Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Wet voorzieningen gehandicapten
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 31 december 2006

 

REGELING  SOCIAAL  VERVOER  AWBZ-INSTELLINGEN

Vervallen
m.i.v. 1 januari 2007
(art. 40 Wmo)

 
 

13 november 1995, Stcrt. 1995, 226
Inwerkingtreding: 1 januari 1996
(T.a.v. art. 2:3 Wvg)

 

 

 

 
13 november 1995/nr. BZ/UK/95/3914

     De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
     Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
     Gelet op artikel 2, derde lid, van de Wet voorzieningen gehandicapten;

     Besluit:

 

 

Art. 1.
-1. Het gemeentebestuur draagt zorg voor de verlening van vervoersvoorzieningen aan gehandicapten die verblijven in een instelling als bedoeld in artikel 5 van de Wet toelating zorginstellingen die zorg verleent waarop aanspraak bestaat ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.


-2. Het gemeentebestuur draagt zorg voor de verlening van rolstoelen aan verzekerden die verblijven in een instelling als bedoeld in het eerste lid en die geen recht hebben op verstrekking van een rolstoel ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.

 

Art. 2.
De Regeling afbakening Wvg/AWBZ wordt ingetrokken.

 

Art. 3.
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1996.

 

Art. 4.
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling sociaal vervoer AWBZ-instellingen.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

ís-Gravenhage, 13 november 1995.
De Minister voornoemd,
A.P.W. Melkert
.

 

 

 

TOELICHTING
[13 november 1995]

 

Algemeen


     De Regeling sociaal vervoer AWBZ-instellingen vervangt de Regeling afbakening Wvg/AWBZ.
     De vervoersvoorzieningen in AWBZ-instellingen zijn tijdens de parlementaire behandeling van de Wvg meerdere malen aan de orde geweest. Daarbij is het besluit steeds gehandhaafd om alleen de gezinsvervangende tehuizen, de regionale instellingen voor beschermd wonen en de vier grote woonvormen voor een deel onder de werking van de Wvg te brengen. Voor zover toen bekend was, bestond alleen in deze instellingen een vaste uitvoeringspraktijk met betrekking tot het verstrekken van vervoersvergoedingen. In de gedachtegang destijds heeft met name centraal gestaan dat een algemene verplichting tot het verstrekken van vervoersvergoedingen in de AAW voor bewoners van AWBZ-instellingen nooit heeft bestaan en dat met de Wvg niet is beoogd uitbreiding te geven aan de AAW-praktijk. Het werd verdedigbaar geacht dat bewoners van andere AWBZ-instellingen (onder andere sociowoningen en zwakzinnigeninrichtingen) het incidentele sociaal vervoer zelf betalen uit het zak- en kleedgeld. De bewoners van de overige AWBZ-instellingen heeft men slechts voor een overgangsperiode tot 1 januari 1996 onder de Wvg gebracht, althans voor zover zij eerder recht hadden op een vervoersvoorziening op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), de Algemene burgerlijke pensioenwet (Abp) of de Algemene militaire pensioenwet (Amp).
     Anders dan in de Regeling afbakening Wvg/AWBZ het geval was, is het thans niet meer zo dat, om tot de Wvg te worden toegelaten, eerder op basis van de AAW, Abp of Amp een financiŽle tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van een vervoermiddel moet zijn verleend.
     Uit de vele brieven die zijn binnengekomen bij de ministeries van SZW en VWS en de signalen bij het Landelijk Meldpunt van de Gehandicaptenraad [zie Chronisch zieken en Gehandicapten Raad Nederland, red.] blijkt dat er vanuit de AAW sprake is geweest van een bredere uitvoeringspraktijk dan bij de parlementaire behandeling werd verondersteld. Inmiddels is in het kader van de Wvg een rechtelijke uitspraak gedaan (gemeente Monster) die consequenties heeft voor meerdere gemeenten. Het kabinet heeft het noodzakelijk geacht een voorziening te treffen voor bewoners van AWBZ-instellingen met een zelfstandige vervoersbehoefte. Omdat op 1 januari 1996 de overgangsregeling voor bewoners van AWBZ-instellingen (artikel 3 van de Regeling afbakening Wvg/AWBZ) eindigt, wordt per 1 januari 1996 het betreffende vervoer in het kader van de Wvg geregeld. Met de onderhavige regeling wordt gehandicapten in AWBZ-instellingen een structurele voorziening geboden ter bestrijding van de uitgaven voor sociaal vervoer. Hiertoe is voor twee jaar de Tijdelijke bijdrageregeling AWBZ-gemeenten gemaakt van het ministerie van SZW, waarbij gemeenten die ťťn of meer AWBZ-instellingen binnen hun grenzen hebben een nader gedefinieerd bedrag per AWBZ-bewoner krijgen. Om dit juridisch mogelijk te maken, is de Regeling afbakening Wvg/AWBZ ingetrokken en vervangen door de Regeling sociaal vervoer AWBZ-instellingen.
     Voor de definitieve vormgeving van de regeling zal worden onderzocht of er mogelijkheden zijn voor een structurele integratie van de middelen in het gemeentefonds in het kader van de Wvg. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de resultaten van de tweede evaluatie van de Wvg in 1997 [zie Wet van 22 december 1999 tot wijziging van de Wet voorzieningen gehandicapten in verband met de tweede evaluatie van die wet (Stb. 1999, 598), red.].

 

Gemeentelijke verantwoordelijkheden


     De gemeenten worden derhalve verantwoordelijk voor de vervoersvoorzieningen voor gehandicapten in AWBZ-instellingen volgens de criteria van de Wvg, dat wil zeggen vervoer voor het leven van alledag. De gemeenten moeten ook hier verantwoorde vervoersvoorzieningen verlenen. Daaronder wordt verstaan vervoersvoorzieningen die doeltreffend, doelmatig en cliŽntgericht worden verleend. Evenals dat bij thuiswonende gehandicapten het geval is, kunnen gehandicapten in AWBZ-instellingen een tegemoetkoming voor het leefvervoer (boodschappen doen, bezoek aan verenigingen, familie, enz.) krijgen.
     Bij de Regeling sociaal vervoer AWBZ-instellingen gaat het om vervoersvoorzieningen voor gehandicapten met een zelfstandige vervoersbehoefte. Het betreft verschillende soorten vervoersvoorziening en met name taxikostenvergoedingen en collectief vervoer. In incidentele gevallen kunnen de vervoersvoorzieningen ook open of gesloten buitenwagens, aangepaste fietsen, etc. betreffen. Dit zal echter minder vaak voorkomen dan bij zelfstandig wonende gehandicapten, omdat een groot deel van het leven van alledag van deze gehandicapte in de AWBZ-instelling plaatsvindt. Dit is mede afhankelijk van het soort instelling.
     De uitbreiding van de doelgroep vindt plaats op het tijdstip waarop artikel 24 van de Wvg, waarin is bepaald dat aan personen die eerder een tegemoetkoming op grond van de AAW, Abp of Amp hadden, desgevraagd over de jaren 1994 en 1995 door het gemeentebestuur een financiŽle tegemoetkoming moet worden verleend, zijn materiŽle werking verliest. De gemeenten krijgen derhalve met ingang van 1 januari 1996 meer vrijheid om voor die gehandicapten de noodzaak en de vorm van de vervoersvoorziening te bepalen.

 

Afbakening met de AWBZ


     De aanspraken van gehandicapten in de AWBZ-instellingen zijn geregeld in het Besluit zorgaanspraken bijzondere ziektekostenverzekering [zie Besluit zorgaanspraken AWBZ, red.] en de daarop gebaseerde Regeling nadere regels zorgaanspraken AWBZ. Daarbij moet onderscheid gemaakt worden tussen verschillende vervoerssoorten:
1. Vervoer dat past in de behandeling/therapie (bijvoorbeeld een opgenomen psychiatrisch patiŽnt die onder begeleiding weer moet leren zich in de samenleving te bewegen) behoort tot de intramurale AWBZ-verstrekking en wordt vanuit de AWBZ vergoed.
     Ook het vervoer naar dagbehandeling in verpleeghuizen en dagopvang in verzorgingshuizen - onder meer in het kader van substitutieprojecten - wordt door de instelling georganiseerd en vanuit het instellingsbudget vergoed.
2. Vanuit het (instellings)budget en uit eventuele eigen betalingen van de bewoners van AWBZ-instellingen wordt het vervoer voor de door de instelling georganiseerde recreatieve activiteiten bekostigd.
3. Het vervoer dat noodzakelijk is voor de opname in de instelling en bij ontslag uit de instelling, valt voor ziekenfondsverzekerden onder het Besluit ziekenvervoer ziekenfondsverzekering 1980.
     Hiervoor geldt een eigen bijdrage van É141,50 per jaar per 1 januari 1996.
     Het vervoer van bewoners in AWBZ-instellingen die vanuit de instelling voor een behandeling naar een ziekenhuis of therapeut moeten (inclusief ambulancevervoer), wordt eveneens uit hoofde van het Besluit ziekenvervoer ziekenfondsverzekering 1980 bekostigd. Hiervoor geldt geen eigenbijdrageregeling.
4. Voor sommige bewoners van AWBZ-instellingen die de inkomensafhankelijke eigen bijdrage voor intramurale zorg AWBZ zijn verschuldigd, kunnen de kosten voor vervoer een aftrekpost vormen bij de inkomensvaststelling voor deze eigen bijdrage. Het betreft hier aftrekbare revalidatiekosten; dit zijn de kosten van vervoer van en naar de instelling en de eigen woonruimte indien deze kosten moeten worden gemaakt in verband met weekendverlof of vergelijkbaar verlof in de eigen woonruimte.
5. De rolstoelen in de daarvoor in aanmerking komende AWBZ-instellingen worden uit het AWBZ-budget betaald. Het betreft hier een voor de gehandicapte individueel aangepaste rolstoel voor gebruik in en om de instelling. Deze individueel aangepaste rolstoel wordt niet in eigendom aan de verzekerde verstrekt, doch is eigendom van de AWBZ-instelling waar de verzekerde verblijft.
     Bepaald is dat de verzekerde aan wie een dergelijke rolstoel is verstrekt, bij het ontslag uit de inrichting in de gelegenheid wordt gesteld de rolstoel te kopen tegen aanschafprijs (inclusief de kosten van de aangebrachte aanpassingen), verminderd met de daarop verrichte afschrijvingen.
     In het kader van de Wvg kan worden afgesproken dat bij ontslag van de gehandicapte uit de AWBZ-instelling de gemeente de rolstoel overneemt van de AWBZ-instelling.
     Vervoer voor het zelfstandig onderhouden van sociale contacten wordt niet vanuit de AWBZ verstrekt. Het is niet mogelijk het sociaal vervoer voor bewoners van AWBZ-instellingen in het kader van de AWBZ te regelen, omdat de AWBZ alleen voorziet in zorg voor onverzekerbare risicoís.

 

Evaluatie


     De zorgplicht van gemeenten voor sociaal vervoer in AWBZ-instellingen wordt bij de bestaande evaluatie meegenomen in 1996 en 1999. Daartoe zal het evaluatieonderzoek Wvg met enkele vragen worden aangepast. De gegevensverzameling vindt plaats door de onderzoeksinstituten SGBO en Ipso Facto.

 

Artikel 1


     Het eerste lid van dit artikel geeft aan welke instellingen onder de gemeentelijke zorgplicht voor vervoersvoorzieningen vallen. De hier gebruikte aanduidingen hebben dezelfde betekenis als in het Besluit zorgaanspraken bijzondere ziektekostenverzekering.
     In het tweede lid van dit artikel wordt, evenals dat onder de oude Regeling afbakening Wvg/AWBZ het geval was, de verstrekking van rolstoelen aan gehandicapten die verblijven in een gezinsvervangend tehuis of een regionale instelling voor beschermd wonen onder de gemeentelijke zorgplicht gebracht.

 

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | Wvg | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x