Geschiedenis van deze regeling:

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht t/m Betreft Bekendmaking regeling Bekendmaking inwerkingtreding
01-01-2015   Intrekking Stb. 2014, 280 Stb. 2014, 281
01-01-2014   Wijziging Stcrt. 2013, 35045 Stcrt. 2013, 35045
01-01-2013   Wijziging Stcrt. 2012, 26765 Stb. 2012, 646
  Wijziging Stcrt. 2012, 26767 Stcrt. 2012, 26767
01-01-2012   Wijziging Stcrt. 2011, 23288 Stcrt. 2011, 23288
21-05-2011 01-01-2011 Wijziging Stcrt. 2011, 8800 Stcrt. 2011, 8800
31-01-2010 01-01-2010 Wijziging Stcrt. 2010, 1256 Stcrt. 2010, 1256
01-08-2009   Wijziging Stcrt. 2009, 11115 Stcrt. 2009, 11115
08-07-2009 01-04-2007 Wijziging Stcrt. 2009, 10514 Stb. 2009, 286
01-01-2007   Nieuwe regeling Stcrt. 2006, 250 Stcrt. 2006, 250

 

 

REGELING van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 december 2006, nr. DMO/SFI 2733429, houdende het aanwijzen van een rechtspersoon, instellingen en gegevens, regels met betrekking tot het registreren van werkzaamheden en wijziging van andere regelingen (Regeling maatschappelijke ondersteuning)

     De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
     Handelende in overeenstemming met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
     Gelet op artikel 9, eerste lid, onderdeel b, artikel 16 en artikel 20, vierde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning en artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet;

     Besluit:

 

 

§ 1.  Algemene bepalingen

 

Art. 1.
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. minister: Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
b. wet: de Wet maatschappelijke ondersteuning;
c. mantelzorger: een persoon die mantelzorg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de wet verleent;
d. CIZ: het Centrum indicatiestelling zorg;
e. SVB: de Sociale verzekeringsbank, bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
f. bureau jeugdzorg: een stichting als bedoeld in artikel 4 van de Wet op de jeugdzorg.

 

 

§ 2.  Aangewezen rechtspersoon en instellingen

 

Art. 2.
-1. Als rechtspersoon als bedoeld in artikel 16 van de wet wordt aangewezen het CAK, genoemd in artikel 48, eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.
-2. Als instelling als bedoeld in artikel 20, vierde lid, van de wet, voor zover het betreft het registreren van werkzaamheden betreffende maatschappelijke opvang en vrouwenopvang, wordt aangewezen Prismant, gevestigd te Utrecht.
-3. Als instelling als bedoeld in artikel 20, vierde lid, van de wet, voor zover het betreft het registreren van werkzaamheden betreffende verslavingsbeleid, wordt aangewezen de Stichting Databeheer Zorg, gevestigd te Houten.

 

 

§ 3.  Aangewezen gegevens

 

Art. 3.
Aangewezen gegevens als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de wet zijn:
a. gegevens over de wijze waarop de gemeente werkt aan de kwaliteit van de in het kader van de wet geleverde producten en diensten;
b. gegevens over de mate waarin de gemeente de ingezetenen betrekt bij de totstandkoming van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, voor ieder in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de wet genoemd onderdeel apart aangegeven;
c. gegevens over de methoden die de gemeente toepast om de ingezetenen actief te betrekken bij de totstandkoming van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning en over de mate waarin de gemeente deze methoden toepast;
d. gegevens over de activiteiten die de gemeente onderneemt om het sociale klimaat en de leefbaarheid in wijken en buurten te bevorderen en over de mate waarin deze activiteiten worden uitgevoerd;
e. gegevens over de faciliteiten die de gemeente biedt bij opvoedondersteuning en over hoe vaak die faciliteiten worden geboden;
f. gegevens over diensten betreffende maatschappelijke ondersteuning die worden aangeboden door middel van een gemeentelijk informatiepunt over de maatschappelijke ondersteuning;
g. gegevens over de faciliteiten die de gemeente biedt op het terrein van cliëntondersteuning;
h. gegevens over de ondersteuning of de faciliteiten die de gemeente mantelzorgers biedt en over de mate waarin die ondersteuning of die faciliteiten worden geboden;
i. gegevens over de ondersteuning of de faciliteiten die de gemeente aan vrijwilligers biedt, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen de ondersteuning of faciliteiten aan vrijwilligers in de zorg en die aan overige vrijwilligers;
j. gegevens over de wijze waarop en de mate waarin de gemeente de hulp bij het huishouden heeft afgestemd met zorgfuncties in het kader van de AWBZ;
k. gegevens over de soort voorzieningen waarvoor de gemeente een eigen bijdrage vraagt;
l. gegevens over de wijze waarop de gemeente het bedrag berekent dat als eigen bijdrage per persoon gevraagd wordt;
m. gegevens over de beschikbaarheid van de plaatsen in de maatschappelijke opvang of vrouwenopvang in verhouding tot de vraag ernaar;
n. gegevens over de activiteiten die de gemeente (of regio waartoe de gemeente behoort) onderneemt om vrouwenopvang te bevorderen en om huiselijk geweld te voorkomen en tegen te gaan;
o. gegevens over de activiteiten die de gemeente (of regio waartoe de gemeente behoort) onderneemt om de openbare geestelijke gezondheidszorg te bevorderen en dak- en thuisloosheid tegen te gaan;
p. gegevens over de ondersteuning of de faciliteiten die de gemeente (of regio waartoe de gemeente behoort) biedt voor de maatschappelijke zorg voor verslaafden en voor de beperking van de overlast door verslaving;
q. gegevens over de activiteiten die de gemeente (of regio waartoe de gemeente behoort) onderneemt op het terrein van verslavingsbeleid;
r. gegevens over een inschatting van de uitgaven die bij de uitvoering van de wet in het voorgaande jaar zijn gemaakt.

 

 

§ 4.  Registreren van werkzaamheden

 

Art. 4.
-1. Een instelling waaraan financiële middelen worden verstrekt ten behoeve van maatschappelijke opvang of vrouwenopvang door een gemeente waaraan een uitkering wordt verstrekt op het terrein van maatschappelijke opvang of vrouwenopvang op grond van het eerste of tweede lid van artikel 20 van de wet, registreert de volgende categorieën gegevens:
a. demografische gegevens van de cliënt, waaronder verstaan worden gegevens betreffende:
1º. het geslacht;
2º. de geboortedatum;
3º. de woongemeente;
4º. de herkomst en de nationaliteit;
5º. de burgerlijke staat;
6º. verblijfsstatus;
7º. het opleidingsniveau;
8º. dagbesteding, bron van inkomsten en hoogte van schulden;
9º. de woon- en leefsituatie;
b. gegevens over de situatie van de cliënt, waaronder verstaan wordt gegevens betreffende:
1º. problemen, waaronder psychische problemen en verslaving;
2º. kwaliteit van leven;
3º. de zorgbehoeften;
4º. het zorggebruik, ooit en actueel;
5º. GGZ-indicatie;
c. in- en uitstroomgegevens van de cliënt, waaronder gegevens betreffende:
1º. initiatiefnemer/verwijzer bij aanmelding;
2º. datum inschrijving;
3º. uitvoering probleeminventarisatie;
4º. reden geen probleeminventarisatie;
5º. doorverwijzing na afwijzing (bij geen probleeminventarisatie);
6º. hulpdoel;
7º. aanbieding van dienstenaanbod;
8º. reden geen dienstenaanbod;
9º. doorverwijzing na afwijzing (bij geen dienstenaanbod);
10º. soort, aantal en duur diensten;
11º. reden beëindiging dienstenaanbod;
12º. resultaat dienstenaanbod;
13º. hulpdoel bereikt;
14º. datum uitschrijving;
15º. doorverwijzing na einde dienstenaanbod.
-2. De in het eerste lid bedoelde instelling registreert voorts de volgende gegevens:
a. het aantal beschikbare plaatsen in de instelling;
b. het aantal bezette beschikbare plaatsen in de instelling;
c. het aantal cliëntcontacten.
-3. Aan de te registreren gegevens dient een unieke cliëntcode te worden toegevoegd.

 

Art. 5.
De op grond van artikel 20, eerste en tweede lid, van de wet aangewezen gemeenten dragen zorg voor de levering van de in artikel 4 bedoelde gegevens aan de in artikel 2, tweede lid, aangewezen instelling overeenkomstig de regels gesteld in het Handboek Registratie Maatschappelijke Opvang.

 

Art. 6.
-1. Een instelling waaraan financiële middelen worden verstrekt ten behoeve van verslavingsbeleid door een gemeente waaraan een uitkering wordt verstrekt op het terrein van het verslavingsbeleid op grond van het eerste lid van artikel 20 van de wet, registreert de volgende categorieën gegevens:
a. demografische gegevens van de cliënt, waaronder verstaan worden gegevens betreffende:
1º. het geslacht;
2º. de geboortedatum of de leeftijd;
3º. de woongemeente;
4º. de herkomst en de nationaliteit;
5º. het opleidingsniveau, de belangrijkste activiteiten en de bron van inkomsten; en
6º. de woon- en leefsituatie;
b. diagnostische gegevens van de cliënt, waaronder verstaan worden gegevens betreffende:
1º. de wijze van aanmelding;
2º. de aard, ernst en duur van de problematiek; en
3º. de aard, ernst en duur van het middelengebruik;
c. behandelgegevens van de cliënt, waaronder verstaan worden gegevens betreffende:
1º. de datum van inschrijving, van de start en van het einde van de behandeling; en
2º. het doel en de aard van de behandeling met inbegrip van het verstrekken van vervangende middelen, en het aantal hulpverleningscontacten;
d. evaluatiegegevens van de behandeling van de cliënt, waaronder verstaan worden gegevens betreffende:
1º. de reden van uitschrijving;
2º. de evaluatie van het middelengebruik;
3º. de mate waarin het doel van de hulpverlening is bereikt; en
4º. de verwijzing naar een vervolgbehandeling.
-2. De gegevens worden geregistreerd overeenkomstig het Landelijk Alcohol- en Drugsinformatiesysteem (LADIS) van de Stichting Informatievoorziening Verslavingszorg.

 

 

§  4A. Uitkering aan mantelzorgers

 

Art. 6a.
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
uitkering: een uitkering als bedoeld in artikel 19a van de wet.

 

Art. 6b.
-1. Een mantelzorger ontvangt ter waardering van zijn werk een uitkering, indien:
a. door het CIZ of bureau jeugdzorg op of na 1 augustus 2009 aan een persoon een indicatie is afgegeven met een geldigheidsduur van ten minste 371 dagen voor extramurale zorg in het kader van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten; en
b. de onder a bedoelde persoon de desbetreffende mantelzorger als begunstigde voor de uitkering heeft aangewezen.
-2. Een indicatie is afgegeven met een geldigheidsduur van ten minste 371 dagen indien aan een persoon meerdere indicaties zijn afgegeven:
a. waarvan de geldigheidsduur in het totaal ten minste 371 dagen bedraagt; en
b. de begindatum van elke indicatie niet meer dan 42 dagen na de einddatum van de daaraan voorafgaande indicatie is gelegen.

 

Art. 6c.
De bevoegdheid tot het verstrekken van een uitkering als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de wet wordt gedelegeerd aan de SVB.

 

Art. 6d.
-1. De toekenning van een uitkering vindt plaats door de SVB naar aanleiding van een daartoe door de mantelzorger bij de SVB ingediende aanvraag.
-2. De SVB zendt een persoon als bedoeld in artikel 6b, eerste lid, onderdeel a, een aanvraagformulier. De SVB vermeldt op het aanvraagformulier de datum van verzending.
-3. De aanvraag wordt door de mantelzorger ingediend uiterlijk drie maanden na de dag waarop het aanvraagformulier aan een persoon als bedoeld in artikel 6b, eerste lid, onderdeel a, is toegezonden of uitgereikt. De aanvraag is medeondertekend door die persoon.
-4. De aanvraag heeft betrekking op het kalenderjaar waarin de in artikel 6b, eerste lid,¹ bedoelde indicatie is afgegeven.

1. Volgens de redactie dient "artikel 6b, eerste lid" te worden vervangen door: artikel 6b, eerste lid, onderdeel a.

 

Art. 6e.
-1. Voor elke periode van 371 dagen dat een indicatie geldig is, kan de in artikel 6b, eerste lid, onderdeel a, bedoelde persoon één mantelzorger als begunstigde aanwijzen.
-2. De in artikel 6b, eerste lid, onderdeel a, bedoelde persoon kan, met inachtneming van het vorige lid, na telkens een kalenderjaar na afgifte van de indicatie opnieuw een mantelzorger als begunstigde aanwijzen, indien de indicatie op die datum nog geldig is.
-3. Zijn er meerdere indicaties afgegeven als bedoeld in artikel 6b, tweede lid, dan geldt voor de toepassing van het vorige lid de oudste afgiftedatum.

 

Art. 6f.
-1. Een persoon als bedoeld in artikel 6b, eerste lid, onderdeel a, kan per kalenderjaar slechts één mantelzorger als begunstigde voor de uitkering aanwijzen.
-2. Een mantelzorger kan per kalenderjaar slechts voor het bieden van zorg aan één persoon als begunstigde voor een uitkering worden aangewezen.

 

Art. 6g.
De uitkering bedraagt voor het jaar 2014 €|200,00.

 

Art. 6h.
De uitkering wordt door de SVB betaald:
a. met betrekking tot aanvragen die vóór 1 oktober van enig jaar zijn ingediend, op of rond 10 november van dat jaar;
b. met betrekking tot aanvragen die na 1 oktober van enig jaar zijn ingediend, zo spoedig mogelijk.

 

Art. 6i.
De SVB kan de artikelen 6b en 6d, vierde lid, buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover strikte toepassing leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

 

Art. 6j.
De SVB is belast met de rechtmatige en doelmatige uitvoering van artikel 19a van de wet en deze paragraaf, voor zover de uitvoering niet bij de minister berust.

 

Art. 6k.
-1. Aan de SVB worden de uitgaven door de minister vergoed van de uitkeringen die op grond van artikel 19a van de wet en deze paragraaf door de SVB zijn betaald.
-2. Aan de SVB worden de volgende kosten door de minister vergoed:
a. de uitvoeringskosten gemaakt bij de uitvoering van deze paragraaf;
b. de kosten die verband houden met het beëindigen door de SVB van de werkzaamheden ter uitvoering van deze paragraaf.
-3. Op de uitgaven komen in mindering de uitkeringen die zijn terugbetaald. Op de kosten komen in mindering baten die voortvloeien uit de uitvoering van deze regeling.

 

Art. 6l.
Ten behoeve van de uitvoering van artikel 19a van de wet en deze paragraaf biedt de SVB aan de minister aan:
a. vóór 1 oktober voorafgaand aan enig kalenderjaar een op het aantal te verwachten indicaties gebaseerde begroting van de in artikel 6k bedoelde uitgaven en kosten, alsmede van de te verwachten ontvangsten. De begroting behoeft goedkeuring van de minister;
b. vóór 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het kalenderjaar een aanvraag om een voorschot ten behoeve van komend kalenderjaar. De minister stelt de hoogte van het voorschot vast;
c. vóór 1 maart van het lopende kalenderjaar een tussentijdse rapportage over het lopende kalenderjaar over de in artikel 6k, eerste en tweede lid, gerealiseerde uitgaven en kosten ten opzichte van de verstrekte voorschotten;
d. vóór 15 juli een jaarrekening, een activiteitenverslag en een aanvraag tot vaststelling, bestaande uit een financiële verantwoording van de in artikel 6k bedoelde uitgaven, kosten en ontvangsten van het vorige kalenderjaar. De minister stelt de hoogte van het definitieve bedrag van de uitkeringen en uitvoeringskosten vast;
e. vóór 15 juli van het jaar volgend op het kalenderjaar een verklaring van de accountant van de SVB overeenkomstig een door de minister vastgestelde modelverklaring. Ten behoeve van de accountantscontrole van de rechtmatigheid, met inbegrip van de getrouwheid, stelt de minister een controleprotocol vast.

 

Art. 6m.
-1. Het boekjaar van de SVB is wat betreft de uitvoering van artikel 19a van de wet en deze paragraaf gelijk aan het kalenderjaar.
-2. Indien gedurende het boekjaar aanmerkelijke verschillen ontstaan of dreigen te ontstaan tussen de werkelijke uitgaven en ontvangsten en de begrote uitgaven en ontvangsten doet de SVB daarvan onverwijld schriftelijk mededeling aan de minister onder vermelding van de oorzaak van de verschillen en onder overlegging van de relevante stukken.

 

Art. 6n.
Ten behoeve van de controle van de in artikel 6k bedoelde uitgaven, kosten en ontvangsten verschaft de SVB desgevraagd aan de door de minister daartoe aangewezen ambtenaren van de accountantsdienst, bedoeld in artikel 66, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2001, de voor deze controle benodigde informatie en verleent desgevraagd aan deze ambtenaren toegang tot en inzage in alle gegevens die bij de controle op enigerlei wijze een rol spelen.

 

Art. 6o.
De SVB voert een zodanig ingerichte afzonderlijke administratie dat daaruit te allen tijde de voor de vaststelling van de in artikel 6k, eerste en tweede lid, bedoelde uitgaven en kosten van belang zijnde rechten en verplichtingen alsmede de betalingen en ontvangsten kunnen worden nagegaan.

 

Art. 6p.
-1. De SVB verstrekt desgevraagd aan de minister kosteloos de voor de uitoefening van zijn taak in verband met artikel 19a van de wet en deze paragraaf benodigde inlichtingen. De minister kan toegang vorderen tot en inzage vorderen in gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak in verband met deze wet redelijkerwijs nodig is en voor zover deze gegevens en bescheiden niet herleidbaar zijn tot gegevens en bescheiden over individuele personen.
-2. De minister is bevoegd de door de SVB verstrekte inlichtingen en de informatie verkregen uit de inzage in gegevens en bescheiden, bedoeld in het eerste lid, te gebruiken, te bewerken en aan derden te verstrekken, voor zover deze niet tot gegevens van en inlichtingen over individuele personen herleidbaar zijn.

 

 

§ 5.  Wijziging van andere regelingen

 

Art. 7.
In artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Regeling OCW dagarrangementen en combinatiefuncties wordt "Welzijnswet 1994" vervangen door: Welzijnswet 1994 zoals die luidde op 1 maart 2006.

 

 

§ 6.  Slotbepalingen

 

Art. 8.
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2007.

 

Art. 9.
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling maatschappelijke ondersteuning.

 

 

     Deze regeling wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst.

 

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
C.I.J.M. Ross-van Dorp
.

 

 

 

TOELICHTING
[14 december 2006]

 

Algemeen

 

     Met onderhavige regeling worden verschillende bepalingen van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) uitgevoerd. Het gaat om het aanwijzen van gegevens als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Wmo, het aanwijzen van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 16 van de Wmo, het aanwijzen van instellingen als bedoeld in artikel 20, vierde lid, van de Wmo en om bepalingen over het registreren van werkzaamheden, bedoeld in artikel 20, vierde lid, van de Wmo. In paragraaf 5 wordt een regeling gewijzigd waarin wordt verwezen naar de Welzijnswet 1994, omdat de Welzijnswet 1994 met ingang van 1 januari 2007 wordt ingetrokken.

 

 

Artikelsgewijs

 

§ 1. Algemene bepalingen


Artikel 1

     Deze bepaling is de definitiebepaling en bevat een definitie van: de wet.

 

§ 2. Aangewezen rechtspersoon en instellingen


Artikel 2

     In het eerste lid wordt het centraal administratiekantoor aangewezen als de rechtspersoon die belast wordt met het vaststellen en innen van een eigen bijdrage (artikel 16 van de Wmo). Tijdens de parlementaire behandeling van de Wmo heeft de regering al aangegeven het gewenst te vinden dat de eigenbijdrageregeling voor de extramurale zorg op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en de eigenbijdrageregeling voor de voorzieningen op grond van de Wmo goed op elkaar aansluiten om een mogelijke stapeling van eigen bijdragen voor individuen te begrenzen (Kamerstukken II 2005-2006, 30 131, nr. 36). Daarnaast heeft de Tweede Kamer een motie (Kamerstukken II 2004-2005, 29 538, nr. 26) aanvaard waarmee de Tweede Kamer het oordeel uitspreekt dat burgers één rekening krijgen voor de eigen bijdragen op grond van de AWBZ en de eigen bijdragen op grond van de Wmo.
     Om deze redenen wordt het centraal administratiekantoor met de vaststelling en inning van de eigen bijdrage op grond van de Wmo belast. Het centraal administratiekantoor is immers de rechtspersoon die ook belast is met de vaststelling en inning van de eigen bijdrage voor de extramurale zorg op grond van de AWBZ.
     In het tweede en derde lid van artikel 2 worden de instellingen aangewezen waaraan de geregistreerde gegevens, bedoeld in artikel 20, vierde lid, van de Wmo, dienen worden te verstrekt.
     Voor zover het gaat om werkzaamheden betreffende maatschappelijke opvang en vrouwenopvang wordt aangewezen Prismant.
     Voor zover het gaat om werkzaamheden betreffende verslavingsbeleid wordt aangewezen de Stichting Databeheer Zorg. Thans is aangewezen de Stichting Informatievoorziening Verslavingszorg. Met ingang van 1 januari 2007 draagt deze stichting echter de naam Stichting Databeheer Zorg.
     Met deze aanwijzingen wordt de bestaande situatie gecontinueerd. Prismant en de Stichting Databeheer Zorg (voorheen de Stichting Informatievoorziening Verslavingszorg) zijn ook nu aangewezen in artikel 2 van de Registratieregeling maatschappelijke opvang en vrouwenopvang respectievelijk in artikel 2 van de Registratieregeling verslavingsbeleid. Deze beide regelingen zijn gebaseerd op de Welzijnswet 1994 en komen met ingang van 1 januari 2007 te vervallen.
     Tot slot dient opgemerkt te worden dat Prismant in de loop van 2007 zijn werkzaamheden overdraagt aan een andere instelling. Hiertoe wordt in 2007 door het ministerie van VWS een aanbestedingsprocedure gestart.

 

§ 3. Aangewezen gegevens


Artikel 3

     Op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Wmo dienen de gemeenten bij ministeriële regeling aangewezen gegevens over prestaties op het gebied van maatschappelijke ondersteuning betreffende het voorgaande kalenderjaar te publiceren. In artikel 3 van de onderhavige regeling worden deze gegevens aangewezen.
     De aangewezen gegevens dienen op grond van artikel 9, tweede lid, van de Wmo aan de Minister van VWS of een door hem aan te wijzen instelling te worden verstrekt. In het derde lid van artikel 9 van de Wmo wordt bepaald dat de Minister van VWS er zorg voor draagt dat op basis van door de gemeente verstrekte gegevens vóór 1 januari volgend op de in het tweede lid genoemde datum een rapportage wordt opgesteld en gepubliceerd waarin de gegevens van de gemeenten worden vergeleken. In deze rapportages worden gemeenten vergeleken op basis van de gegevens, genoemd in artikel 3 van de onderhavige regeling, en op basis van de gegevens over de tevredenheid van vragers van maatschappelijke ondersteuning over de uitvoering van de wet. Het doel van deze rapportages is om burgers en maatschappelijke organisaties in staat te stellen op eenvoudige wijze de prestaties van hun gemeente op het terrein van de maatschappelijke ondersteuning te beoordelen en deze te vergelijken met de prestaties van andere gemeenten. De prestatiegegevens dienen dan ook vergelijkbaar te zijn. Ten aanzien van het tevredenheidsonderzoek bepaalt het eerste lid, onderdeel a, van artikel 9 van de Wmo dat die wordt gehouden volgens een methode die na overleg met representatieve organisaties op het gebied van maatschappelijke ondersteuning tot stand is gekomen. Voor het overige stelt de Minister van VWS met de onderhavige regeling vast om welke gegevens het gaat. Het staat de gemeenten vanzelfsprekend vrij om indien gewenst aanvullende gegevens te publiceren ten behoeve van de informatievoorziening van de gemeente aan de burgers.
     Gemeenten kunnen desgewenst voor de verstrekking van de aangewezen gegevens aan de Minister van VWS of aan de door de minister aan te wijzen instelling gebruikmaken van de vragenlijst die opgenomen is in de "Gereedschapskist Wmo", zie www.invoeringwmo.nl.
     Over onderdeel l het volgende. In het Besluit maatschappelijke ondersteuning is in artikel 4.1 opgenomen hoe de gemeenten de eigen bijdrage kunnen berekenen. In dit besluit zijn de variabelen bij deze berekening gemaximeerd. De gemeenten hebben de mogelijkheid om de eigen bijdrage lager vast te stellen, door één of meer variabelen in de berekening te wijzigen ten opzichte van het maximum in het Besluit maatschappelijke ondersteuning. De uitkomsten die hierdoor kunnen ontstaan, zijn divers. Burgers kunnen de gemeenten moeilijk beoordelen op het beleid ten aanzien van de eigen bijdrage als er uitsluitend inzicht is in deze uiteenlopende uitkomsten. Het gemeentelijke beleid kan beter worden beoordeeld als de variabelen bij het bepalen van de eigen bijdrage inzichtelijk zijn. Vandaar dat in onderdeel l wordt gevraagd naar de wijze waarop de gemeente het bedrag berekent dat als eigen bijdrage per persoon gevraagd wordt.
     Bij onderdeel r wordt gevraagd om achteraf een inschatting te maken van de uitgaven die in het voorgaande jaar bij de uitvoering van de Wmo zijn gemaakt. Er zijn geen richtlijnen op basis waarvan de gemeenten op uniforme wijze de begroting en verantwoording opstellen. Het is daardoor voor de hand liggend dat niet alle gemeenten de uitgaven op het terrein van maatschappelijke ondersteuning onderscheidend begroten en verantwoorden. De vraag naar de precieze uitgaven in het kader van de uitvoering van de Wmo in het voorgaande jaar zou derhalve een grote administratieve last bij gemeenten neerleggen. Vandaar dat in onderdeel r aan gemeenten wordt gevraagd om achteraf een inschatting te geven van de jaarlijkse uitgaven aan de uitvoering van de Wmo. Hiermee wordt bereikt dat burgers op hoofdlijnen inzicht krijgen in de gemeentelijke uitgaven aan de Wmo.

 

§ 4. Registreren van werkzaamheden


     De huidige Registratieregeling verslavingsbeleid en Registratieregeling maatschappelijke opvang en vrouwenopvang zijn gebaseerd op de Welzijnswet 1994. De Welzijnswet 1994 wordt met ingang van 1 januari 2007 ingetrokken, dus komen de genoemde registratieregelingen met ingang van 1 januari 2007 te vervallen. In paragraaf 4 van de onderhavige regeling worden de bepalingen betreffende het registreren van werkzaamheden, nu gebaseerd op het vierde lid van artikel 20 van de Wmo, opnieuw vastgesteld.

 

Artikel 4

     Sinds 2005 bestaat een registratieplicht voor instellingen in de maatschappelijke opvang en vrouwenopvang.
     De gegevens, bedoeld in artikel 4, eerste lid, hebben betrekking op de cliënt of zijn aan de cliënt gekoppeld. De bron voor deze gegevens vormt het registratiesysteem van de instelling. Dat geldt niet voor de gegevens, bedoeld in het tweede lid van artikel 4. Die worden door middel van een jaarlijkse enquête of een aanvullend onderzoek verzameld.
     De te registreren demografische gegevens, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, moeten per instelling inzicht geven in de omvang van zowel de bereikte populatie als specifieke doelgroepen die opgevangen worden, zoals bijvoorbeeld zwerfjongeren. De te registreren verblijfsgegevens, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b en c, moeten per instelling inzicht geven in de verblijfsduur, geconstateerde problematiek van de cliënten bij intake en de nog aanwezige problemen aan het einde van het dienstenaanbod, de contacten met hulpverleningsinstellingen die de cliënt voordien heeft gehad en eventuele eerdere contacten met politie en justitie en de mate waarin het doel van het verblijf bereikt is. Het cliëntregistratiesysteem dat de instelling hanteert, zal de gegevens moeten opleveren. De probleemgegevens hebben betrekking op huisvesting, relaties, financiën, dagelijkse activiteiten en functioneren, justitie en veiligheidskwesties, lichamelijk functioneren, psychische functioneren en verslaving. Het registreren van zorgbehoeften moet inzicht geven in de mate waarin een cliënt last heeft van problemen en in hoeverre hulp noodzakelijk is. Het zorggebruik ooit heeft betrekking op de soort voorziening waar de cliënt eerder hulp kreeg. Het zorggebruik actueel betreft de instanties waarmee de cliënt contact heeft gedurende het dienstenaanbod van de maatschappelijke opvang.
     De gegevens, genoemd in artikel 4, tweede lid, hebben betrekking op het aantal plaatsen per instelling (capaciteit), het aantal bezette plaatsen (bezettingspercentage) en het aantal cliëntcontacten.
     In 2007 zal overgegaan worden tot volledige registratie van artikel 4. Dit gebeurt op basis van de uitkomsten van een pilot. Dit kan leiden tot een wijziging van de in artikel 4 genoemde gegevens.
     Per 1 januari 2007 kan een specifieke uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, van de Wmo ook worden verleend ten behoeve van beleid op het terrein van openbare geestelijke gezondheidszorg (OGGZ). Daardoor worden centrumgemeenten beter in staat gesteld activiteiten te organiseren op het gebied van toeleiding naar de zorg. Daarbij gaat het om een pakket van activiteiten, te weten het signaleren, opsporen en melden, het contact leggen, contact houden en het toeleiden zelf én de ongevraagde nazorg. Daarom wordt de OGGZ niet in de regeling opgenomen. Er is op dit moment voor gekozen geen aparte registratiesystematiek te ontwikkelen voor deze activiteiten. In de eerste plaats omdat de huidige regeling, gelet op de overlap tussen de doelgroepen uit de OGGZ en de maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid, ook voor de OGGZ voldoende inzicht biedt. In de tweede plaats omdat naar verwachting alle centrumgemeenten in 2008 een plan van aanpak hebben opgesteld waarin de meeste activiteiten voor deze doelgroep worden gemonitord. Een apart registratiesysteem voor de OGGZ biedt daarom te weinig meerwaarde afgezet tegen de administratieve lastenverzwaring.

 

Artikel 5

     Het in artikel 5 genoemde Handboek Registratie Maatschappelijke Opvang bevat richtlijnen omtrent de te registreren gegevens - het betreft een uitwerking van de in de toelichting van deze regeling genoemde begrippen - en de wijze waarop deze geregistreerd dienen te worden. De basis van de te registreren gegevens vormen de Lijst van kernindicatoren en de Centrale gegevensset, waarover het ministerie van VWS, het Trimbos-instituut, Prismant en de Federatie Opvang overeenstemming hebben bereikt in de begeleidingscommissie Monitor Maatschappelijke Opvang.
     Het handboek bevat welke gegevens minimaal verzameld moeten worden voor de ambulante voorzieningen voor maatschappelijke opvang en vrouwenopvang, zoals de dag- en nachtopvang.

 

Artikel 6

     Sinds 1998 bestaat een registratieplicht voor instellingen in de (ambulante) verslavingszorg. Ten behoeve van de vormgeving van het nationale verslavingsbeleid is het noodzakelijk en wenselijk dat de instellingen voor verslavingszorg deelnemen aan de uniforme nationale informatievoorziening en gegevens vastleggen met betrekking tot de hulpvraag van personen die zij behandelen of begeleiden.
     Het kunnen beschikken over dergelijke gegevens op nationaal niveau is tevens noodzakelijk voor Nederlandse deelname aan het European Centre of Drugs and Drug Addiction (EMCDDA).
     In het kader van artikel 8 van de Verordening (EG) nr. 302/93 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 8 februari 1993 tot oprichting van het EMCDDA (PbEG L 36) heeft Nederland zich daartoe verplicht.
     Verder wordt op die wijze bereikt dat informatie beschikbaar komt die het mogelijk maakt periodiek verslag te doen van de wijze waarop door Nederland inhoud wordt gegeven aan de verplichting van de adequate preventie- en hulpverleningsmaatregelen in het kader van diverse verdragen van de Verenigde Naties.
     De gegevens over de cliënt en de zorg die aan hem wordt verleend, betreffen allereerst demografische gegevens (onderdeel a), waaronder ook sociale omstandigheden vallen. Daarnaast worden ook diagnostische gegevens vastgelegd (onderdeel b). Het betreft hier onder meer gegevens met betrekking tot de ernst van de verslavingsproblematiek, de gezondheidsproblemen daaruit voortvloeiend of daarmee in verband staand en de frequentie van het middelengebruik. Bij de wijze van aanmelden moet gedacht worden aan het aanmelden door de verslaafde zelf of door toedoen van gezondheidszorginstellingen dan wel door justitiële instanties.
     De behandelgegevens (onderdeel c) die worden geregistreerd richten zich zowel op de duur, het doel, de aard als de omvang van de behandeling.
     De evaluatiegegevens van de behandeling vormen het sluitstuk van de registratieplicht.
     De gegevens worden geregistreerd overeenkomstig de specificaties van het Landelijk Alcohol- en Drugsinformatiesysteem (LADIS). Deze specificaties worden slechts na consultatie van de betrokken instanties gewijzigd en vastgesteld door de Minister van VWS.
     Instellingen voor ambulante verslavingszorg sturen de gegevens over cliënten geanonimiseerd toe aan de landelijke Stichting Databeheer Zorg, die de gegevens verzamelt en bewerkt.
     De gegevens die verstrekt worden aan de Stichting Databeheer Zorg worden tijdens de verzending vanuit de instelling via moderne technieken zodanig versleuteld dat deze niet meer zijn te herleiden tot individuele personen. Zij komen dus geanonimiseerd in de landelijke gegevensverzameling aan en zijn derhalve geen persoonsgegevens meer in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens.

 

§ 5. Wijziging van andere regelingen


     De Welzijnswet 1994 en de Wvg worden met ingang van 1 januari 2007 (datum van inwerkingtreding van de Wmo) ingetrokken. In verband hiermede dienen regelingen waarin wordt verwezen naar beide of één van beide wetten te worden gewijzigd. In artikel 7 wordt een regeling gewijzigd waarin wordt verweven naar de Welzijnswet 1994.

 

Artikel 7

     Het huidige artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Regeling OCW dagarrangementen en combinatiefuncties verwijst naar definities uit de Welzijnswet 1994. De onderhavige wijziging zorgt ervoor dat deze definities in de Regeling OCW dagarrangementen en combinatiefuncties blijven gelden ook na de intrekking van de Welzijnswet 1994.
     De datum 1 maart 2006 is de datum tot waarop de Regeling OCW dagarrangementen en combinatiefuncties terugwerkt.
     Naast de regeling die in artikel 7 wordt gewijzigd, zijn er nog twee regelingen die vóór 1 januari a.s. gewijzigd dienen te worden. In artikel 3, eerste lid, van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart wordt verwezen naar de Wvg. In de lijst behorende bij onderdeel 2 van bijlage 1 bij de artikelen 46, eerste lid, en 49, eerste lid, van de Regeling gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens wordt in de onderdelen j en m verwezen naar de Welzijnswet 1994. De wijzigingen van die regelingen zullen de ministeries van Verkeer en Waterstaat en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zelf uitvoeren.

 

§ 6. Slotbepalingen


Artikel 8

     Dit artikel bepaalt dat deze regeling met ingang van 1 januari 2007 in werking treedt. Dit is ook de datum van inwerkingtreding van de Wmo.

 

Artikel 9

     Met deze bepaling wordt de citeertitel van de onderhavige regeling vastgesteld, namelijk Regeling maatschappelijke ondersteuning.

 

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
C.I.J.M. Ross-van Dorp
.