Geschiedenis van deze regeling:

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht t/m Betreft Bekendmaking regeling Bekendmaking inwerkingtreding
01-01-2018
  Intrekking Stcrt. 2017, 4882 Stcrt. 2017, 4882
01-02-2017
01-01-2017 Nieuwe regeling Stcrt. 2017, 4882 Stcrt. 2017, 4882

 

 

REGELING van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 januari 2017, 2016-0000246918, tot vaststelling van de aantallen beschut werk voor het jaar 2017

     De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
     Gelet op artikel 10b, vierde lid, van de Participatiewet;

     Besluit:

 

 

Art. 1.
Het aantal ten minste te realiseren dienstbetrekkingen, bedoeld in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet, wordt voor het jaar 2017 vastgesteld op het in de bijlage bij deze regeling bepaalde aantal per gemeente.

 

Art. 2.
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2017 en vervalt met ingang van 1 januari 2018.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting en de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.

 

Den Haag, 23 januari 2017
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J. Klijnsma

 

 

 

BIJLAGE

Aantallen beschut werk ultimo 2017

 

Voor de bijlage zie Staatscourant 2017, 4882, red.

 

 

 

TOELICHTING
[23 januari 2017]

 

     Met inwerkingtreding per 1 januari 2017 van de Wet van 14 december 2016 tot wijziging van de Participatiewet en enkele andere wetten in verband met het verplichten van beschut werk en met betrekking tot het quotum van arbeidsbeperkten en het openstellen van de Praktijkroute (Stb. 2016, 519) is het voor gemeenten verplicht om de voorziening beschut werk aan te bieden aan personen die daarop zijn aangewezen. Daarnaast hebben burgers de mogelijkheid gekregen om zelf - zonder tussenkomst van het college - een advies beschut werk aan te vragen bij het UWV. Aanleiding voor het verplichten van gemeenten om beschut werkplekken te realiseren, is dat het aantal gerealiseerde beschutwerkplekken vanaf 1 januari 2015 achterblijft bij de verwachtingen. Uit onderzoek van de Inspectie SZW in het voorjaar 2016 is naar voren gekomen dat ruim een kwart van de gemeenten de voorziening beschut werk niet aanbiedt en gemeenten die beschut werk wel aanbieden, tot en met april 2016 slechts een klein aantal van het geraamde aantal beschutwerkplekken hebben gerealiseerd.
     In het vierde lid van het gewijzigde artikel 10b van de Participatiewet is opgenomen dat bij ministeriële regeling het aantal te realiseren beschutwerkplekken kan worden vastgesteld per gemeente. Deze aantallen zullen in 2048 bij elkaar opgeteld overeenkomen met de aantallen in de raming en daarmee de financiering vanuit het Rijk.


Aantal beschutwerkplekken

     Het Rijk heeft via de integratie-uitkering sociaal domein aan gemeenten financiële middelen beschikbaar gesteld voor de begeleiding van de nieuwe doelgroep naar beschut werk. De colleges moeten in een jaar, zover de behoefte daartoe bestaat (de behoefte wordt bepaald door het aantal door het UWV afgegeven positieve adviezen), ten minste het aantal beschutwerkplekken realiseren als vastgelegd in deze ministeriële regeling. Bij de totstandkoming van de Participatiewet zijn middelen aan gemeenten beschikbaar gesteld oplopend tot structureel ruim 30 000 beschutwerkplekken tegen een gemiddeld dienstverband van 31 uur per week in 2048. Dit betekent dat gemeenten evenredig meer moeten realiseren bij dienstverbanden van minder dan 31 uur per week en evenredig minder behoeven te realiseren bij dienstverbanden van meer dan 31 uur. Rekening houdend met een ingroeipad van vijf jaar, waarin de niet-gerealiseerde aantallen beschut werk over 2015 en 2016 (in totaal 3000) worden ingehaald, gaat het om de volgende jaargemiddelden en standen op het eind van het jaar:

Aantallen 2017 2018 2019 2020 2021
Jaargemiddelde financiering 4200 5800 6800 7600 8400
Ultimostand financiering 5000 6500 7200 8000 8800
Ultimostand nieuw 2600 4600 6000 7400 8800
Nieuw jaargemiddelde 1400 3600 5300 6700 8100
Jaarlijks te creëren plekken 2400 2000 1400 1400 1400

     De reeks "jaargemiddelde financiering" betreft de gemiddelde aantallen per jaar waar de financiering op gebaseerd is. De reeks "ultimostand financiering" betreft de plekken die op basis van de financiering gecreëerd hadden kunnen worden (voor een plek die gedurende een jaar gecreëerd wordt, is niet een heel jaar financiering benodigd, vandaar dat op basis van gemiddelde volumestanden gefinancierd wordt). In de reeks "ultimostand nieuw" wordt de achterstand van circa 3000 plekken gespreid over de periode 2017-2021 ingelopen (in 2021 dezelfde ultimostand als waarvoor financiële middelen worden verstrekt). Doordat de nieuwe jaargemiddelden in de reeks daaronder lager zijn, hebben gemeenten een financieel voordeel binnen de integratie-uitkering sociaal domein.

     Het aantal beschutwerkplekken dat gemeenten op grond van artikel 10b van de Participatiewet en deze regeling verplicht zijn te realiseren, is gekoppeld aan het met gemeenten afgesproken ingroeipad (zie bovenstaande tabel). Gemeenten worden niet verplicht om meer beschut werkplekken te realiseren dan het in deze ministeriële regeling vastgelegde aantal. Als de behoefte lager is, hoeven ze minder plekken te realiseren en kunnen ze de middelen die zij voor beschut werk hebben ontvangen, inzetten voor andere doeleinden. Uiteraard kunnen gemeenten beslissen om bij een hogere behoefte extra middelen voor beschut werk in te zetten, maar ze zijn daartoe niet verplicht.

     Het is voor de gemeenteraad niet langer mogelijk om bij verordening te besluiten dat beschut werk niet wordt aangeboden. De verplichting voor het college om in een jaar beschut werk aan te bieden, wordt gerelateerd aan de behoefte daartoe.
     Als er personen zijn die een positief advies beschut werk hebben maar in een gemeente wonen waarin het aantal verplichte beschutwerkplekken al is gerealiseerd, betekent dat bovendien niet dat de gemeente niet meer verantwoordelijk is voor de betreffende persoon. De gemeenteraad moet in zijn verordening aangeven hoe voorzieningen worden ingezet voor die personen voor wie nog geen beschutwerkplek beschikbaar is tot het moment dat er een beschutwerkplek beschikbaar komt.

     Elke gemeente blijft zelf verantwoordelijk voor het realiseren van het wettelijk voorgeschreven aantal plekken, aansluitend op de behoefte. De verplichting wordt dus per gemeente opgelegd. Het staat gemeenten vrij om in de regio afspraken te maken over het overdragen van (een deel van) het budget. Zo kunnen gemeenteraden en colleges er bijvoorbeeld voor kiezen de budgetten voor beschut werk te bundelen en onder te brengen bij één uitvoeringsorganisatie onder gezamenlijke aansturing.

     Het kabinet vertrouwt op de professionaliteit en deskundigheid van gemeenten dat zij in staat zijn om voor personen die een positief advies beschut werk hebben een geschikte werkplek te vinden. Zij kunnen daar bijvoorbeeld ook de expertise van SW-bedrijven [socialewerkvoorzieningsbedrijven, red.] voor benutten. Als het college zelf iemand bij het UWV aanmeldt voor een advies beschut werk, zal het college in de meeste gevallen al een geschikte werkplek voor de betreffende persoon op het oog hebben. Als een persoon zelf een advies bij het UWV aanvraagt, informeert het UWV de betreffende gemeente. Op die manier wordt de gemeente in de gelegenheid gesteld om een geschikte werkplek voor de betreffende persoon te vinden.


Verdeling aantallen beschut werk

     De verdeling van de aantallen beschut werk onder gemeenten is zoals aangegeven, gekoppeld aan een ingroeipad van vijf jaar. De verdeling van de financiële middelen, die via de integratie-uitkering sociaal domein aan gemeenten beschikbaar zijn gesteld voor de begeleiding van de nieuwe doelgroep naar beschut werk, is gebaseerd op de oorspronkelijke ramingen beschut werk zonder rekening te houden met het ingroeipad. Het financiële voordeel daarvan blijft bij de gemeenten.

     Het overzicht in de bijlage geeft inzicht in het aantal plekken ultimo 2017.
     Door afronding per gemeente op een geheel aantal plekken is de som van het aantal plekken niet geheel gelijk aan de landelijke ultimostanden.

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J. Klijnsma