoekende in het kader van de Wet inschakeling werkzoekenden (Regeling langdurig werkloze Wet inschakeling werkzoekenden)

18 december 1997/nr. AM/RAW/97/2742B
Directie Arbeidsmarkt

     De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
     Gelet op artikel 1, derde lid, van de Wet inschakeling werkzoekenden en artikel 12, tweede lid, van het Besluit uitvoering en financiering Wet inschakeling werkzoekenden;

     Besluit:

 

 

Art. 1. Definities
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. de wet: de Wet inschakeling werkzoekenden;
b. het besluit: het Besluit uitvoering en financiering Wet inschakeling werkzoekenden;
c. werkervaringsplaats: een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de wet.

 

Art. 2. Gelijkstelling langdurig werkloze
-1. Met een langdurig werkloze wordt gelijkgesteld de persoon die bij de Centrale organisatie werk en inkomen als werkloos werkzoekende is ingeschreven voor een kortere periode dan twaalf maanden en:
a. die op grond van artikel 29, eerste lid, onderdeel a, van de Vreemdelingenwet 2000 is toegelaten als verdragsvluchteling, tenzij hij sedert zijn toelating in Nederland reeds eerder als werknemer of als zelfstandige werkzaam is geweest; of
b. vreemdeling is en voldoet aan artikel 3, eerste lid, of artikel 4, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen; of
c. die arbeidsgehandicapte is in de zin van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten;
d. die naar het oordeel van de Centrale organisatie werk en inkomen heeft kunnen aantonen dat hij gedurende één jaar of langer zonder onderbreking werkloos werkzoekende is geweest en in voldoende mate heeft getracht arbeid te vinden;
e. voor wie in het belang van de vermindering van de afstand tot de arbeidsmarkt en gelet op alle omstandigheden naar het oordeel van de Centrale organisatie werk en inkomen slechts een dienstbetrekking of werkervaringsplaats aangewezen is.
-2. Met een langdurig werkloze wordt tevens gelijkgesteld de persoon:
a. die arbeid verricht op een dienstbetrekking;
b. die arbeid heeft verricht ingevolge een arbeidsovereenkomst op grond van de Rijksbijdrageregeling banenpools, zoals deze regeling luidde tot inwerkingtreding van de wet, en sindsdien geen arbeid heeft verricht anders dan op grond van de wet, waarbij artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van overeenkomstige toepassing is;
c. die, nadat hij is opgehouden loon uit tegenwoordige arbeid, resultaat uit overige werkzaamheden of winst uit onderneming in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 te genieten, werkloos wordt en de leeftijd van 57,5 jaar of ouder heeft;
d. van wie de dienstbetrekking op grond van de artikelen 11, onderdeel a, 13, eerste lid, of 23, eerste lid, onderdeel a, van de wet is beëindigd;
e. die in aansluiting op een dienstbetrekking arbeid gaat verrichten buiten het kader van de wet, vervolgens binnen één jaar onvrijwillig werkloos wordt en het gemeentebestuur binnen acht weken na die datum verzoekt opnieuw in aanmerking te komen voor een dienstbetrekking;
f. vervallen;
g. vervallen;
h. die een arbeidsovereenkomst had als bedoeld in de Rijksbijdrageregeling banenpools, zoals deze regeling luidde vóór 1 januari 1998, en die nadien onafgebroken een dienstbetrekking heeft gehad en in de periode van 1 januari 2001 tot en met 1 juli 2002 in aansluiting op een dienstbetrekking arbeid gaat verrichten buiten het kader van de wet, vervolgens binnen twee jaar onvrijwillig werkloos wordt en het gemeentebestuur binnen acht weken na die datum verzoekt opnieuw in aanmerking te komen voor een dienstbetrekking.
-3. De persoon die arbeid heeft verricht op een werkervaringsplaats en uit die arbeidsovereenkomst onvrijwillig werkloos is geworden en het gemeentebestuur binnen acht weken na die datum verzoekt in aanmerking te komen voor een dienstbetrekking, wordt met een langdurig werkloze gelijkgesteld indien voor die persoon naar het oordeel van de Centrale organisatie werk en inkomen in het belang van de vermindering van de afstand tot de arbeidsmarkt van die persoon slechts een dienstbetrekking aangewezen is.

 

Art. 2a. Afwijking minimumloonbepaling
-1. Indien een dienstbetrekking wordt aangegaan met een werknemer die langdurig werkloze is op grond van artikel 2, tweede lid, onderdeel e en h, is artikel 15, tweede lid, van de wet niet van toepassing voor zover in de eerdere dienstbetrekking artikel 15, tweede lid, van de wet reeds is toegepast.
-2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de langdurig werkloze, bedoeld in artikel 2, derde lid, indien die langdurig werkloze voorafgaand aan zijn arbeid op een werkervaringsplaats arbeid heeft verricht in een dienstbetrekking.

 

Art. 3. Onderbreking periode van inschrijving als langdurig werkloze
Als dagen van inschrijving als werkloos werkzoekende bij de Centrale organisatie werk en inkomen worden mede beschouwd de dagen waarop de langdurig werkloze niet werkzoekend was door:
a. het na toestemming van de Centrale organisatie werk en inkomen, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het gemeentebestuur verrichten van onbetaalde arbeid als vrijwilliger, dan wel het volgen van een cursus, opleiding of scholing;
b. het verrichten van arbeid in een andere dan in artikel 4 van de wet bedoelde arbeidsverhouding gedurende een periode van in totaal per jaar niet meer dan 50 dagen of 400 uur;
c. het ondergaan van hechtenis of gevangenisstraf;
d. de door burgemeester en wethouders op grond van de Algemene bijstandswet verleende tijdelijke ontheffing van de verplichtingen, genoemd in artikel 113, eerste lid, van die wet.

 

Art. 4. Gelijkstelling ten behoeve van werkervaringsplaats
De persoon die arbeid verricht op een werkervaringsplaats en binnen één jaar na aanvang van die arbeid onvrijwillig werkloos wordt, wordt tot één jaar na de aanvang van die arbeid als langdurig werkloze aangemerkt.

 

Art. 5. Categorieën van jongeren en langdurig werklozen
-1. Bij de toekenning van de normbedragen, bedoeld in artikel 12 van het besluit, wordt bij de categorie jongeren onderscheid gemaakt naar een arbeidsduur van 32 en van 36 uur.
-2. Bij de toekenning van de normbedragen wordt verder uitgegaan van de volgende categorieën werklozen, telkens onderscheiden naar een arbeidsduur van 32 uur en van 36 uur:
a. van één tot twee jaar werkloos;
b. van twee tot drie jaar werkloos;
c. van meer dan drie jaar werkloos.

 

Art. 6. Indeling langdurig werklozen in de in artikel 5 genoemde categorieën
Bij de indeling van de in artikel 5, tweede lid, genoemde categorieën, onderscheiden naar een arbeidsduur van 32 uur en van 36 uur, wordt uitgegaan van de periode van inschrijving bij de Centrale organisatie werk en inkomen, rekening houdend met artikel 3, direct voorafgaand aan het tot stand komen van een dienstbetrekking of werkervaringsplaats als bedoeld in de wet.

 

Art. 7. Indeling gelijkgestelde langdurig werklozen in de in artikel 5 genoemde categorieën
-1. De personen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, b en c, en tweede lid, onderdeel b, worden ingedeeld in de categorie werkloze van meer dan drie jaar.
-2. De persoon, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel d, wordt ingedeeld in de categorie van twee tot drie jaar werkloos.
-3. De persoon, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel c, wordt ingedeeld in de categorie van twee tot drie jaar werkloos, tenzij zijn inschrijvingsduur bij de Centrale organisatie werk en inkomen, rekening houdend met artikel 3 meer dan drie jaar bedraagt.
-4. De personen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel d, e en h, worden ingedeeld in één van de categorieën, bedoeld in artikel 5, tweede lid, overeenkomstig de indeling die op hen van toepassing was in hun eerdere dienstbetrekking in het kader van de wet.
-5. De persoon, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, wordt ingedeeld in één van de categorieën, bedoeld in artikel 5, tweede lid, waarbij de werkloosheidsduur voorafgaand aan en na afloop van zijn arbeid wordt aangemerkt als een ononderbroken periode van werkloosheid.
-6. Voor een jongere uit de categorie jongeren tot 23 jaar die 23 jaar wordt, geldt dat hij vanaf dat tijdstip tot twee jaar daarna wordt ingedeeld in de categorie werkloze van twee tot drie jaar werkloos.
-7. In afwijking van het zesde lid wordt een jongere als bedoeld in dat lid die geïndiceerd is voor de Wet sociale werkvoorziening op het tijdstip waarop hij 23 wordt, ingedeeld in de categorie werkloze van meer dan drie jaar.

 

Art. 8. Indeling gelijkgestelde uit werkervaringsplaats langdurig werkloze
-1. Een persoon die een werkervaringsplaats heeft beëindigd en na afloop van die arbeid ten minste twaalf maanden als werkloos werkzoekende staat ingeschreven bij de Centrale organisatie werk en inkomen, rekening houdend met artikel 3 wordt ingedeeld in één van de categorieën, bedoeld in artikel 5, tweede lid, waarbij de werkloosheidsduur voorafgaand aan en na afloop van die arbeid wordt aangemerkt als een ononderbroken periode van werkloosheid.
-2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de persoon, bedoeld in artikel 2, derde lid.

 

Art. 9. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag waarop de wet in werking treedt.

 

Art. 10. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling langdurig werkloze Wet inschakeling werkzoekenden.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

’s-Gravenhage, 18 december 1997.
De Minister voornoemd,
A.P.W. Melkert.

 

 

 

TOELICHTING
[18 december 1997]

 

     Als doelgroep van de Wet inschakeling werkzoekenden (Wiw) worden aangemerkt uitkeringsgerechtigden, langdurig werklozen en jongeren.
     Op grond van de wet wordt als langdurig werkloze beschouwd de persoon die langer dan twaalf maanden zonder onderbreking als werkloos werkzoekende staat ingeschreven bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie [zie Centrale organisatie werk en inkomen (CWI), red.].
     In deze regeling worden nadere regels gesteld voor de gelijkstelling van personen met langdurig werklozen, voor zover er geen dan wel korter dan twaalf maanden sprake is van een inschrijving als werkloos werkzoekende bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, alsmede voor zover de inschrijving als werkloos werkzoekende gedurende bepaalde tijd is onderbroken (artikel 1, derde lid, van de wet).
     In de tekst zal waar nodig worden verwezen naar het betreffende artikel van de regeling, zodat een afzonderlijke artikelsgewijze toelichting niet nodig is.
     In deze regeling worden tevens regels gesteld voor de indeling van jongeren en langdurig werklozen in de onderscheiden categorieën voor de vaststelling van het normbedrag dat aan de gemeente wordt verstrekt als aanvullende financiering bij het in dienst nemen van een jongere of een langdurig werkloze (artikel 12, tweede lid, van het Besluit uitvoering en financiering Wet inschakeling werkzoekenden).
     Voor de vaststelling van de gelijkstelling van personen met langdurig werklozen en voor de vaststelling van de inschrijvingsduur is, waar mogelijk, aansluiting gezocht bij andere regelingen gericht op het in dienst nemen van langdurig werklozen.
     De gelijkstelling van een persoon aan een langdurig werkloze betekent niet automatisch dat de gelijkgestelde behoort tot de doelgroep van de Wiw en op die grond op een Wiw-dienstbetrekking of werkervaringsplaats kan worden geplaatst. De werkloosheidsduur is immers slechts één van de voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen. De andere voorwaarde is de Wiw-verklaring.

 

De Wiw-verklaring ¹


     Voor de plaatsing op een Wiw-dienstbetrekking of werkervaringsplaats is altijd een Wiw-verklaring van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie noodzakelijk, dit is geregeld in artikel 12, eerste lid, van de wet. Slechts in enkele gevallen kan van deze voorwaarde worden afgeweken.
     In de eerste plaats betreft dit de jongere die valt onder de sluitende benadering van de Wiw, dat wil dus zeggen alle werkloze jongeren onder de 23 jaar, dan wel de jongeren die op grond van de overgangsbepalingen in de wet nog niet de leeftijd van 27 jaar hebben bereikt (artikel 23, eerste lid, van de wet).
     In de tweede plaats is in artikel 12, derde lid, van de Wiw bepaald dat voor de Wsw-werknemer die na de herindicatie niet meer wordt gerekend tot de doelgroep van de Wsw, geen Wiw-verklaring noodzakelijk is. Een soortgelijke bepaling is evenwel niet opgenomen voor de persoon die vóór 1 januari 1998 op de wachtlijst voor de oude WSW stond en na (her)indicering niet meer wordt gerekend tot de nieuwe Wsw-doelgroep. Voor deze persoon is een Wiw-verklaring derhalve noodzakelijk om in aanmerking te kunnen komen voor een Wiw-dienstbetrekking of -werkervaringsplaats.
     In de derde plaats betreft dit de Wsw-geïndiceerde jongere bij het bereiken van de 23-jarige leeftijd. De hoofdregel is dat de jongere die is geplaatst op een Wiw-dienstbetrekking dient te worden ontslagen bij het bereiken van de 23-jarige leeftijd. Dit is geregeld in artikel 11 van de wet. Artikel 11 heeft echter geen betrekking op de jongere die is geplaatst op grond van artikel 10 van de wet, dat wil zeggen op de jongere die met een Wsw-indicatie arbeid verricht onder aangepaste omstandigheden ingevolge de Wiw. Deze jongere wordt, in afwachting van doorstroming naar een Wsw-dienstbetrekking, niet ontslagen bij het bereiken van de 23-jarige leeftijd. In een dergelijk geval is dan ook geen Wiw-verklaring nodig.

1. Ingevolge artikel 81, onderdeel H, van de Invoeringswet SUWI is de Wiw-verklaring geschrapt en is het door de CWI af te geven, niet-appellabele, advies daarvoor in de plaats gekomen (zie hoofdstuk 3 van de Wiw), red.

 

Gelijkstelling aan periode van inschrijving als werkloos werkzoekende


     Voor de toepassing van de Wiw wordt als langdurig werkloze aangemerkt de uitkeringsgerechtigde die gedurende een periode van twaalf maanden bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie staat ingeschreven als werkloos werkzoekende.
     Om te voorkomen dat deze formele eis toelating tot de Wiw-dienstbetrekking of werkervaringsplaats verhindert voor personen die in vergelijkbare omstandigheden verkeren, zijn in deze regeling aangegeven welke periodes kunnen worden aangemerkt als periode van inschrijving als werkloos werkzoekende.
     Volledigheidshalve kan er nog op worden gewezen dat het in alle gevallen gaat om personen die direct voorafgaande aan een plaatsing ingevolge de Wiw als onvrijwillig werkloos kunnen worden aangemerkt.

 

Gelijkstelling aan langdurig werkloze van personen die nog geen twaalf maanden staan ingeschreven


     In de eerste plaats wordt gelijkgesteld aan langdurig werkloze, de vreemdeling die is toegelaten als vluchteling op grond van artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de Vreemdelingenwet (artikel 2, eerste lid, onderdeel a) en de vreemdeling die voldoet aan artikel 3, eerste lid, of artikel 4, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (artikel 2, eerste lid, onderdeel b). Deze personen zijn immers reeds voordat zij voldoen aan de voorwaarden om in Nederland arbeid te mogen verrichten en zich als werkloos werkzoekende te mogen laten registreren gedurende een behoorlijke tijd feitelijk werkloos geweest.
     In de tweede plaats wordt de arbeidsgehandicapte gelijkgesteld aan langdurig werkloze (artikel 2, eerste lid, onderdeel c). Als arbeidsgehandicapte wordt aangemerkt de persoon:
1. die een gedeeltelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong);
2. van wie één van de bovengenoemde uitkeringen is ingetrokken in verband met vermindering van de arbeidsongeschiktheid. Dat wil dus zeggen de ex-arbeidsongeschikte;
3. aan wie een voorziening tot scholing is toegekend in verband met ziekte of gebrek of de persoon die scholing heeft gevolgd aan een aangewezen scholingsinstituut;
4. aan wie op grond van een wettelijk voorschrift in verband met ziekte of gebrek een voorziening is toegekend die strekt tot behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid of aan wie een voorziening is verstrekt voor aanpassing van de werkplek of ter zake vervoer naar het werk;
5. die Wsw-geïndiceerd is, doch niet op een Wsw-plaats werkt en de persoon die Wsw-werkzaamheden heeft verricht, doch na herindicatie niet meer Wsw-geïndiceerd is. De persoon die Wsw-arbeid verricht behoort niet tot de doelgroep arbeidsgehandicapte. Op deze persoon is de Wsw van toepassing;
6. ten aanzien van wie op grond van een medisch-arbeidskundige beoordeling is vastgesteld dat hij in verband met ziekte of gebrek een belemmering heeft bij het verkrijgen of verrichten van arbeid.
     Voor de onder 2 tot en met 5 genoemde personen geldt dat zij voor een periode tot vijf jaar na de beëindiging van de uitkering, de scholing, de voorziening of de (her)indicatie als arbeidsgehandicapte worden beschouwd. De persoon genoemd onder 6 blijft eveneens gedurende een periode van vijf jaar na de vaststelling van de arbeidshandicap als arbeidsgehandicapte aangemerkt, maar na afloop van deze termijn wordt opnieuw vastgesteld of de persoon opnieuw als arbeidsgehandicapte kan worden aangemerkt.
     Of een persoon als arbeidsgehandicapte wordt aangemerkt, wordt vastgesteld door het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) [zie Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), red.], voor wat betreft de persoon die recht heeft op loondoorbetaling op grond van artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel een uitkering ontvangt ingevolge de Ziektewet, de Werkloosheidswet, de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria (WBIA), de Wajong, de WAZ of een daarmee overeenkomende regeling. Voor de persoon met een bijstandsuitkering dan wel een uitkering ingevolge de Ioaw of Ioaz stelt het gemeentebestuur vast of de betrokkene kan worden aangemerkt als arbeidsgehandicapte.
     Voor de overige personen geldt dat de Arbeidsvoorzieningsorganisatie de instantie is die vaststelt of een persoon kan worden aangemerkt als arbeidsgehandicapte.
     De bovengenoemde omschrijving van de arbeidsgehandicapte is overeenkomstig de omschrijving in het voorstel voor de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet Rea).
     Na de inwerkingtreding van de Wet Rea vallen deze personen dus eveneens onder de werking van die wet.
     In de derde plaats is het de bevoegdheid van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie om de aanvangsdatum van de werkloosheid van een werkloze die als werkloos werkzoekende staat ingeschreven vast te stellen op een vroeger tijdstip dan de feitelijke inschrijving als werkloos werkzoekende als de werkloze naar het oordeel van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie in voldoende mate heeft kunnen aantonen gedurende die periode werkloos werkzoekend te zijn geweest en in voldoende mate heeft getracht arbeid te vinden (artikel 2, eerste lid, onderdeel d). Met deze gelijkstellingsbepaling wordt beoogd te bewerkstelligen dat de persoon die feitelijk langdurig werkloos is, maar niet voldoet aan de formele vereiste inschrijvingsduur toch in aanmerking kan worden gebracht voor een Wiw-dienstbetrekking of -werkervaringsplaats. Hierbij moet onder andere worden gedacht aan een persoon zonder uitkering, zoals een herintredende vrouw, voor wie geen inschrijvingsplicht geldt.
     In de vierde plaats wordt als langdurig werkloze aangemerkt de persoon van wie de inschrijving als werkloos werkzoekende is onderbroken door het verrichten van arbeid in een dienstbetrekking (artikel 2, tweede lid, onderdeel a), dan wel op grond van de Rijksbijdrageregeling banenpools (artikel 2, tweede lid, onderdeel b). Deze bepaling is onder andere van belang in het geval dat de betrokken persoon verhuist naar een andere gemeente en in verband daarmee de dienstbetrekking moet worden beëindigd.
     Als langdurig werkloze wordt in de vijfde plaats aangemerkt de persoon die ouder is dan 57,5 jaar (artikel 2, tweede lid, onderdeel c). Voor deze werkloze zou een verplichte inschrijvingsduur van twaalf maanden namelijk op gespannen voet staan met de socialezekerheidsregelgeving waar voor deze werkloze niet de verplichting geldt om zich als werkloos werkzoekende te laten inschrijven.
     In de zesde plaats volgt uit artikel 13, tweede lid, van de wet dat de gemeente aan de persoon van wie de Wiw-dienstbetrekking eindigt omdat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur afloopt, opnieuw een dienstbetrekking, nu voor onbepaalde duur, of een werkervaringsplaats kan aanbieden, nadat een nieuwe Wiw-verklaring is verstrekt. De gelijkstelling van deze persoon aan langdurig werkloze is geregeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel d, van deze regeling.
     In de zevende plaats wordt net als in de Rijksbijdrageregeling banenpools in de wet aan de gemeente de mogelijkheid geboden om de persoon die uit de dienstbetrekking doorstroomt naar reguliere arbeid gedurende één jaar een garantie te bieden op een nieuwe dienstbetrekking als de persoon binnen de termijn van één jaar onvrijwillig werkloos wordt. Hiertoe is bepaald dat de persoon die uitstroomt uit de Wiw-dienstbetrekking naar een reguliere baan gedurende de periode van één jaar na de uitstroom wordt aangemerkt als langdurig werkloze in de zin van de wet (artikel 2, tweede lid, onderdeel e).
     Het is de bevoegdheid van de gemeente om te bepalen of een persoon daadwerkelijk een terugkeergarantie wordt geboden en of deze garantie wordt geboden gedurende het volledige jaar of slechts voor een beperktere periode. De gemeente heeft de beleidsvrijheid om hier maatwerk te leveren. Van rijkswege wordt slechts als voorwaarde gesteld dat de betrokken persoon zich binnen een periode van acht weken na het ontstaan van de onvrijwillige werkloosheid meldt bij de gemeente met het verzoek opnieuw voor een dienstbetrekking in aanmerking te komen. In de regeling is geen bepaling opgenomen omtrent de maximale termijn waarbinnen de gemeente een nieuwe dienstbetrekking moet aanbieden. Het ligt evenwel in de rede dat de gemeente, voor zover van toepassing, zo snel mogelijk zorgt voor de realisatie van deze dienstbetrekking.
     Deze terugkeerregeling geldt ook ten aanzien van personen die voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet zijn uitgestroomd naar reguliere arbeid uit een dienstbetrekking ingevolge de Rijksbijdrageregeling banenpools (artikel 2, tweede lid, onderdeel g) of de Jeugdwerkgarantiewet (artikel 2, tweede lid, onderdeel f) en binnen één jaar na die uitstroom onvrijwillig werkloos worden.
     Voor een jongere onder de 23 jaar is de terugkeerregeling overbodig, omdat een jongere bij werkloosheid of uitkeringsafhankelijkheid altijd valt onder de sluitende benadering van de wet.
     Ten aanzien van de werkloze jongere onder de 23 jaar doch ouder dan 21 jaar, niet zijnde schoolverlater in de zin van de JWG, die op het moment van inwerkingtreding van deze wet niet behoort tot de doelgroep van de Jeugdwerkgarantiewet is in artikel 23, vierde lid, van de wet bepaald dat de sluitende benadering op deze jongeren niet van toepassing is. Dit laat onverlet dat de gemeente de bevoegdheid heeft om deze jongeren een Wiw-voorziening, inclusief een dienstbetrekking of werkervaringsplaats aan te bieden. Dit geldt speciaal voor de jongeren die ten tijde van de inwerkingtreding van deze wet in de "wachttijd" van de JWG verkeerden. Ook andere werkloze jongeren onder de 23 jaar die niet onder de sluitende benadering vallen kan een Wiw-voorziening worden aangeboden. Voor deze jongeren geldt overigens dat zij wel bij het bereiken van de 23-jarige leeftijd moeten worden ontslagen, omdat zij dan niet meer als jongere kunnen worden aangemerkt in de zin van de wet. Dit is dus afwijkend van de jongeren die reeds een dienstbetrekking hadden ingevolge de JWG. Voor die jongeren geldt immers dat, voor zover zij op de datum van inwerkingtreding van deze wet 21 jaar of ouder zijn, zij twee jaar na de inwerkingtreding van de wet worden ontslagen, dan wel eerder als zij 27 jaar worden (artikel 23, eerste lid, onderdeel a, van de wet).
     Tevens wordt als langdurig werkloze aangemerkt de persoon die binnen één jaar, maar na de periode van 50 dagen of 400 uur, na indiensttreding op een werkervaringsplaats onvrijwillig werkloos wordt. Deze persoon kan voor een dienstbetrekking in aanmerking worden gebracht nadat door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie is getoetst dat de betrokkene is aangewezen op een Wiw-dienstbetrekking. Dit is geregeld in artikel 2, derde lid.
     Voor de persoon die direct voorafgaand aan de werkervaringsplaats uit een Wiw-dienstbetrekking is doorgestroomd naar een werkervaringsplaats geldt de terugkeerregeling vanuit een Wiw-dienstbetrekking, dat wil zeggen dat de betrokkene tot maximaal één jaar na uitstroom uit de dienstbetrekking alsnog kan terugkeren in een Wiw-dienstbetrekking.
     Er bestaat derhalve een onderscheid met de persoon die zonder de tussenstap van de dienstbetrekking rechtstreeks op een werkervaringsplaats wordt geplaatst. Dit onderscheid kan worden gemotiveerd doordat ten aanzien van de persoon die rechtstreeks op een werkervaringsplaats wordt geplaatst kennelijk is geoordeeld dat hij met de inzet van een loonkostensubsidie direct kan uitstromen naar regulier werk.

 

Gelijkstelling aan langdurig werkloze van personen van wie de inschrijving is onderbroken


     Als de periode van inschrijving als werkloos werkzoekende wordt onderbroken om één van de hieronder genoemde redenen, kan deze periode worden aangemerkt als periode van inschrijving als werkloos werkzoekende.
     In de eerste plaats betreft dit de situatie dat de inschrijving is onderbroken als gevolg van het volgen van een cursus, opleiding of scholing met instemming van de uitkeringsinstantie of de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, voor zover er geen aanspraak bestaat op studiefinanciering op grond van hoofdstuk II van de Wet op de studiefinanciering of een tegemoetkoming in de studiekosten op grond van hoofdstuk II of III van de Wet tegemoetkoming studiekosten. Het betreft hier dus scholing die met instemming van de uitkeringsinstantie met behoud van uitkering is gevolgd. Het aantal uren of de periode dat de scholing is gevolgd, is hierbij niet van belang (artikel 3, eerste lid, onderdeel a).
     Voor zover scholing wordt gevolgd waar wel aanspraak op studiefinanciering dan wel een tegemoetkoming in de studiekosten bestaat, wordt dit niet als periode van inschrijving als werkloos werkzoekende gezien. Hierbij is niet relevant of de studiefinanciering dan wel de tegemoetkoming ook feitelijk is aangevraagd of ontvangen. Voldoende is dat er aanspraak bestaat op grond van de betreffende regelgeving.
     In de tweede plaats wordt de periode dat de inschrijving als werkloos werkzoekende is onderbroken voor het verrichten van arbeid zonder beloning, zowel in de situatie dat er sprake is van werken met behoud van uitkering als in de situatie dat de uitkeringsinstantie heeft ingestemd met het verrichten van vrijwilligerswerk gedurende de normale werkuren, voor de toepassing van deze wet beschouwd als periode van inschrijving als werkloos werkzoekende (eveneens artikel 3, eerste lid, onderdeel a). Voor vrijwilligerswerk buiten de normale werkuren is geen instemming van de uitkeringsinstantie nodig, omdat door deze activiteiten de beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt niet wordt aangetast.
     In de derde plaats wordt de periode dat een inschrijving als werkloos werkzoekende wordt onderbroken door het verrichten van arbeid, voor zover dit gedurende een periode van twaalf maanden niet meer bedraagt dan 50 dagen of 400 uur, gelijkgesteld aan de periode van inschrijving als werkloos werkzoekende. De voor de persoon meest gunstige telling prevaleert hierbij. Door deze gelijkstelling wordt voorkomen dat de persoon die gedurende korte perioden arbeid heeft verricht, bijvoorbeeld uitzendarbeid of seizoenarbeid, na beëindiging van die arbeid opnieuw twaalf maanden ingeschreven moet staan en mogelijk om die reden zou kunnen afzien van het aanvaarden van die (kortdurende) arbeid (artikel 3, eerste lid, onderdeel b).
     In de vierde plaats wordt tevens als periode van inschrijving als werkloos werkzoekende aangemerkt de periode dat een persoon niet voor arbeid beschikbaar is vanwege het ondergaan van hechtenis of van gevangenisstraf (artikel 3, eerste lid, onderdeel c). Uit het oogpunt van een soepele herintegratie van ex-gedetineerden moet worden voorkomen dat deze personen na het ondergaan van hun straf eerst minimaal gedurende één jaar werkloos moeten zijn voordat instroom in een Wiw-dienstbetrekking of -werkervaringsplaats mogelijk is. Uiteraard moet ten behoeve van de betrokkene wel een Wiw-verklaring zijn verstrekt.
     Als periode van inschrijving als werkloos werkzoekende wordt in de vijfde plaats tevens aangemerkt de periode dat de inschrijving wordt onderbroken omdat een bijstandsgerechtigde op grond van de Abw een tijdelijke ontheffing is verleend van de verplichtingen, genoemd in artikel 113, eerste lid, van de Abw (artikel 3, eerste lid, onderdeel d). De verplichtingen op grond van artikel 113, eerste lid, Abw hebben betrekking op de inspanningen gericht op het verkrijgen van arbeid, zoals de verplichting passende arbeid te zoeken en te aanvaarden, zich te laten inschrijven als werkzoekende bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en mee te werken aan noodzakelijk geachte scholing.
     In de zesde plaats wordt als langdurig werkloze aangemerkt de persoon van wie de inschrijving als werkloos werkzoekende is onderbroken door het verrichten van activiteiten of arbeid ingevolge de Jeugdwerkgarantiewet (artikel 3, tweede lid, onderdeel a, respectievelijk b). Hiermee wordt onder andere bewerkstelligt dat een jongere bij het bereiken van de maximumleeftijd toch als langdurig werkloze in de zin van de wet kan worden aangemerkt. Dit laat de bevoegdheid van de gemeente open om een jongere na het bereiken van de maximumleeftijd aansluitend een dienstbetrekking of werkervaringsplaats aan te bieden in de hoedanigheid van langdurig werkloze, voor zover ten minste een Wiw-verklaring is verstrekt. Tevens is deze bepaling nodig om de hiervoor genoemde terugkeerregeling te kunnen realiseren.

 

Gelijkstelling aan langdurig werkloze voor plaatsing op een werkervaringsplaats


     Buiten de hiervoor genoemde algemene gelijkstellingsbepalingen wordt specifiek voor instroom in de werkervaringsplaatsen als langdurig werkloze aangemerkt de persoon die direct aansluitend aan een werkervaringsplaats ingevolge het Tijdelijk besluit subsidiëring experimenten activering van uitkeringsgelden (EAU) onvrijwillig werkloos werkzoekend wordt, uiteraard voor zolang de betrokkene ten minste werkloos werkzoekend blijft. Dat wil zeggen, geen andere arbeid verricht dan ingevolge de Wiw voor een periode langer dan 50 dagen of 400 uur (artikel 4, eerste lid).
     Ook de persoon die arbeid verricht op een Wiw-werkervaringsplaats en binnen één jaar na de aanvang van die arbeid onvrijwillig werkloos wordt, wordt voor de toepassing van de werkervaringsplaatsen in de zin van de wet als langdurig werkloze aangemerkt (artikel 4, tweede lid). Dit betekent dat als een persoon op een werkervaringsplaats binnen één jaar opnieuw onvrijwillig werkloos wordt een nieuwe werkervaringsplaats kan worden aangeboden. De gemeente kan in deze situatie dus eveneens per maand een twaalfde deel van het basisbedrag bij het Rijk declareren, totdat het volledige basisbedrag van ƒ17 000,- is besteed. De periode dat de werknemer arbeid verricht op de werkervaringsplaats (of werkervaringsplaatsen) zelf kan uiteraard langer duren dan één jaar.

 

Vaststelling van de duur van de werkloosheid


     De duur van de werkloosheid voorafgaand aan de Wiw-dienstbetrekking is van belang voor de hoogte van de rijkssubsidie die beschikbaar wordt gesteld als normbedrag in het vaste budget. De hoogte van de normbedragen is vastgelegd in de Regeling uitvoering en financiering Wet inschakeling werkzoekenden. Onderscheid wordt gemaakt tussen de werkloze met een werkloosheidsduur van één tot twee jaar, van twee tot drie jaar en langer dan drie jaar. Er zijn eveneens normbedragen voor jongeren, maar die zijn in het kader van deze gelijkstellingsregeling niet van belang, evenmin als het onderscheid in banen van 32 en 36 uur. Deze aspecten worden hier dan ook verder buiten beschouwing gelaten.
     Een normbedrag kan alleen worden ingezet voor de langdurig werkloze als er sprake is van een werkloosheidsduur van twee tot drie jaar of langer dan drie jaar (of voor een jongere) en alleen indien er sprake is van een plaatsing op een dienstbetrekking. Onder dienstbetrekking wordt verstaan de dienstbetrekking met de gemeente als bedoeld in artikel 4 van de wet.
     In het geval er sprake is van een werkloosheidsduur van één tot twee jaar kan, overeenkomstig de bepalingen in de Regeling uitvoering en financiering Wet inschakeling werkzoekenden, geen normbedrag worden ingezet. Ook als een langdurig werkloze wordt geplaatst op een werkervaringsplaats is er geen sprake van een normbedrag boven op het basisbedrag.
     Als hoofdregel geldt dat de werkloosheidsduur op het moment van de instroom in de Wiw-dienstbetrekking bepalend is voor de vaststelling van de werkloosheidsduur en daarmee voor de vaststelling van het normbedrag. Dat wil dus zeggen dat de werkloosheidsduur tijdens de plaatsing op een dienstbetrekking of een werkervaringsplaats niet wordt verlengd of het normbedrag wordt verhoogd.
     Voor de vaststelling van de werkloosheidsduur moet onderscheid worden gemaakt tussen de werkloze die zonder meer voldoet aan (één van) de periode(n) van inschrijving als werkloos werkzoekende en de werkloze die op basis van één van de hiervoor genoemde gronden wordt gelijkgesteld aan een langdurig werkloze. Algemeen uitgangspunt voor de vaststelling van de werkloosheidsduur is de feitelijke duur van de inschrijving als werkloos werkzoekende. Voor de werkloze die op één van de hiervoor genoemde gronden wordt gelijkgesteld aan een langdurig werkloze is evenwel een nadere vaststelling van de werkloosheidsduur en van het normbedrag noodzakelijk.

 

Werkloos langer dan drie jaar


     De persoon die op één van de volgende gronden wordt gelijkgesteld aan langdurig werkloze wordt ingedeeld in de categorie langer dan drie jaar werkloos. Het gaat hier in het algemeen om een persoon met een zeer grote afstand tot de arbeidsmarkt. Aangenomen mag worden dat de gemeente geen hoge inleenvergoeding voor deze persoon kan ontvangen en extra inspanningen moet verrichten. Het gaat hierbij om:
- de vreemdeling en de vluchteling;
- de arbeidsgehandicapte;
- de geherindiceerde Wsw-werknemer die niet meer tot de doelgroep van de Wsw wordt gerekend;
- de persoon die na een herindicatie niet meer op de wachtlijst voor de Wsw wordt geplaatst;
- de Wsw-geïndiceerde jongere na het bereiken van de 23 jarige leeftijd;
- de banenpooldeelnemer, ook als deze op grond van de terugkeerregeling opnieuw instroomt in een dienstbetrekking.

 

Werkloos tussen twee en drie jaar


     De jongere die vanwege het bereiken van de maximumleeftijd moet worden ontslagen uit de Wiw-dienstbetrekking kan door de gemeente daarop aansluitend een aanbod worden gedaan voor een Wiw-dienstbetrekking als langdurig werkloze, voor zover ten minste een Wiw-verklaring is verstrekt.
     In de structurele situatie zal dit betrekking hebben op de jongere die de leeftijd van 23 jaar bereikt. In de overgangsperiode van twee jaar heeft dit betrekking op de jongere die de leeftijd van 27 jaar bereikt en op de jongeren die op 1 januari 2000 23 jaar of ouder zijn en vóór die tijd nog als jongere zijn aangemerkt (artikel 23, eerste lid, onderdeel a, van de wet).
     Voor de vaststelling van de werkloosheidsduur is ervoor gekozen deze jongeren in te delen in de categorie werklozen tussen de twee en drie jaar. Op deze wijze wordt bewerkstelligd dat de gemeente een nauwkeurige afweging maakt om de jongere aansluitend een nieuwe dienstbetrekking aan te bieden, dan wel te trachten de jongere eerst op andere wijze toe te leiden naar de arbeidsmarkt.
     De situatie kan zich voordoen dat een jongere die geen aansluitende dienstbetrekking of werkervaringsplaats wordt aangeboden, daarna werkloos werkzoekend blijft. In dat geval blijft de jongere gedurende een periode van twee jaar aangemerkt als een langdurig werkloze ingedeeld in de categorie tussen de twee en drie jaar. Na die periode is de duur van de inschrijving als werkloos werkzoekende bepalend voor de vaststelling van de werkloosheidsduur en wordt daarmee dus de hoofdregel weer van toepassing voor de vaststelling van de werkloosheidsduur.
     Volledigheidshalve wordt hierbij nog opgemerkt dat een aansluitende nieuwe dienstbetrekking, onder de noemer van langdurig werkloze, alleen mogelijk is nadat een Wiw-verklaring is verstrekt. Ook in dit geval geldt dat eerst een dienstbetrekking moet worden aangegaan voor de duur van twee jaar.
     De persoon die wordt gelijkgesteld aan een langdurig werkloze, omdat hij naar het oordeel van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie in voldoende mate heeft kunnen aantonen langdurig werkloos werkzoekend te zijn, wordt eveneens ingedeeld in de categorie werkloos tussen twee en drie jaar.

 

Overige vaststellingen van de werkloosheidsduur


     Voor de overige personen die worden gelijkgesteld aan een langdurige werkloze geldt een variabele werkloosheidsduur.
     De werkloze van 57,5 jaar of ouder wordt ingedeeld in de categorie twee tot drie jaar werkloos, tenzij de betrokkene langer dan drie jaar als werkloos werkzoekende bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie staat ingeschreven. In dat geval behoort de betrokkene tot de categorie langer dan drie jaar werkloos.
     Voor de persoon die direct aansluitend op de beëindiging van de EAU- of Wiw-werkervaringsplaats onvrijwillig werkloos wordt en vervolgens na één jaar werkloosheid instroomt in de Wiw-dienstbetrekking wordt de werkloosheidsperiode direct voorafgaand aan de werkervaringsplaats en de periode na afloop van die werkervaringsplaats voor de vaststelling van de werkloosheidsduur aangemerkt als één ononderbroken periode van werkloosheid. Dit betekent dan ook dat de beide werkloosheidsperioden bij elkaar worden opgeteld. Deze werkloze behoort bij instroom in de Wiw-dienstbetrekking dus altijd minimaal tot de categorie werkloos tussen twee en drie jaar.

 

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | Wiw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x