Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 

KAMERSTUKKEN

 

WET  SOCIALEZEKERHEIDSRECHTEN  GEDETINEERDEN

 

 

 

rblz.|1| 

Kamerstukken II 1997-1998, 26 063

Wijziging van de Ziektewet en enkele andere wetten in verband met het uitsluiten van het recht op een socialeverzekeringsuitkering bij vrijheidsontneming en het openstellen van socialezekerheidsregelingen in die gevallen waarin de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel buiten een justitiŽle inrichting plaatsvindt (Wet socialezekerheidsrechten gedetineerden)

 

 

Nr.r3 MEMORIE  VAN  TOELICHTING

 

Inhoudsopgave

xAlgemeen
x Inleiding
I Uitsluiten van het recht op socialeverzekeringsuitkering bij detentie
1 Inhoud en geschiedenis van de huidige regelgeving
2 Interdepartementale werkgroep uitkering en detentie
3 Preadvies Raad van State
4 De rechtsgrondslag van de regeling
5 Reikwijdte van de regeling
6 Vormgeving van de regeling
7 Uitsluitingscriterium "rechtens zijn vrijheid ontnomen"
8 Toekenning en heropening van de uitkering na einde detentie
9 Ingangsdatum en overgangsrecht
10 Handhaving
11 Uitstralingseffecten naar gezinsinkomen
12 Ziekenfondsverzekering
13 Internationale aspecten
14 Gevraagde en ontvangen adviezen
15 Raming van de financiŽle effecten
II Het openstellen van socialezekerheidsregelingen voor personen die rechtens hun vrijheid is ontnomen in die gevallen waarin de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel buiten een penitentiaire inrichting plaatsvindt
1 Het buiten toepassing laten van de uitsluitingsgrond
2 Gevolgen voor de uitvoering
3 Raming van de financiŽle effecten
xArtikelsgewijs
xxt Artikelen I t/m XVIII
 

 

 

Algemeen

 

Inleiding


     In de afgelopen jaren heeft het vraagstuk van het recht op een socialeverzekeringsuitkeringen tijdens detentie herhaaldelijk de aandacht gekregen. Het vraagstuk kwam in de zomer van 1996 opnieuw in de belangstelling, mede naar aanleiding van vragen van het Tweede-Kamerlid Soutendijk-van Apeldoorn (Kamervragen II 1995-1996, nr. 1605). De regering heeft naar aanleiding van deze en andere signalen besloten voorrang te geven aan een algemene oplossing van deze problematiek. De voornaamste overweging daarbij is dat het ongewenst is dat personen die rechtens van hun vrijheid zijn beroofd socialezekerheidsuitkeringen tijdens hun vrijheidsbeneming blijven ontvangen, terwijl in hun levensonderhoud wordt voorzien door de Staat. Dit geldt des te sterker nu door de gemeenschap daarnaast uitgaven moeten worden gedaan om een penitentiair- en rechtshandhavingssysteem in stand te houden.

     Het onderhavige wetsvoorstel heeft een tweeledig karakter. Enerzijds wordt met het voorstel beoogd geen verstrekking te doen plaatsvinden van socialeverzekeringsuitkeringen bij wettelijke vrijheidsberoving, waar dit thans nog wel het geval is. Anderzijds zal ten aanzien van bijzondere detentievormen met een resocialiserend karakter een uitzondering worden gemaakt op de (nieuwe) bepaling dat aan personen die rechtens hun vrijheid is ontnomen geen uitkering krachtens de sociale zekerheid wordt verleend. In verband met deze tweedeling is in onderdeel I van deze memorie de uitsluiting van het recht op socialeverzekeringsuitkering toegelicht. Vervolgens wordt de (hernieuwde) toekenning van de uitkeringen in geval van bijzondere detentievormen in onderdeel II toegelicht.

rblz.|2| 

I. Uitsluiten van het recht op socialeverzekeringsuitkering bij detentie


1. Inhoud en geschiedenis van de huidige regelgeving


     In het huidige stelsel van sociale verzekeringen wordt in een aantal wetten het recht op uitkering voortgezet tijdens de vrijheidsbeneming, terwijl in een aantal andere wetten de uitkering tijdens de vrijheidsbeneming wordt beŽindigd. BeŽindiging heeft plaats, hetzij omdat dit voortvloeit uit de uitkeringsvoorwaarden van de desbetreffende wet, hetzij omdat de vrijheidsbeneming op grond van een in de wet zelf opgenomen bepaling daartoe leidt. Het ontstaan van deze verschillen kan ten dele worden verklaard vanuit de historisch-maatschappelijke context waarbinnen de regelingen tot stand zijn gekomen.

     De vraag of het recht op een socialeverzekeringsuitkering tijdens detentie kan ontstaan of kan worden voortgezet, kent een lange geschiedenis. Al aan het begin van deze eeuw kwam, bij de totstandkoming van de Ziektewet (ZW), deze vraag aan de orde. Bij de parlementaire behandeling vormden zowel het infame karakter van detentie als de omstandigheid dat de Staat, op grond van artikel 35 Wetboek van Strafrecht (Sr), in de onderhoudskosten voorziet, aanleiding om een weigeringsgrond in de ZW op te nemen. Toen in de jaren zestig en zeventig de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) tot stand kwamen, werd aan voornoemde omstandigheden geen doorslaggevende betekenis toegekend (inwerkingtreding van deze wetten vond plaats in respectievelijk 1967 en 1976). Destijds werd meer de nadruk gelegd op de verzekeringsgedachte. Bij de Algemene Ouderdomswet (AOW), de Algemene nabestaandenwet (Anw) en de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) is veelal sprake van langdurige uitkeringen, en ook deze worden tijdens detentie voortgezet.

     Sedert respectievelijk 1987 en 1996 zijn degenen die rechtens hun vrijheid is ontnomen in de Werkloosheidswet (WW), en de Algemene bijstandswet (Abw), uitdrukkelijk van het recht op uitkering uitgesloten, terwijl de uitkeringsvoorwaarden van

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | Wsg | sz-wetten | overige wetten | zoeken

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x