Geschiedenis van deze regeling:

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht t/m Betreft Bekendmaking regeling Bekendmaking inwerkingtreding
02-04-2004 01-01-2003 Wijziging Stcrt. 2004, 63 Stcrt. 2004, 63
01-01-2004   Intrekking Stb. 2003, 376 Stb. 2003, 386
15-10-2003 01-01-2003
artt. 4a, 5 en 8b en bijlage 8
Wijziging Stcrt. 2003, 197 Stcrt. 2003, 197
20-07-2003 01-01-2003 Wijziging Stcrt. 2003, 136 Stcrt. 2003, 136
01-01-2003 01-01-2002 Wijziging Stcrt. 2002, 246 Stcrt. 2002, 246
  Wijziging Stcrt. 2002, 220 Stcrt. 2002, 220
06-10-2002 01-01-2002
art. 5
Wijziging Stcrt. 2002, 191 Stcrt. 2002, 191
10-09-2002   Wijziging Stcrt. 2002, 172 Stcrt. 2002, 172
03-04-2002   Wijziging Stcrt. 2002, 63 Stcrt. 2002, 63
01-01-2002   Wijziging Stcrt. 2001, 249 Stcrt. 2001, 249
26-10-2001 30-09-2001 Wijziging Stcrt. 2001, 206 Stcrt. 2001, 206
30-09-2001 01-01-2001
artt. 5 en 10a
Wijziging Stcrt. 2001, 188 Stcrt. 2001, 188
20-09-2001   Wijziging Stcrt. 2001, 246 Stcrt. 2001, 246
01-01-2001   Wijziging Stcrt. 2000, 252 Stb. 2000, 569
01-01-2000
bijlage 2
Wijziging Stcrt. 2000, 245
Rectificatie in
Stcrt. 2000, 251
Stcrt. 2000, 245
01-01-2000
art. 5
Wijziging Stcrt. 2000, 189 Stcrt. 2000, 189
05-08-2000   Wijziging Stcrt. 2000, 149 Stcrt. 2000, 149
01-01-2000   Wijziging Stcrt. 1999, 251,
samen met
Stcrt. 1999, 250
Stcrt. 1999, 251,
samen met
Stcrt. 1999, 250
  Wijziging Stcrt. 1999, 217 Stcrt. 1999, 217
  Wijziging Stcrt. 1999, 188
Rectificatie in
Stcrt. 1999, 190
Stcrt. 1999, 188
01-07-1999   Wijziging Stcrt. 1999, 122 Stcrt. 1999, 122
01-01-1999   Wijziging Stcrt. 1998, 189 Stcrt. 1998, 189
  Wijziging Stcrt. 1998, 244 Stcrt. 1998, 244
23-12-1998   Wijziging Stcrt. 1998, 244 Stcrt. 1998, 244
01-10-1998 01-01-1998 Wijziging Stcrt. 1998, 185 Stcrt. 1998, 185
01-07-1998   Wijziging Stcrt. 1998, 119 Stcrt. 1998, 119
  Wijziging Stcrt. 1998, 80 Stb. 1998, 369
01-01-1998   Nieuwe regeling Stcrt. 1997, 249 Stb. 1997, 805

 

 

REGELING houdende regels inzake de uitvoering en de financiering van de Wet inschakeling werkzoekenden (Regeling uitvoering en financiering Wet inschakeling werkzoekenden)

18 december 1997/nr. AM/RAW/97/2742c
Directie Arbeidsmarkt

     De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
     Handelende in overeenstemming met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen;
     Gelet op de artikelen 4, vijfde lid, en 21, tweede lid, van de Wet inschakeling werkzoekenden en de artikelen 9, eerste en vijfde lid, 10, eerste en vijfde lid, 12, tweede lid, 13, zesde lid, 14, zesde lid, 15, vijfde lid, en 17, eerste lid, van het Besluit uitvoering en financiering Wet inschakeling werkzoekenden;

     Besluit:

 

 

Art. 1. Definities
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. de wet: de Wet inschakeling werkzoekenden;
b. het besluit: het Besluit uitvoering en financiering Wet inschakeling werkzoekenden;
c. de minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

 

Art. 1a. Vervallen.

 

Art. 2. Combinatie dienstbetrekking en beroepsbegeleidende leerweg
Met inachtneming van de taken van de landelijke organen voor het beroepsonderwijs, bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, en hetgeen omtrent beroepsopleidingen in de van toepassing zijnde collectieve arbeidsovereenkomsten is opgenomen, kan een werknemer in combinatie met de dienstbetrekking een beroepsopleiding volgen van de beroepsbegeleidende leerweg op grond van genoemde wet.

 

Art. 3. Basisbedrag dienstbetrekking
Het basisbedrag voor een dienstbetrekking bedraagt:
a. voor het jaar 2001: ƒ18 700,00;
b. voor het jaar 2002: €|8865,00;
c. voor het jaar 2003: €|4500,00.

 

Art. 4. Basisbedrag werkervaringsplaats
-1. Het basisbedrag voor een werkervaringsplaats bedraagt: 
a. voor het jaar 2001: ƒ18 700,00;
b. voor het jaar 2002: €|8865,00;
c. voor het jaar 2003: €|8000,00.
-2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel c, bedraagt het basisbedrag voor een werkervaringsplaats die is ontstaan vóór 1 oktober 2002 €|8865,00.

 

Art. 4a. [Plafond werkervaringsplaatsen, red]
Het aantal plaatsen waarvoor door de gemeente het in artikel 4 bedoelde basisbedrag over 2003 kan worden gedeclareerd, is beperkt tot 100% van het aantal in 2001 door de gemeente gerealiseerde werkervaringsplaatsen. Gemeenten die in 2001 geen werkervaringsplaats hebben gerealiseerd, kunnen over 2003 het genoemde basisbedrag maximaal eenmaal declareren.

 

Art. 5. Normbedragen
-1. Het normbedrag voor de categorie jongeren tot 23 jaar met een werkweek van 32 uur bedraagt:
a. voor het jaar 2001: ƒ3482,00;
b. voor het jaar 2002: €|1187,00;
c. voor het jaar 2003: €|6520,00.
-2. Het normbedrag voor de categorie jongeren tot 23 jaar met een werkweek van 36 uur bedraagt:
a. voor het jaar 2001: ƒ5746,00;
b. voor het jaar 2002: €|2215,00;
c. voor het jaar 2003: €|7610,00.
-3. Het normbedrag voor de categorie werklozen met een werkloosheidsduur van één tot twee jaar en een werkweek van 32 uur bedraagt voor het jaar 2003 €|5220,00.
-4. Het normbedrag voor de categorie werklozen met een werkloosheidsduur van één tot twee jaar en een werkweek van 36 uur bedraagt voor het jaar 2003 €|5220,00.
-5. Het normbedrag voor de categorie werklozen met een werkloosheidsduur van twee tot drie jaar en een werkweek van 32 uur bedraagt:
a. voor het jaar 2001: ƒ8062,00;
b. voor het jaar 2002: €|3548,00;
c. voor het jaar 2003: €|8710,00.
-6. Het normbedrag voor de categorie werklozen met een werkloosheidsduur van twee tot drie jaar en een werkweek van 36 uur bedraagt:
a. voor het jaar 2001: ƒ11 056,00;
b. voor het jaar 2002: €|4958,00;
c. voor het jaar 2003: €|10 240,00.
-7. Het normbedrag voor de categorie werklozen met een werkloosheidsduur van meer dan drie jaar en een werkweek van 32 uur bedraagt:
a. voor het jaar 2001: ƒ10 549,00;
b. voor het jaar 2002: €|4720,00;
c. voor het jaar 2003: €|9910,00.
-8. Het normbedrag voor de categorie werklozen met een werkloosheidsduur van meer dan drie jaar en een werkweek van 36 uur bedraagt:
a. voor het jaar 2001: ƒ14 363,00;
b. voor het jaar 2002: €|6997,00;
c. voor het jaar 2003: €|12 260,00.

 

Art. 6. Geoormerkt scholings- en activeringsbudget voor niet-uitkeringsgerechtigden en personen met een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet
Het extra subsidiebedrag, bedoeld in artikel 14, vierde lid, van het besluit, bedraagt voor het jaar 2002 €|86 990 186,00.

 

Art. 7. Vervallen.

 

Art. 8. Vervallen.

 

Art. 8a. Vervallen.

 

Art. 8b. Aanvulling bedragen scholings- en activeringsbudget gemeenten Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht
-1. De gemeenten Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht ontvangen voor het kalenderjaar 2001 een aanvulling op het scholings- en activeringsbudget van in totaal ƒ40 000 000,00. Van dit bedrag wordt aan de gemeente Amsterdam ƒ13 425 000,00, de gemeente Rotterdam ƒ13 601 000,00, de gemeente Den Haag ƒ8 399 000,00 en de gemeente Utrecht ƒ4 575 000,00 verleent.
-2. De gemeenten Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht ontvangen voor het kalenderjaar 2002 een aanvulling op het scholings- en activeringsbudget van in totaal €|18 151 210,00. Van dit bedrag wordt aan de gemeente Amsterdam €|6 092 000,00, aan de gemeente Rotterdam €|6 171 865,00, aan de gemeente Den Haag €|3 811 300,00 en aan de gemeente Utrecht €|2 076 045,00 verleend.
-3. De gemeenten Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht ontvangen voor het kalenderjaar 2003 een aanvulling op het scholings- en activeringsbudget van in totaal €|15 451 133,00. Van dit bedrag wordt aan de gemeente Amsterdam €|5 185 787,00, aan de gemeente Rotterdam €|5 253 771,00, aan de gemeente Den Haag €|3 244 351,00 en aan de gemeente Utrecht €|1 767 224,00 verleend.

 

Art. 8c. Vervallen.

 

Art. 8d. Aanvulling bedragen scholings- en activeringsbudget ten behoeve van gemeenten met een groot aantal bijstandsgerechtigden
De in bijlage 8 bij deze regeling genoemde gemeenten met een groot aantal bijstandsgerechtigden ontvangen voor een subsidiejaar een in die bijlage genoemde aanvulling op het scholings- en activeringsbudget.

 

Art. 9. Voorschotten
-1. De maandvoorschotten, bedoeld in artikel 15, derde lid, van het besluit, zijn gebaseerd op de opgave van de gemeente van twee kwartalen terug.
-2. De maandvoorschotten, bedoeld in artikel 15, vierde lid, van het besluit, bedragen telkens een twaalfde deel van de verleende budgetten.

 

Art. 10. Verrekening
Met de betaalbaarstelling van de opgave, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van het besluit, worden de maandvoorschotten die betrekking hebben op de periode waarover die opgave betrekking heeft, verrekend.

 

Art. 10a. Beperking toevoeging budget aan scholings- en activeringsbudget volgend subsidiejaar
-1. Het deel van het beschikbare scholings- en activeringsbudget van 2003 dat, op grond van artikel 18, vijfde lid, van het besluit, door de gemeente wordt toegevoegd aan het budget van 2004, wordt beperkt tot 50 procent van het toegekende budget.
-2. Het bedrag dat de gemeente in enig jaar meer aan scholing en activering heeft besteed dan het voor dat jaar beschikbare scholings- en activeringsbudget dat, op grond van artikel 18, zesde lid, van het besluit, door de gemeente ten laste wordt gebracht van het scholings- en activeringsbudget van het daaropvolgende studiejaar, wordt beperkt tot 50 procent van het toegekende budget.

 

Art. 11. Modellen
-1. Het model van de opgave, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van het besluit, is vastgesteld volgens het model van bijlage 1 bij deze regeling.
-2. Het model van het verslag, bedoeld in artikel 20, vierde lid, van de wet, is vastgesteld volgens het model van bijlage 2 bij deze regeling.
-3. Het model van de verklaring, bedoeld in artikel 20, vierde lid, van de wet, is vastgesteld volgens het model van bijlage 3 bij deze regeling.
-4. De verklaring, bedoeld in het derde lid, is gebaseerd op een onderzoek dat is uitgevoerd overeenkomstig het in bijlage 4 bij deze regeling beschreven controle- en rapportageprotocol.
-5. Bij de indiening van de opgave, bedoeld in het eerste lid, voegt het gemeentebestuur de kwartaalstatistiek Wiw. Het model van de kwartaalstatistiek Wiw is vastgesteld volgens het model van bijlage 6 bij deze regeling.
-6. Bij de indiening van de in het eerste, tweede, derde en vijfde lid bedoelde bescheiden maakt het gemeentebestuur gebruik van de daarvoor door de minister verstrekte formulieren, die zijn ingericht overeenkomstig de in die leden bedoelde modellen en zijn voorzien van een voor iedere gemeente uniek kenmerk.

 

Art. 12. Vervallen.

 

Art. 13. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling uitvoering en financiering Wet inschakeling werkzoekenden.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.¹

1. Bijlagen 2 en 4 liggen met ingang van 25 juli 2003 ter inzage in de bibliotheek van het ministerie van SZW (Stcrt. 2003, 136), bijlagen 1 en 3 met ingang van 1 januari 2003 (Stcrt. 2002, 220) en bijlage 5 met ingang van 1 april 1998. Raadpleeg voor bijlage 6 Staatscourant 2001, 249, en voor bijlage 8 Staatscourant. 2003, 197. Zoals vermeld in Staatscourant 1999, 190, dient bijlage 7 als niet geschreven te worden beschouwd. Het gewijzigde model van het verslag en de bijlage controle- en rapportageprotocol betreffende het jaar 2003 liggen met ingang van 1 april 2004 ter inzage in de bibliotheek van het ministerie van SZW (Stcrt. 2004, 63), red.

 

’s-Gravenhage, 18 december 1997.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert.

 

 

 

TOELICHTING
[18 december 1997]

 

Combinatie dienstbetrekking en beroepsbegeleidende leerweg


     De Wiw-dienstbetrekking biedt de mogelijkheid om werkervaring op te doen, waarmee de kans op uitstroom naar ongesubsidieerd werk toeneemt. Deze kansen kunnen nog verder toenemen indien de werkervaring wordt aangevuld met scholing. Een mogelijkheid hiertoe is de combinatie van de dienstbetrekking met de beroepsbegeleidende leerweg. Met deze combinatie hebben 22 regio’s in de zogenaamde experimenten JWG-leerlingwezen ervaring opgedaan. Indien bij de toepassing van deze combinatie de volgende uitgangspunten worden gehanteerd, kunnen de uitstroomkansen van werknemers met een Wiw-dienstbetrekking toenemen:
- Bij de opstelling van het traject voor de jongere worden de mogelijkheden om direct in te stromen in een beroepsopleiding, dan wel een beroepsbegeleidende leerweg in combinatie met een reguliere baan, nadrukkelijk afgewogen.
     Ook voor een Wiw-werknemer die niet als jongere kan worden aangemerkt, bestaat de mogelijkheid om de beroepsbegeleidende leerweg te combineren met een Wiw-dienstbetrekking, maar ook in deze situatie ligt het in de rede om eerst na te gaan of de combinatie van de beroepsbegeleidende leerweg in combinatie met een reguliere baan tot de mogelijkheden behoort. De combinatie van Wiw en beroepsbegeleidende leerweg mag immers niet leiden tot verdringing van de reguliere instroom in het leerlingwezen. Daartoe zal ook monitoring plaatsvinden van de ontwikkeling van deze combinatievariant. In deze monitoring zal onder andere worden gekeken of de deelname aan deze combinatievariant niet hoger zal zijn dan 10% van de deelname in de reguliere (ongesubsidieerde) deelname aan die beroepsbegeleidende leerweg. Een overschrijding van dit percentage zal aanleiding kunnen zijn om aanscherping van de regeling aan de orde te stellen.
- Bij het kiezen van een opleidingsrichting wordt niet alleen gekeken naar de bereidheid van een werkgever om een leerling te plaatsen, maar ook naar de uitstroomkansen naar regulier werk. Er moet vraag zijn naar mensen met een dergelijke opleidingsrichting.
- Het landelijk orgaan voor het beroepsonderwijs in de betreffende sector moet betrokken zijn bij de invulling van de combinatievariant, in ieder geval met het oog op de accreditering van de praktijkplaatsen.
- Het commitment van werkgevers en werknemers in de sector is van belang. Eventuele CAO-afspraken op dit punt dienen in acht te worden genomen.
- Bij het vaststellen van de hoogte van de inleenvergoeding dient de gemeente er, overeenkomstig artikel 6 van de wet, voor zorg te dragen dat de concurrentieverhoudingen niet worden verstoord en dat de kans op uitstroom naar een ongesubsidieerde (leer)arbeidsovereenkomst zo groot mogelijk is.
     In de wet is ervan afgezien de combinatievariant aan strikte regels te binden. In artikel 2 van de regeling is slechts bepaald dat rekening moet worden gehouden met de taken van de landelijke organen voor het beroepsonderwijs, zoals bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs en met de afspraken tussen sociale partners ten aanzien van beroepsopleidingen die zijn opgenomen in de van toepassing zijnde collectieve arbeidsovereenkomsten.

 

Basisbedrag en normbedragen


     Gemeenten kunnen voor iedere Wiw-dienstbetrekking een basisbedrag bij het Rijk declareren. Voor 1998 is dit bedrag vastgesteld op ƒ17 000,- op jaarbasis (artikel 3, eerste lid). Het basisbedrag is niet in alle gevallen toereikend om een Wiw-dienstbetrekking volledig te financieren. Daarom kent de Wiw een vast budget voor aanvullende kosten. Dit budget moet worden aangewend om het verschil tussen het basisbedrag en de loonkosten inclusief uitvoeringskosten te dekken.
     Het bedrag dat de gemeente uit dit vaste budget kan aanwenden om de aanvullende kosten van een dienstbetrekking te financieren, wordt het normbedrag genoemd. Dit normbedrag op jaarbasis verschilt per categorie jongeren, voormalige JWG-ers van 23 tot 27 jaar en voormalig langdurig werklozen (artikel 5).
     Artikel 5 van de wet biedt de gemeenten de mogelijkheid om een subsidie aan werkgevers te verstrekken die met langdurig werklozen of jongeren een arbeidsovereenkomst sluiten teneinde werkervaring op te doen. Dergelijke arbeidsplaatsen worden werkervaringsplaatsen genoemd. De gemeente kan bij het Rijk voor een werkervaringsplaats het basisbedrag declareren. Voor 1998 is het basisbedrag voor de werkervaringsplaats vastgesteld op ƒ17 000,- op jaarbasis (artikel 4, eerste lid).
     Bij de totstandkoming van de Wiw is de Werkloosheidwet (WW) gewijzigd, waarbij het voor uitvoeringsinstellingen in de zin van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 (uvi’s) namens het Landelijk instituut sociale verzekeringen [zie Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) en hoofdstuk 5 van de Wet SUWI, red.] mogelijk wordt gemaakt om voor WW-gerechtigden Wiw-dienstbetrekkingen en werkervaringsplaatsen in te kopen.
     De uvi’s wordt daarmee een nieuwe instrumentarium - de dienstbetrekking en de werkervaringsplaats - geboden om de uitstroom uit de WW-uitkering te bevorderen.
     Daarbij is in eerste instantie gedacht aan oudere werklozen met een verouderde en niet meer aansluitende opleiding en werkervaring voor de arbeidsmarkt. Voor deze groep kan een Wiw-dienstbetrekking een waardevol alternatief voor een uitkeringssituatie betekenen met een mogelijk doorstroomperspectief naar regulier werk.
     Ook voor jongeren met een WW-uitkering die nog geen jaar werkloos zijn, kunnen dienstbetrekkingen worden ingekocht. In de praktijk zal dit een groep jongeren betreffen die ondanks hun arbeidsverleden naar verwachting tijdens de WW-periode geen reguliere arbeidsplaats zullen kunnen verwerven zonder dat eerst binnen een Wiw-dienstbetrekking met bijzondere begeleiding relevante werkervaring is opgedaan. Deze inkoopmogelijkheid voor jongeren kan maximaal één jaar duren, omdat het aanbieden c.q. voortzetten van een Wiw-dienstbetrekking nadien een gemeentelijke verantwoordelijkheid is (artikel 9, tweede lid, van de wet).
     De hoogte van het inkoopbedrag voor een Wiw-dienstbetrekking is een kwestie van onderhandelingen tussen uvi en gemeente binnen het beleidskader dat het Landelijk instituut sociale verzekeringen daarvoor heeft gesteld. Voor de uvi zullen daarbij de hoogte van de uitkering, de maximumduur van de WW-uitkering en de inschatting van de doorstroomkansen naar regulier werk relevante factoren zijn. Voor de gemeente is van belang dat ten minste alle kosten van de dienstbetrekking kunnen worden gefinancierd, maar voorstelbaar is dat inkoop daarnaast voor de gemeente extra middelen genereert die in het kader van de Wiw dienen te worden aangewend.
     Om te bewerkstelligen dat de uvi - naast het Rijk - een redelijke bijdrage levert aan de financiering van een dienstbetrekking is bepaald dat voor een ingekochte dienstbetrekking geen ƒ17 000,-, maar ƒ10 000,- als basisbedrag bij het Rijk kan worden gedeclareerd (artikel 3, tweede lid). Dit impliceert dat een uvi op jaarbasis ten minste ƒ7000,- aan een dienstbetrekking zal moeten bijdragen teneinde de kosten voor de gemeenten volledig gefinancierd te krijgen. Dit bedrag is zodanig gekozen dat dit uvi’s de mogelijkheid biedt om te komen tot beperkte besparingen op de WW-uitkeringen van de beoogde doelgroep.
     Indien de ontwikkelingen daartoe aanleiding geven, kan het verlaagde basisbedrag bij inkoop desgewenst in de loop van 1998 worden bijgesteld.
     Voor ingekochte dienstbetrekkingen voor jongeren geldt geen verlaagd basisbedrag, maar kan het volledige basisbedrag worden gedeclareerd. Gezien de geringere hoogte en kortere looptijd van WW-uitkeringen voor jongeren is een bijdrage van ƒ7000,- aan een dienstbetrekking voor een uvi geen reële optie.
     Voor een werkervaringsplaats die voor een WW-gerechtigde wordt ingekocht, is bepaald dat er geen basisbedrag kan worden gedeclareerd (artikel 4, tweede lid). Het gaat hier immers om een loonkostensubsidie van de uvi aan een reguliere werkgever. De gemeente is hierbij weliswaar intermediair, maar dit leidt niet tot kosten die uit een rijkssubsidie zouden behoeven te worden gefinancierd.
     Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat inkoop van een Wiw-dienstbetrekking door een uvi alleen mogelijk is indien de betrokken WW-gerechtigde daartoe door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie [zie Centrale organisatie werk en inkomen (CWI), red.] is geïndiceerd (artikel 12 van de wet), dan wel indien dit onderdeel vormt van een traject dat uvi en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie voor de betrokken jongere hebben opgesteld (artikel 73, tweede lid, WW).

 

Verzoek ander vast budget


     Door het ontbreken van actuele beleidsinformatie op gemeentelijk niveau bestaat geen volledige zekerheid over de vraag of voor alle gemeenten het vaste budget toereikend zal zijn om per 1 januari 1998 bestaande dienstbetrekkingen volledig te financieren. Artikel 13, vijfde lid, van het besluit biedt de minister de mogelijkheid om gemeenten op verzoek een ander vast budget te verlenen. In artikel 6 van deze regeling is aan deze bevoegdheid nadere invulling gegeven.
     Een ander vast budget kan worden verleend ingeval het vast budget ontoereikend is gelet op het aantal Wiw-dienstbetrekkingen per 1 januari 1998 met voormalige banenpooldeelnemers en jongeren met een voormalige JWG-dienstbetrekking.
     Het vast budget kan bijvoorbeeld ontoereikend zijn wanneer gemeenten in 1997 extra veel banenpooldeelnemers in dienst hebben genomen, omdat het vast budget mede gebaseerd is op het aantal banenpooldeelnemers ultimo 1996. Ook is in de budgetverlening geen rekening gehouden met banenpooldeelnemers die vóór indiensttreding bij de banenpool geen aanspraak hadden op een Abw-uitkering.
     Voor gemeenten waar per 1 januari 1998 verhoudingsgewijs veel jongeren van 23 jaar of ouder op een dienstbetrekking werkzaam zijn, kan het vast budget eveneens ontoereikend zijn.
     Een verzoek voor een ander vast budget dient vóór 1 maart 1998 te worden ingediend bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, directie Financieel-Economische Zaken, afdeling Bekostiging, postbus 90801, 2509 LV te Den Haag, onder vermelding van gegevens op grond waarvan de hoogte van een ander budget kan worden vastgesteld. Daarbij gaat het om drie te onderscheiden categorieën Wiw-dienstbetrekkingen, namelijk voor:
- personen van 23 jaar of ouder die op 31 december 1997 op grond van de Rijksbijdrageregeling banenpools werkzaam waren;
- personen van 23 jaar of ouder die op 31 december 1997 op grond van de Jeugdwerkgarantiewet werkzaam waren;
- jongeren tot 23 jaar die op 31 december 1997 op grond van de Jeugdwerkgarantiewet werkzaam waren.
     Personen die per 1 januari 1998 een Wiw-dienstbetrekking met de gemeente aangaan zonder daarvoor op 31 december 1997 op basis van de banenpoolregeling of JWG werkzaam te zijn geweest, tellen voor de berekening van een ander vast budget dus niet mee.
     Voor de berekening van het andere budget worden de onderscheiden categorieën dienstbetrekkingen vermenigvuldigd met de bijbehorende normbedragen. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de arbeidsduur. Dus wanneer bijvoorbeeld een persoon 16 uur per week werkt, dan wordt in de berekening de helft van het normbedrag voor 32 uur gehanteerd.
     Indien de som van de aantallen vermenigvuldigd met de bijbehorende normbedragen rekening houdend met de arbeidsduur hoger is dan het verleende budget, dan wordt voor 1998 een ander budget ter hoogte van het aldus berekende budget verleend (artikel 6, tweede lid).
     Het verzoek om een ander budget dient te zijn voorzien van een accountantsverklaring (artikel 6, derde lid). Daartoe kan dezelfde verklaring dienen die wordt opgesteld in verband met de toepassing van de vermindering langdurig werklozen (VLW) voor vier jaar voor Wiw-werknemers die per 1 januari 1998 uit de JWG en banenpool zijn ingestroomd (artikel 35 van de wet). Een afzonderlijke verklaring langdurig werkloze is voor JWG- en banenpoolwerknemers die per 1 januari 1998 instromen in de Wiw, niet noodzakelijk. Om echter de uitvoering van artikel 35 controleerbaar te maken, moeten de gemeenten op 1 januari 1998 een lijst hebben aangelegd, voorzien van een accountantsverklaring, waarop degenen worden vermeld die op 1 januari 1998 een Wiw-dienstbetrekking hebben. Deze lijst moet bij de loonadministratie worden bewaard en is als zodanig vergelijkbaar met de verklaring langdurig werkloze, zoals die vanaf 2 januari 1998 voor nieuw aangegane Wiw-dienstbetrekkingen door Arbeidsvoorziening zal dienen te worden verstrekt. Door de Belastingdienst wordt deze lijst voorzien van een accountantsverklaring aangemerkt als een (collectieve) verklaring langdurig werkloze.

 

Nader verzoek ander vast budget


     Artikel 6 voorziet in de verlening van een ander vast budget per 1 januari 1998 (voor zover het vast budget gelet op het aantal Wiw-dienstbetrekkingen voor voormalige banenpooldeelnemers en JWG-jongeren op die datum ontoereikend is). Echter ook in de loop van 1998 en 1999 zou het vast budget ontoereikend kunnen worden wanneer een deel van de jongeren die op 31 december 1997 een JWG-dienstbetrekking hadden 23 jaar worden. De aantallen waar dit om gaat, kunnen op grond van de leeftijdsopbouw van het jongerenbestand door de gemeenten zelf worden geraamd. Gemeenten zullen in eerste aanleg dan ook moeten proberen om de meerkosten van dienstbetrekkingen voor jongeren die in 1998 of 1999 23 jaar worden, te financieren uit de ruimte die ontstaat tengevolge van de natuurlijke uitstroom. Dit betekent dat wanneer kan worden voorzien dat deze meerkosten in 1998 of 1999 zullen ontstaan, herbezetting van vrijvallende arbeidsplaatsen voor langdurig werklozen tengevolge van uitstroom niet mogelijk is. Mocht desondanks het vast budget ontoereikend zijn, dan kan op grond van artikel 7 voor 1998 alsnog een ander budget worden toegekend. De gemeente kan hiertoe gelijktijdig met het indienen van de jaaropgave over het jaar 1998 (derhalve vóór 20 september 1999) een nader verzoek voor een ander budget indienen. Bij de beoordeling van dit verzoek zal door de accountant nadrukkelijk worden getoetst in hoeverre de meerkosten hadden kunnen worden gefinancierd uit mogelijke financiële ruimte die ontstaat tengevolge van natuurlijke uitstroom. Het verzoek dient te worden ingediend op basis van een model dat vóór 1 april 1998 zal worden vastgesteld en aan de gemeenten zal worden toegezonden.
     Afhankelijk van de aard en omvang van de verzoeken op grond van artikel 7 zal worden bezien of ook de mogelijkheid moet worden geboden voor de vaststelling van een ander budget over 1999 als gevolg van de ontwikkeling van de kosten van dienstbetrekkingen van personen die op 31 december 1997 een JWG-dienstbetrekking hadden. In het jaar 2000 kan zich op dit onderdeel geen financieringsprobleem meer voordoen, omdat de categorie voormalige JWG-jongeren van 23 jaar of ouder in dat jaar volledig zal zijn uitgestroomd (artikel 23, eerste lid, onderdeel a, van de wet).

 

Voorschotten


     Voor het bevoorschotten van de maandbetalingen met betrekking tot de basisbedragen wordt aangesloten bij de systematiek die werd gebruikt bij de Jeugdwerkgarantiewet en de Rijksbijdrageregeling banenpools. De declaratie over twee kwartalen terug is de basis voor de berekening. Per maand wordt een derde van die declaratie bevoorschot.
     Daar voor het eerste halfjaar 1998 nog geen basis aanwezig is om de maandvoorschotten te berekenen, is geregeld dat voor de berekening uitgegaan zal worden van de kwartaaldeclaraties van de JWG en de banenpool. Mocht blijken dat dit maandbedrag substantieel te kort is, dan kan verhoging van dit voorschot worden gevraagd. Een onderbouwde berekening dient bij het verzoek te worden overgelegd.
     Bij de betaling van een declaratie zullen de betaalde voorschotten over die periode worden verrekend met die declaratie.
     Voorts zal maandelijks een voorschot worden betaald voor de vaste vergoeding en het scholings- en activeringsbudget. De hoogte van dit voorschot zal worden bepaald op een twaalfde deel van het toegekende budget.
     De opgave die in artikel 10 wordt bedoeld, is de declaratie.

 

Modellen


     De modellen voor het declareren en verantwoorden van de rijkssubsidie worden vastgesteld bij dit besluit. Tevens wordt een model accountantsverklaring en kwartaalstatistiek voorgeschreven. De kwartaalstatistiek is een voortzetting van de in- en uitstroomstatistiek zoals die werd ingediend bij de kwartaaldeclaraties voor de Jeugdwerkgarantiewet en de banenpoolregeling. Deze statistiek zal te zijner tijd worden vervangen door een andere vorm van opvraag van beleidsinformatie.
     De modellen en het controle- en rapportageprotocol zijn opgenomen in de volgende bijlagen, die onderdeel van onderhavige regeling vormen:
- bijlage 1: het model van de opgave, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de regeling (de declaratie);
- bijlage 2: het model van de jaaropgave, bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de regeling;
- bijlage 3: het model van de accountantsverklaring, bedoeld in artikel 11, derde lid, van de regeling;
- bijlage 4: het controle- en rapportageprotocol, bedoeld in artikel 11, vierde lid, van de regeling;
- bijlage 5: het model van het verzoek, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de regeling;
- bijlage 6: het model van de kwartaalstatistiek Wiw, bedoeld in artikel 11, vijfde lid.
     De bijlagen 1, 2 en 6 liggen per 1 januari 1998 ter inzage in de bibliotheek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Voor de bijlagen 3, 4 en 5 geldt hiervoor de datum 1 april 1998.
     De bijlagen worden aan de gemeenten toegezonden. Voor de modellen van de bijlagen 1 en 2 geschiedt dit voor ieder verantwoordingsjaar. Bij wijziging van de bijlagen zal hiervan mededeling worden gedaan in de Staatscourant.
     Op grond van artikel 17, zesde lid, van het besluit moet de jaaropgave worden ingediend vóór 20 september in het jaar volgend op het jaar waarop die opgave betrekking heeft. De verklaring van de accountant, bedoeld in artikel 21 van de wet, dient bij deze jaaropgave te zijn gevoegd. Beide bescheiden maken onderdeel uit voor de vaststelling van de rijkssubsidie en dienen gelijktijdig te worden ingezonden. Het niet tijdig inzenden dan wel ontbreken van één van deze bescheiden kan leiden tot het aanhouden van de voorschotbetalingen en ambtshalve vaststellen van de rijkssubsidie.

 

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert.