Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Wet op de zorgtoeslag
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 31 december 2011

 

BESLUIT  WIJZIGING  PERCENTAGES  DREMPEL-  EN  TOETSINGSINKOMEN

Vervallen
m.i.v. 1 januari 2012
(art. 2 Bpdtz)

 
 

9 september 2010, Stb. 2010, 714
Inwerkingtreding: 1 januari 2011
(T.a.v. art. 2:3 Wzt)

 

 

 

 
BESLUIT van 9 september 2010, houdende wijziging van de percentages van het drempel- en toetsingsinkomen, benodigd voor de berekening van de zorgtoeslag

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 6 juli 2010, kenmerk DWJZ/SWW-3011206;
     Gelet op artikel 2, derde lid, van de Wet op de zorgtoeslag;
     De Raad van State gehoord (advies van 26 juli 2010, nr. W13.10.0283/I);
     Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 3 september 2010, kenmerk DWJZ-3019903;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Art 1.
-1. Voor 2011 worden de percentages voor verzekerden met een partner vastgesteld op 5,015% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,03% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder partner op 2,715% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,03% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-2. Voor 2012 worden de percentages voor verzekerden met een partner vastgesteld op 5,03% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,06% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder partner op 2,73% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,06% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-3. Voor 2013 worden de percentages voor verzekerden met een partner vastgesteld op 5,045% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,09% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder partner op 2,745% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,09% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-4. Voor 2014 worden de percentages voor verzekerden met een partner vastgesteld op 5,06% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,12% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder partner op 2,76% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,12% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-5. Voor 2015 worden de percentages voor verzekerden met een partner vastgesteld op 5,075% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,15% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder partner op 2,775% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,15% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-6. Voor 2016 worden de percentages voor verzekerden met een partner vastgesteld op 5,09% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,18% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder partner op 2,79% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,18% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-7. Voor 2017 worden de percentages voor verzekerden met een partner vastgesteld op 5,105% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,21% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder partner op 2,805% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,21% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-8. Voor 2018 worden de percentages voor verzekerden met een partner vastgesteld op 5,12% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,24% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder partner op 2,82% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,24% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-9. Voor 2019 worden de percentages voor verzekerden met een partner vastgesteld op 5,135% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,27% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder partner op 2,835% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,27% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-10. Voor 2020 worden de percentages voor verzekerden met een partner vastgesteld op 5,15% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,30% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder partner op 2,85% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,30% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-11. Voor 2021 worden de percentages voor verzekerden met een partner vastgesteld op 5,165% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,33% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder partner op 2,865% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,33% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-12. Voor 2022 worden de percentages voor verzekerden met een partner vastgesteld op 5,18% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,36% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder partner op 2,88% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,36% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-13. Voor 2023 worden de percentages voor verzekerden met een partner vastgesteld op 5,195% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,39% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder partner op 2,895% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,39% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-14. Voor 2024 worden de percentages voor verzekerden met een partner vastgesteld op 5,21% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,42% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder partner op 2,91% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,42% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-15. Voor 2025 worden de percentages voor verzekerden met een partner vastgesteld op 5,225% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,45% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder partner op 2,925% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,45% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-16. Voor 2026 worden de percentages voor verzekerden met een partner vastgesteld op 5,24% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,48% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder partner op 2,94% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,48% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-17. Voor 2027 worden de percentages voor verzekerden met een partner vastgesteld op 5,255% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,51% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder partner op 2,955% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,51% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-18. Voor 2028 worden de percentages voor verzekerden met een partner vastgesteld op 5,27% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,54% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder partner op 2,97% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,54% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-19. Voor 2029 worden de percentages voor verzekerden met een partner vastgesteld op 5,285% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,57% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder partner op 2,985% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,57% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-20. Voor 2030 worden de percentages voor verzekerden met een partner vastgesteld op 5,30% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,60% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder partner op 3,00% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,60% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-21. Voor 2031 worden de percentages voor verzekerden met een partner vastgesteld op 5,315% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,63% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder partner op 3,015% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,63% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-22. Voor 2032 worden de percentages voor verzekerden met een partner vastgesteld op 5,330% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,66% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder partner op 3,03% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,66% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-23. Voor 2033 worden de percentages voor verzekerden met een partner vastgesteld op 5,345% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,69% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder partner op 3,045% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,69% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-24. Voor 2034 worden de percentages voor verzekerden met een partner vastgesteld op 5,360% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,72% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder partner op 3,060% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,72% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-25. Voor 2035 worden de percentages voor verzekerden met een partner vastgesteld op 5,375% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,75% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder partner op 3,075% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,75% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-26. Voor 2036 worden de percentages voor verzekerden met een partner vastgesteld op 5,390% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,78% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder partner op 3,090% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,78% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-27. Voor 2037 worden de percentages voor verzekerden met een partner vastgesteld op 5,405% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,81% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder partner op 3,105% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,81% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-28. Voor 2038 worden de percentages voor verzekerden met een partner vastgesteld op 5,420% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,84% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder partner op 3,120% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,84% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-29. Voor 2039 worden de percentages voor verzekerden met een partner vastgesteld op 5,435% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,87% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder partner op 3,135% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,87% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.
-30. Voor 2040 worden de percentages voor verzekerden met een partner vastgesteld op 5,45% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,90% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat, en voor een verzekerde zonder partner op 3,150% van het drempelinkomen, vermeerderd met 5,90% van het toetsingsinkomen voor zover dat boven het drempelinkomen uitgaat.

 

Art. 2.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2011.

 

 

     Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

 

’s-Gravenhage, 9 september 2010

 

BEATRIX

 

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
A. Klink

 

Uitgegeven de achtste oktober 2010
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin

 

 

 

NOTA  VAN  TOELICHTING
[9 september 2010]

 

Algemeen

 

1. Inleiding


     De economische crisis heeft geleid tot een forse verslechtering van de overheidsfinanciën. Daarbij worden niet alleen de overheidsfinanciën op korte termijn geraakt, maar ook de houdbaarheid van de overheidsfinanciën op de lange termijn. Eén van de voorstellen waarmee de regering beoogt de overheidsfinanciën op langere termijn weer in het gareel te krijgen, is een maatregel die het budgettair beslag van de zorgtoeslag beperkt. Het budgettaire beslag van de zorgtoeslag neemt in de tijd fors toe, evenals het aantal gerechtigden. Door de groei van de zorgtoeslag gedurende een groot aantal jaren iets te beperken, kan een grote opbrengst worden gegenereerd. Bij de invulling van de maatregel is gekozen voor een variant die 0,3% van het bruto binnenlands product (BBP) oplevert en zowel de minima zoveel mogelijk ontziet als de marginale druk ¹ zo beperkt mogelijk laat stijgen.

1. De marginale druk geeft aan hoeveel procent van een bruto-inkomensstijging niet resulteert in een hoger nominaal beschikbaar inkomen, onder meer door hogere belastingen en lagere toeslagen.

 

2. De systematiek van de zorgtoeslag


     De hoogte van de zorgtoeslag wordt bepaald door de standaardpremie (de gemiddelde nominale premie voor een zorgverzekering plus het gemiddeld verplicht eigen risico) en het huishoudinkomen van de ontvanger. De Wet op de zorgtoeslag veronderstelt dat een huishouden maximaal x% van het inkomen reserveert voor de betaling van de nominale premie voor de binnen het huishouden bestaande premieplichtige ² zorgverzekeringen en voor betaling van onder het verplicht eigen risico vallende zorg. Indien de standaardpremie voor een zorgverzekering hoger is dan eerderbedoeld percentage, wordt het restant automatisch door een hogere zorgtoeslag gecompenseerd. Indien de standaardpremie voor een zorgverzekering daarentegen minder dan x% van het inkomen bedraagt, wordt er geen zorgtoeslag uitbetaald. Voor alleenstaanden ligt de inkomensgrens waarop er nog zorgtoeslag wordt uitgekeerd op ongeveer € 33 750,-, voor gehuwden op € 50 000,- (cijfers 2010).
     De kosten van de zorgtoeslag nemen in de toekomst fors toe, niet alleen in euro’s, maar ook als percentage van het BBP. Die forse groei treedt op omdat de uitgaven voor de Zorgverzekeringswet (Zvw) (en daarmee ook de nominale premies) harder stijgen dan de ontwikkeling van de inkomens. In de laatste Ageing-studie gaat het Centraal Planbureau (CPB) ervan uit dat de Zvw-uitgaven in reële termen 1% per jaar harder stijgen dan de inkomens. De systematiek van de Zvw impliceert dan ook dat de nominale premie 1% per jaar harder groeit dan de inkomens. Op grond van de huidige vormgeving van de zorgtoeslag neemt het budgettaire beslag van de zorgtoeslag daardoor toe van circa €|4 miljard in 2011 tot circa €|14 miljard in 2040. Omdat de nominale premie meer groeit dan de inkomens, neemt de zorgtoeslag per huishouden toe en krijgen ook meer huishoudens recht op de zorgtoeslag.

2. Zorgverzekeringen voor verzekerden jonger dan18 jaar zijn premievrij.

     De oploop van de zorgtoeslag bij ongewijzigde instituties is op lange termijn duidelijk groter dan 0,3% BBP. Dat betekent dat ook bij een ombuiging die een opbrengst van 0,3% BBP heeft, het budgettaire beslag van de zorgtoeslag en het aantal ontvangers ervan in de toekomst nog zal oplopen. Burgers worden voor een stijgende nominale zorgpremie dus nog steeds gecompenseerd, alleen minder dan zonder deze maatregel het geval was geweest.

 

3. Voorgestelde maatregel


     Zoals hiervoor toegelicht, is de hoogte van de zorgtoeslag afhankelijk van de standaardpremie (de gemiddelde nominale premie plus het gemiddelde eigen risico) en een normatief percentage van het inkomen dat aan zorg moet worden betaald. Het normatieve percentage dat een huishouden geacht wordt aan zorg te betalen (de normpremie), wordt berekend als een percentage van het minimumloon plus een percentage van het inkomen van het huishouden dat het minimumloon te boven gaat.

In formule:
ZT eenpersoonshuishouden = SP -/- 2,7% x WML -/- 5% x (INK -/- WML)
ZT meerpersoonshuishouden = 2 x SP -/- 5% x WML -/- 5% x (INK -/- WML),

waarbij:
ZT = zorgtoeslag
SP = standaardpremie
INK = huishoudinkomen
WML = wettelijk minimumloon

     Voorgesteld wordt om het normpercentage dat verzekerden over het wettelijk minimumloon moeten betalen jaarlijks met 0,015 procentpunt te verhogen en het normpercentage over het overig inkomen (het afbouwpercentage) jaarlijks met 0,03 procentpunt te verhogen. Het normpercentage over het wettelijk minimumloon stijgt in totaal van 2011 tot 2041 met circa 0,45 procentpunt (van 2,7% naar 3,15% voor alleenstaanden en van 5% naar 5,45% voor paren). Het normpercentage over het overig inkomen stijgt in totaal van 2010 naar 2040 met circa 0,9 procentpunt (van 5% naar 5,9% voor zowel alleenstaanden als paren).
     Het aantal personen met zorgtoeslag stijgt in deze variant van 61% personen boven de 18 met zorgtoeslag in 2009 naar 71% personen in 2040 in plaats van 81% personen in 2040 bij ongewijzigd beleid.

 

4. Budgettaire gevolgen


     De vormgeving van de maatregel impliceert dat de budgettaire opbrengst geleidelijk wordt behaald. Op basis van de bovenvermelde aannames over de groei van de zorgpremies heeft de voorgestelde maatregel een opbrengst van circa €|75 miljoen per jaar. De maatregel levert derhalve circa €|75 miljoen op in 2011, circa €|150 miljoen in 2012 en circa €|2,0 miljard in 2040. Hiermee heeft de beschreven maatregel een budgettaire opbrengst die vergelijkbaar is met een houdbaarheidsmaatregel van 0,3% BBP.

 

5. Inkomenseffecten en effect op de marginale druk


     Het voorstel bestaat de facto uit twee delen:
1. via de verhoging van het normpercentage over het wettelijk minimumloon wordt een deel van de ombuiging in euro’s gelijk over alle zorgtoeslaggebruikers verdeeld; en
2. via de verhoging van het afbouwpercentage worden huishoudens met een inkomen tot het minimumloon volledig ontzien, maar dit deel van de ombuiging leidt er wel toe dat de marginale druk voor de huishoudens daarboven verslechtert. Als hun inkomen stijgt, raken zij een iets groter deel van de inkomensstijging kwijt.

     Gegeven de zeer beperkte bijstellingen van de percentages die worden voorgesteld, acht de regering zowel de inkomenseffecten als de effecten op de marginale druk acceptabel.
     De jaarlijkse inkomenseffecten zijn voor alle groepen duidelijk onder de 0,05% per jaar. Het effect van de maatregel bedraagt in euro’s in 2011 naar huidig inzicht €|3,- (op jaarbasis) voor huishoudens rond het minimum en €|7,- voor huishoudens rond modaal. De exacte inkomenseffecten zijn afhankelijk van de ontwikkeling van het (minimum)loon en de nominale premie zoals die voor het betreffende jaar gelden. Op de korte termijn zijn er geen effecten voor de inkomens duidelijk boven modaal (omdat die nu geen zorgtoeslag ontvangen). Op de lange termijn worden ook huishoudens met hogere inkomens door de maatregel getroffen, omdat het inkomen waarbij men voor zorgtoeslag in aanmerking komt zonder deze maatregel fors zou toenemen. Zoals uit onderstaande grafiek blijkt, blijven de gevolgen voor huishoudens op of onder het minimumloon beperkt tot circa €|150,- in 2040. Bij huishoudens rond modaal loopt het effect op tot ruim het dubbele.

Figuur 1. Gevolgen van de maatregel over 30 jaar op basis van eenpersoonshuishoudens.

 

 

Artikelsgewijs

 

     In artikel 1 wordt voor de berekening van de zorgtoeslag over de jaren 2011 tot en met 2040 vastgelegd wat het normpercentage is dat verzekerden over het wettelijk minimumloon moeten betalen en wat het normpercentage is dat verzekerden over het overig inkomen moeten betalen.
     Het normpercentage dat verzekerden over het wettelijk minimumloon moeten betalen, wordt jaarlijks met 0,015 procentpunt verhoogd en het normpercentage over het overig inkomen wordt jaarlijks met 0,03 procentpunt verhoogd. Het normpercentage over het wettelijk minimumloon stijgt in totaal van 2010 tot 2040 met circa 0,45 procentpunt (van 2,7% naar 3,15% voor alleenstaanden en van 5% naar 5,45% voor paren). Het normpercentage over het overig inkomen stijgt in totaal van 2010 naar 2040 met circa 0,9 procentpunt (van 5% naar 5,9% voor zowel alleenstaanden als paren).

     Hoewel de delegatiebepaling van artikel 2, derde lid, tweede volzin, van de Wet op de zorgtoeslag het mogelijk toestaat om de jaarlijkse wijziging van de percentages in voorliggende algemene maatregel van bestuur (AMvB) in de vorm van een formule te regelen, is hier toch niet voor gekozen. De reden is dat de delegatiebepaling zodanig is geformuleerd, dat de percentages bij AMvB kunnen worden gewijzigd (zie ook nummer 34, tweede lid, onderdeel a, van de Aanwijzingen voor de regelgeving, waarin een uitzondering wordt gemaakt op de regel dat in een hogere regeling niet wordt toegestaan dat deze bij lagere regeling wordt gewijzigd, voor het op het volgens vaste systematiek aanpassen van bedragen, tarieven en percentages). Wordt met een formule gewerkt, dan zullen de beheerders van de diverse databanken voor de wetgeving zelf ieder jaar met behulp van die formule de geldende percentages moeten berekenen en in artikel 2, derde lid, eerste zin, van de Wet op de zorgtoeslag moeten opnemen. Dat kan tot fouten leiden. Een heldere vaststelling van de per kalenderjaar geldende percentages - zodat in één oogopslag duidelijk is wat de percentages voor bijvoorbeeld het jaar 2023 zijn - verdient de voorkeur, ook al leidt dat in casu tot een artikel met 30 leden.

 

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
A. Klink

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | Wzt | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x