Geschiedenis van deze beleidsregels:

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht t/m Betreft Bekendmaking regeling Bekendmaking inwerkingtreding
14-08-2008 01-08-2008 Intrekking Stcrt. 2008, 154 Stcrt. 2008, 154
06-07-2005 01-07-2005 Nieuwe regeling Stcrt. 2005, 126 Stcrt. 2005, 126

 

 

     Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

     Besluit:

 

 

Art. 1.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hanteert bij het beoordelen van cliënten voor het volgen van een scholing het protocol als weergegeven in de bijlage bij dit besluit.

 

Art. 2.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2005. Indien de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 29 juni 2005, treedt het in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt het terug tot en met 1 juli 2005.

 

Art. 3.
De Mededeling 97.099 "Arbeidsdeskundige standaard scholing" wordt ingetrokken.

 

Art. 4.
Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels Protocol Scholing.

 

 

     Dit besluit wordt met de toelichting en de bijlage in de Staatscourant geplaatst.

 

Amsterdam, 1 februari 2005.
J.M. Linthorst, voorzitter Raad van bestuur UWV
.

 

 

 

TOELICHTING
[1 februari 2005]

 

     Voor de beoordeling van cliënten voor het volgen van een scholing heeft het UWV in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in nauwe samenwerking met Borea [Brancheorganisatie Reïntegratiebedrijven, red.], Landelijke Cliëntenraad en de Rea-scholingsinstituten het protocol scholing ontwikkeld.

     Het protocol scholing bestaat uit drie onderdelen:
A. Het bepalen van de noodzakelijkheid van scholing.
B. Het toetsen van de scholing op basis van de regelgeving en de kosten-batenverhouding.
C. Het beoordelen van de schoolbaarheid van de uitkeringsgerechtigde.

 

Amsterdam, 1 februari 2005.
J.M. Linthorst, voorzitter Raad van bestuur UWV
.

 

 

 

BIJLAGE

Protocol Scholing

 

1. Definitie van scholing


     Voor het protocol wordt de volgende definitie van scholing gehanteerd: opleiding of scholing is het systematisch verwerven van arbeidsmarktrelevante kennis en/of vaardigheden voor de uitoefening, het behoud of het verkrijgen van een taak, functie of (zelfstandig) beroep onder begeleiding van daartoe aangestelde docenten. Het dient zowel voor het uitoefenen als het verkrijgen van een (deel)kwalificatie voor taak, functie of beroep.
     Het betreft dus kwalificerende scholing. Vaardigheidstrainingen vallen niet onder scholing.

 

2. Doelgroep van het protocol


     De doelgroep van het scholingsprotocol zijn in principe alle WW-, Wajong- en WAO-uitkeringsgerechtigden waarvan is vastgesteld dat een reïntegratietraject mogelijk is.
     Voordat het scholingsprotocol wordt toegepast, heeft de casemanager WW of de arbeidsdeskundige dus al vastgesteld of reïntegratie mogelijk is en of de uitkeringsgerechtigde gemotiveerd is voor het volgen van een reïntegratietraject. Blijkt de motivatie te ontbreken, dan moet vastgesteld worden of dit verwijtbaar is, dat wil zeggen aan de uitkeringsgerechtigde toegerekend kan worden.

 

3. Beoordeling op indicatoren


     Het protocol scholing bestaat uit drie onderdelen:
A. Het bepalen van de noodzakelijkheid van scholing.
B. Het toetsen van de scholing op basis van de regelgeving en de kosten-batenverhouding.
C. Het beoordelen van de schoolbaarheid van de uitkeringsgerechtigde.

     In onderdeel A wordt bepaald of scholing noodzakelijk is. De stappen die hierbij gezet moeten worden, zijn opgenomen in paragraaf 4. Eerst wordt gekeken of de uitkeringsgerechtigde terug kan naar het oude beroep zonder dan wel met scholing.
     Wanneer dat niet mogelijk is, wordt gekeken naar andere beroepen en of daarbij scholing noodzakelijk is. Bij de beroepen wordt telkens gekeken of er voldoende vraag naar is op de regionale arbeidsmarkt.
     Wanneer onderdeel A van het protocol is toegepast, zijn de volgende uitkomsten mogelijk:
- Er is geen scholing nodig.
- Scholing is noodzakelijk.
- Het UWV heeft extern advies nodig om de beroepskeuze van de uitkeringsgerechtigde te bepalen.
     Wanneer wordt vastgesteld dat scholing noodzakelijk is en welke scholing dat dan is, wordt onderdeel B van het protocol gevolgd. De te ondernemen stappen zijn beschreven in paragraaf 5. Hierin wordt getoetst of de benodigde scholing voldoet aan het wettelijk kader.¹ Verder wordt bekeken of de kosten van de scholing opwegen tegen de baten (schadelastbeperking). Wanneer één van deze twee vragen negatief wordt beantwoord, is een ander beroep de meest voor de hand liggende keuze; onderdeel A vanaf stap 3 of 4 moet weer worden doorlopen. Wanneer de twee vragen met ja worden beantwoord, is onderdeel C van het protocol aan de orde.
     In onderdeel C van het protocol wordt bepaald of de benodigde scholing haalbaar is voor de uitkeringsgerechtigde. De stappen die daarbij doorlopen moeten worden, zijn uitgewerkt in paragraaf 6. Dit onderdeel van het protocol resulteert in een vaststelling van de mate van schoolbaarheid van de uitkeringsgerechtigde en welke gevolgen dat heeft voor de mogelijke inzet van scholing: scholing is mogelijk, scholing met aanpassingen is mogelijk, alleen scholing door Rea-instituten is mogelijk of er is geen scholing mogelijk.

1. Het betreft de Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 25 augustus 2004, Directie Sociale Verzekeringen, nr. 04/57292, houdende vaststelling van regels over de noodzakelijke opleiding of scholing als bedoeld in artikel 76 Werkloosheidswet (Scholingsregeling WW).


Uitzonderingen

     In uitzonderingsgevallen kan worden afgeweken van het protocol. Dit moet wel gemotiveerd worden. Voor deze gevallen dient een second-opinionprocedure te worden opgesteld. Pas indien ook na een second opinion tot hetzelfde oordeel wordt gekomen, kan worden afgeweken van het protocol.

 

4. Onderdeel A: de beoordeling van noodzakelijkheid van scholing


     Aan de hand van de stappen 1 tot en met 5 kan worden vastgesteld of een uitkeringsgerechtigde scholing nodig heeft om via de kortste weg terug te kunnen keren op de arbeidsmarkt. Hieronder worden de stappen toegelicht.


Stap 1

     Uitgangspunt is de kortste weg naar werk. Als de uitkeringsgerechtigde in het oude beroep kan worden hergeplaatst zonder scholing, is dat de aangewezen weg. Er kan eventueel wel behoefte zijn aan sollicitatietraining of andere vaardigheidstrainingen. Voor arbeidsgehandicapten zijn eventueel aanpassingen aan de eigen werkplek nodig. In deze stap wordt ook getoetst of er voldoende vraag is naar het beroep op de regionale arbeidsmarkt. Wanneer dit niet het geval is, moet er naar alternatieve beroepen worden gekeken en volgt stap 3.


Stap 2

     In sommige gevallen zal de uitkeringsgerechtigde relevante arbeidsmarktervaring hebben, maar niet de benodigde diploma’s (bijvoorbeeld veiligheidsdiploma’s, specifieke computerprogramma’s, heftruckchauffeursdiploma). Scholing is dan aan de orde. Het verdient dus de voorkeur om iemand met scholing naar het oude beroep terug te geleiden boven begeleiding naar een ander beroep zonder scholing. Wel moet de keuze afgezet worden tegen de (on)mogelijkheden van de regionale arbeidsmarkt.
     In het geval van WAO-uitkeringsgerechtigde zal moeten worden bekeken of hij/zij teruggeplaatst kan worden bij de oude werkgever in een andere functie indien hij/zij niet meer in het oude beroep kan functioneren.


Stap 3

     Indien de uitkeringsgerechtigde niet terug kan in het oude beroep of indien er geen vraag meer is op de arbeidsmarkt naar het oude beroep of de benodigde scholing niet is toegestaan of te duur is, moet gekeken worden welke andere opties er zijn. Het wensberoep van de uitkeringsgerechtigde is hierbij uitgangspunt. Dit wensberoep moet echter wel aansluiten bij de mogelijkheden van de uitkeringsgerechtigde. Ook in deze stap wordt getoetst of er voldoende vraag is naar het wensberoep op de regionale arbeidsmarkt. Wanneer dit niet het geval is, moet er naar alternatieve beroepen worden gekeken en volgt stap 4.


Stap 4

     Wanneer het oude beroep of wensberoep (met of zonder scholing) geen mogelijkheid bieden tot (een snelle) plaatsing op de arbeidsmarkt, moet gekeken worden naar andere mogelijke beroepen. Er wordt in deze stap ook getoetst of er voldoende vraag is naar het beroep op de regionale arbeidsmarkt. Wanneer dit niet het geval is, moet er naar alternatieve beroepen worden gekeken.
     Een deel van de uitkeringsgerechtigden zal niet goed weten welk beroep ze willen of kunnen uitoefenen. Zij zijn niet meer in staat om hun oude beroep uit te oefenen en moeten zich heroriënteren op de arbeidsmarkt. Het kan voorkomen dat het UWV daarbij extern advies nodig heeft. Wanneer dit alsnog resulteert in de keuze van een beroep, volgt stap 5. Wanneer ook het externe advies niet leidt tot een beroepskeuze, eindigt het scholingsprotocol.


Stap 5

     Wanneer het beroep is vastgesteld, wordt bekeken of de uitkeringsgerechtigde scholing nodig heeft om dit beroep te kunnen uitoefenen. Indien plaatsing in dit beroep mogelijk is zonder scholing, is scholing niet aan de orde. Wanneer er scholing noodzakelijk is, volgt onderdeel B van het protocol: de toets van de scholing.

 

5. Onderdeel B: toets scholing


     In dit onderdeel van het protocol wordt enerzijds vastgesteld of de noodzakelijke scholing voldoet aan de regelgeving (stap 6) en anderzijds of de kosten van de scholing opwegen tegen de baten (stap 7).


Stap 6

     De scholing die het UWV inzet ten behoeve van uitkeringsgerechtigden moet aan de onderstaande voorwaarden voldoen: ¹
- De scholing moet noodzakelijk zijn en moet bestaan uit het systematisch verwerven van kennis dan wel vaardigheden volgens een vooraf vastgesteld programma, waarbij de verworven kennis en vaardigheden worden getoetst.
- Scholing moet arbeidsmarktrelevant zijn.
- Een opleiding of scholing als bedoeld in artikel 76 WW duurt maximaal één jaar. Het UWV kan in individuele gevallen een opleiding of scholing van een langere duur toestaan, doch niet meer dan twee jaar.²
- De opleiding of scholing bestaat in overwegende mate uit het verrichten van activiteiten die niet productie als doel hebben.
     Deze regels zijn van toepassing op de scholing van WW-, Wajong- en WAO-gerechtigden.

1. Zie Scholingsregeling WW (artikel 76).
2. De duur van de scholing is volgens de scholingsregels van de WW in de regel maximaal één jaar met als maximum twee jaar. Dit is van toepassing op ontslagwerklozen en arbeidsgehandicapten met een WW-component in hun uitkering. Arbeidsgehandicapten met een Wajong-uitkering of alleen een WAO-uitkering kunnen in voorkomende gevallen wel eens aangewezen zijn op een langere scholingsduur. Ook bij deze scholingen wordt gestreefd naar een zo effectief mogelijke inzet van het instrument scholing, maar een langere duur dan twee jaar kan, mits gemotiveerd, aan de orde zijn.


Stap 7

     In de beslissing of een uitkeringsgerechtigde daadwerkelijk een scholing kan gaan volgen, moeten ook de kosten en de duur in ogenschouw worden genomen.
- De omstandigheden kunnen aanleiding geven dat het kosten-batenbeginsel een rol speelt, dat wil zeggen dat de kosten van de scholing niet hoger mogen zijn dan de verwachte schadelastbeperking in termen van een kortere dan wel lagere uitkering.¹ Ten aanzien van jonggehandicapten speelt het kosten-batenbeginsel slechts in uitzonderingsgevallen een rol.
- Het tweede uitgangspunt is dat de duur van de scholing de uitkeringsduur niet overstijgt. Er kan besloten worden om een scholing te volgen die langer duurt dan de uitkeringsduur. Bij de aanwezigheid van een baangarantie wordt de verwachte schadelastbeperking groter en kunnen de kosten hoger zijn.

1. In het geval iemand na de WW onder de Wwb gaat gevallen, is het in de toekomst misschien mogelijk om in overleg met de gemeentelijke sociale dienst een scholingstraject af te spreken. Door beide uitkeringen te koppelen, zal schadelastbeperking eerder aan de orde zijn.

 

6. Onderdeel C: de beoordeling van de schoolbaarheid


     Indien is vastgesteld dat de noodzakelijke scholing voldoet aan het wettelijk kader en de kosten opwegen tegen de baten, moet vervolgens worden beoordeeld of deze scholing ook haalbaar is voor de uitkeringsgerechtigde.

     De beoordeling van de schoolbaarheid leidt tot de volgende mogelijke uitkomsten:
- De uitkeringsgerechtigde is schoolbaar; er kan scholing worden ingezet.
- De uitkeringsgerechtigde is alleen schoolbaar met de inzet van een aangepaste scholing.
- De uitkeringsgerechtigde is alleen met de inzet van een Rea-instituut schoolbaar.
- De uitkeringsgerechtigde is niet schoolbaar voor de specifieke scholing die op basis van het scholingsprotocol noodzakelijk wordt geacht. Dan moet gekeken worden of er andere beroepen mogelijk zijn waarvoor geen scholing nodig is of scholing nodig is die wel haalbaar is voor de betreffende uitkeringsgerechtigde.
- De uitkeringsgerechtigde is in het geheel niet schoolbaar. Scholing is voor de betreffende uitkeringsgerechtigde niet mogelijk.
- Het UWV heeft extern advies nodig bij het vaststellen van de schoolbaarheid van de uitkeringsgerechtigde, wat vervolgens weer kan leiden tot de hierboven genoemde uitkomsten.

     Bij het vaststellen van de schoolbaarheid worden drie indicatoren onderscheiden: de motivatie voor de scholing, de cognitieve vaardigheden van de uitkeringsgerechtigde en persoonlijke belemmeringen. Hieronder worden deze indicatoren nader besproken.


Stap 8, indicator 1: motivatie

     Motivatie is erg belangrijk voor het welslagen van een scholingstraject. Indien de uitkeringsgerechtigde niet gemotiveerd is voor het volgen van scholing, heeft scholing geen zin. Er zal dan eerst aandacht moeten zijn voor de motivatie.


Stap 8, indicator 2: cognitieve vaardigheden

     Vastgesteld moet worden of de opleiding aansluit bij de cognitieve vaardigheden van de uitkeringsgerechtigde. Hierbij moet ook gecheckt worden of de uitkeringsgerechtigde voldoet aan de formele instroomeisen van de opleiding. Op basis van de capaciteiten van de uitkeringsgerechtigde kan gekozen worden voor theoretisch of meer praktijkgericht onderwijs. Wanneer er onzekerheid bestaat over de cognitieve vaardigheden, kan hiervoor extern advies worden ingezet.
     Bij het vaststellen van de cognitieve vaardigheden wordt ook gekeken worden naar de opleidingen die de uitkeringsgerechtigde in het recente verleden heeft gevolgd. Het niet afronden van opleidingen is mogelijk een signaal voor belemmeringen in de persoonlijke situatie die het risico op uitval vergroten. Deze belemmeringen zijn nader uitgewerkt onder indicator 3.


Stap 8, indicator 3: belemmeringen in de persoonlijke situatie

     De persoonlijke belemmeringen die hieronder worden onderscheiden, zijn ontleend aan het protocol ZMP (indicator 2) [ZMP: zeer moeilijk plaatsbaar, red.]. De belemmeringen die gelden voor ZMP waardoor zij moeilijk plaatsbaar zijn op de arbeidsmarkt, vormen vaak ook belemmeringen om succesvol een scholingstraject te volgen. Het benoemen van de belemmeringen in het kader van schoolbaarheid heeft echter een andere functie: wanneer een belemmering wordt geconstateerd, moet bekeken worden of door middel van aanpassingen in de inrichting van de opleiding scholing toch tot de mogelijkheden behoort. Het gaat hierbij onder meer om de volgende mogelijke aanpassingen:
- Aanpassingen in het aantal dagdelen of duur van het traject.¹
- Aanpassingen in de wijze waarop onderwijs wordt gegeven.
- Extra begeleiding gedurende het scholingstraject.
- Psychische begeleiding gedurende het traject.
- Bij de scholing ook inzetten van vaardigheidstrainingen.
     In complexe gevallen heeft het UWV de optie om extern advies in te zetten om de schoolbaarheid vast te stellen.

1. Sommige uitkeringsgerechtigden hebben een medische duurbeperking ten aanzien van arbeid. Dit hoeft echter niet te betekenen dat ook slechts voor een aantal dagen per week scholing gevolgd kan worden. In overleg tussen de arbeidsdeskundige, de verzekeringsarts en de uitkeringsgerechtigde kan een oplossing worden gezocht.


a. Medische beperkingen (fysiek en/of psychisch) en de beleving daarvan door de uitkeringsgerechtigde

- Aanwezigheid van objectief vaststelbare medische beperkingen waardoor het volgen van een onderwijstraject lastig is (bijvoorbeeld auditief-visuele beperkingen). Bekeken moet worden of met aanpassingen in het scholingstraject (bijvoorbeeld een doventolk, aantal dagdelen) wel onderwijs gevolgd kan worden.
- Aanwezigheid van medische beperkingen die in de beleving van de uitkeringsgerechtigde onderwijs volgen moeilijk maken. Het gaat hierbij vooral om uitkeringsgerechtigden die zich door de jaren heen zo vereenzelvigd hebben met hun (op enig moment wel aanwezige) belemmeringen/beperkingen dat zij het in de huidige situatie heel moeilijk vinden om zich te focussen op de dingen die ze nog wél kunnen, of juist om uitkeringsgerechtigden die recent arbeidsongeschikt zijn geworden en nog in een rouwproces zitten vanwege het verlies van mogelijkheden/beroep en daarom geen oog hebben voor wat zij nog wel kunnen.
- Aanwezigheid van een negatieve prognose voor de ontwikkeling van de medische aandoening, waarmee in het traject rekening dient te worden gehouden.
- Aanwezigheid van een ernstige verslavingsproblematiek. Met deze problematiek moet mogelijk voorafgaand of tijdens het scholingstraject rekening worden gehouden.


b. Rolidentificatie in uitkeringssituatie

     Binnen de uitkeringssituatie heeft de uitkeringsgerechtigde zijn eigen zinvolle bezigheden/daginvulling opgebouwd:
- zorg voor gezinshuishouden;
- mantelzorg;
- vrijwilligerswerk.
     Om succesvol deel te kunnen nemen aan scholing zal de uitkeringsgerechtigde bereid moeten zijn om tijd vrij te maken, zodat de scholing gevolgd kan worden en huiswerk gemaakt kan worden. Eventueel kan gedurende het scholingstraject extra begeleiding worden ingezet.


c. Schuldenproblematiek

     Het gaat hier om uitkeringsgerechtigden die te maken hebben met een schuldenproblematiek die zo ernstig is dat zij moeilijkheden ondervinden om zich te concentreren op en/of te motiveren voor het volgen van een scholingstraject. De uitkeringsgerechtigde zal eerst of gelijktijdig een schuldsaneringstraject moeten volgen, wil scholing succesvol kunnen zijn.


d. Problemen in de sociale situatie en de beleving daarvan door de uitkeringsgerechtigde

- Sociale druk vanuit de omgeving van de uitkeringsgerechtigde om geen activiteiten te ontplooien die kunnen leiden tot werk. De omgeving kan betrekking hebben op de familie- en vriendenkring, maar ook op de directe buurt waarin iemand woont.
- Een thuissituatie die het succesvol volgen van een opleiding belemmert. Bijvoorbeeld de aanwezigheid van kleine kinderen of inwonende familieleden.
     De belemmeringen kunnen mogelijk verholpen worden door extra begeleiding tijdens het scholingstraject.


e. Problemen die zich voordoen in de relatie uitkeringsgerechtigde en scholing/gedragsfactoren

- Problemen met sociale vaardigheden in werk- en scholingssituaties (gezagsverhoudingen, zelfstandig werken).
- Realiteitsprobleem in verwachtingenpatroon van eigen functioneren op het werk (te hoge of juist te lage ambities en verwachtingen).
     Door het inzetten van vaardigheidstrainingen naast de scholing kunnen deze belemmeringen mogelijk worden opgeheven.


f. (Beleving van) psychologische belemmeringen door de uitkeringsgerechtigde, bijvoorbeeld een niet-realistisch zelfbeeld gelegen in een persoonlijke problematiek

     Dit onderdeel is al verwerkt in de beroepskeuze. Zolang de uitkeringsgerechtigde geen realistisch zelfbeeld heeft, zal het niet mogelijk zijn om een reële beroepskeuze en daaraan gekoppeld de scholingsnoodzaak te bepalen.

 

 

 

BIJLAGE  1

Beslisboom scholing

 

A. Bepaling noodzakelijkheid scholing
 

01

 

 

B. Toets scholing
 

02

 

 

C. Vaststellen schoolbaarheid uitkeringsgerechtigde
 

03