Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Ziekenfondswet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 31 december 2005

 

REGELING  HULPMIDDELEN  1996

Vervallen
m.i.v. 1 januari 2006
(art. 2.1.1 IZvw)



16 november 1995, Stcrt. 1995, 229
Inwerkingtreding: 1 januari 1996
(T.a.v. art. 15 Vz)

 

 

 

 
REGELING van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 november 1995, nr. VMP/VA 953855, houdende aanwijzing en nadere regeling van hulpmiddelen, alsmede van de bijdragen van de verzekerden (Regeling hulpmiddelen 1996)

16 november 1995/nr. VMP/VA 953855

     De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
     Gelet op artikel 15 van het Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering;
     Gezien de adviezen van de Ziekenfondsraad (adviezen van 24 november 1994, SGZ/40120/1994, 27 april 1995, nr. 662, en 26 oktober 1995, SGZ/44286);

     Besluit:

 

 

HOOFDSTUK  1

Algemene bepalingen

 

Art. 1.
In deze regeling wordt verstaan onder het besluit: het Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering.

 

Art. 2.
-1.
De aanspraak op hulpmiddelen omvat de verschaffing van een te allen tijde adequaat functionerend hulpmiddel, bestaande uit:
a. prothesen voor schouder, arm, hand, been of voet als aangegeven in artikel 7;
b. mammaprothesen als aangegeven in artikel 8;
c. gelaatsprothesen als aangegeven in artikel 9;
d. oogprothesen als aangegeven in artikel 10;
e. orthesen voor romp, arm, been, voet, hoofd of hals als aangegeven in artikel 11;
f. gezichtshulpmiddelen als aangegeven in artikel 12;
g. gehoorhulpmiddelen als aangegeven in artikel 13;
h. verzorgingsmiddelen als aangegeven in artikel 14;
i. hulpmiddelen voor anticonceptionele doeleinden als aangegeven in artikel 15;
j. eenvoudige hulpmiddelen voor de mobiliteit van personen als aangegeven in artikel 16;
k. pruiken als aangegeven in artikel 17;
l. injectiespuiten en toebehoren als aangegeven in artikel 18;
m. uitwendige hulpmiddelen, te gebruiken bij het langdurig compenseren van het functieverlies van aderen bij het transport van bloed en het functieverlies van lymfevaten bij het transport van lymfe;
n. hulpmiddelen bij diabetes als aangegeven in artikel 20;
o. apparatuur voor positieve uitademingsdruk als aangegeven in artikel 21;
p. draagbare, uitwendige infuuspompen met toebehoren als aangegeven in artikel 22;
q. schoenvoorzieningen, niet zijnde orthesen, als aangegeven in artikel 23;
r. hulpmiddelen voor het toedienen van voeding als aangegeven in artikel 24;
s. allergeenvrije en stofdichte hoezen als aangegeven in artikel 25;
t. hulpmiddelen voor communicatie, informatievoorziening en signalering als aangegeven in artikel 26;
u. prothetische voorzieningen voor de onder- of bovenkaak als aangegeven in artikel 26a;
v. zuurstofapparaten dan wel zuurstofconcentratoren met toebehoren;
w. longvibrators;
x. vernevelaars met toebehoren;
y. beeldschermloepen;
z. uitwendige elektrostimulators tegen chronische pijn met toebehoren;
aa. hulpmiddelen voor continue positieve luchtdruk tijdens het ademen (CPAP-apparatuur) met toebehoren;
bb. soloapparatuur met toebehoren;
cc. tactielleesapparatuur met toebehoren;
dd. vervanging van hoortoestellen die kunnen worden aangesloten op een te implanteren beengeleider (BAHA-hoortoestel) als aangegeven in artikel 29, vierde lid;
ee. hulpmiddelen voor de mobiliteit van personen als aangegeven in artikel 26b;
ff. inrichtingselementen van woningen als aangegeven in artikel 26c.
-2. De aanspraak op hulpmiddelen omvat in voorkomende gevallen wijziging of herstel van hulpmiddelen.
-3. Het ziekenfonds bepaalt of middelen in eigendom dan wel in bruikleen worden verschaft.
-4. Indien het ziekenfonds middelen in bruikleen verschaft, zijn de artikelen 7 tot en met 26a van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 11a, vierde lid, 13, vijfde, zesde en zevende lid, 17, derde lid, 23, vierde en vijfde lid, en 26, zevende lid.

 

Art. 3. Vervallen.

 

 

HOOFDSTUK  2

Verschaffing van hulpmiddelen

 

§ 1.  Algemene bepalingen

 

Art. 4.
De verzekerde is gehouden het hem in eigendom verschafte middel goed te verzorgen.

 

Art. 5.
Indien de aanspraak op enig in deze regeling genoemd middel of de hoogte van de door de verzekerde verschuldigde bijdrage afhankelijk is gesteld van de leeftijd van verzekerde, wordt diens leeftijd telkens beoordeeld naar het moment waarop de verzekerde zich wendt tot de leverancier.

 

Art. 6.
-1.
Indien een middel in bruikleen wordt verschaft, kan het ziekenfonds van de verzekerde een redelijke waarborgsom vragen. Over de waarborgsom wordt door het ziekenfonds geen rente vergoed.
-2. De verschaffing in bruikleen omvat tevens vergoeding van de kosten van vervoer van het hulpmiddel naar en van de woning van de verzekerde, van het regelmatig technisch onderhoud ervan, alsmede van de voor het gebruik, ontsmetting en reiniging van de apparatuur benodigde chemicaliën.

 

 

§ 2.  Per categorie hulpmiddelen

 

Art. 7.
-1. De in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, bedoelde middelen zijn:
a. prothesen voor schouder, arm of hand, al dan niet bekrachtigd;
b. algemeen gangbare hulp- en aanzetstukken voor armprothesen;
c. prothesen voor been of voet.
-2. De aanspraak op een in het eerste lid, onderdeel a, bedoeld middel in bekrachtigde uitvoering omvat mede de verschaffing van oplaadinrichting en batterijen.

 

Art. 8.
-1. De in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, bedoelde middelen zijn de gebruiksklaar verkrijgbare mammaprothesen voor uitwendige toepassing.
-2. Indien het gebruik van een in het eerste lid omschreven middel niet mogelijk dan wel redelijkerwijs niet verantwoord is, bestaat aanspraak op een ten behoeve van de verzekerde afzonderlijk vervaardigde mammaprothese.
-3. Aanspraak op het in het eerste of tweede lid bedoelde middel bestaat indien het gebruik ervan is aangewezen ter vervanging van een geheel of nagenoeg geheel ontbrekende borstklier.

 

Art. 9.
De in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, bedoelde middelen zijn de ten behoeve van de verzekerde afzonderlijk vervaardigde prothesen ter bedekking van het gelaat of een gedeelte ervan, neus en oorschelpen daarbij inbegrepen.

 

Art. 10.
De in artikel 2, eerste lid, onderdeel d, bedoelde middelen zijn:
a. een volledige oogprothese bij het ontbreken van de oogbol;
b. een scleraschaal;
c. een scleralens, al dan niet voorzien van een ingekleurde iris en pupil en al dan niet met visuscorrectie, bij een ernstig misvormd oog of na traumatische veranderingen van het oog.

 

Art. 11.
-1. De in artikel 2, eerste lid, onderdeel e, bedoelde middelen zijn:
a. corsetten voor afwijkingen aan de wervelkolom;
b. orthopedische beugelapparatuur;
c. verstevigde spalk-, redressie- of correctieapparatuur voor langdurig gebruik, waarbij de versteviging een functioneel onderdeel vormt van de orthese en een therapeutische meerwaarde heeft ten opzichte van een niet-verstevigde orthese, met dien verstande dat slechts aanspraak bestaat op een kniebrace indien sprake is van:
1º. een al dan niet gecombineerd letsel van de knie waarbij de kruisbanden of de collateraalbanden zijn gescheurd;
2º. eenzijdige gonartrose, voor zover sprake is van een standafwijking van minimaal 10 graden varus-valgusstand;
d. kappen ter bescherming van de schedel;
e. trachea canule;
f. stemprothesen of spraakversterkers, al dan niet gecombineerd;
g. breukbanden;
h. orthopedisch schoeisel en orthopedische voorzieningen aan confectieschoenen als aangegeven in artikel 11a.
-2. Geen aanspraak op de in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde apparatuur bestaat indien sprake is van preventief gebruik in verband met het beoefenen van sport.
-3. Aanspraak op het in het eerste lid, onderdeel d, bedoelde middel bestaat indien er sprake is van een schedeldefect of indien door frequente evenwichts- of bewustzijnsstoornissen grote kans op vallen bestaat.

 

Art. 11a.
-1. De hulpmiddelen, bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel h, zijn:
a. volledig individueel vervaardigd orthopedisch maatschoeisel;
b. volledig individueel vervaardigde orthopedische binnenschoenen;
c. semi-orthopedisch schoeisel met individuele aanpassing;
d. orthopedische voorzieningen aan confectieschoenen, tenzij het uitsluitend een verhoging betreft van de gehele buitenzool van minder dan 3 cm.
-2. Aanspraak op de in het eerste lid genoemde hulpmiddelen bestaat indien sprake is van een indicatie vermeld in bijlage 1 van deze regeling en de verzekerde redelijkerwijs niet kan volstaan met confectieschoenen.
-3. Aanspraak op de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde hulpmiddelen bestaat indien niet kan worden volstaan met semi-orthopedisch schoeisel of een voorziening aan confectieschoenen.
-4. De verzekerde is voor hulpmiddelen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a en c, een bijdrage verschuldigd van €|113,00 per paar. Indien de verzekerde jonger is dan 16 jaar, is hij €|56,50 per paar verschuldigd.

 

Art. 12.
-1. De in artikel 2, eerste lid, onderdeel f, bedoelde middelen zijn:
a. brillenglazen, waaronder filterglazen met of zonder visuscorrigerende werking;
b. contactlenzen;
c. bandagelenzen zonder visuscorrigerende werking;
d. bijzondere optische hulpmiddelen, bestemd voor rechtstreekse waarneming, met inbegrip van montuur, statief of verlichting indien deze met het hulpmiddel één geheel vormen.
-2. Aanspraak op middelen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a en b, bestaat slechts indien een indicatie bestaat als vermeld in bijlage 2, onder I, van deze regeling en de aanschaf plaatsvindt binnen twaalf maanden na een eerdere aanschaf van deze hulpmiddelen.
-3. Aanspraak op een middel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, bestaat indien er sprake is van een indicatie als vermeld in bijlage 2, onder II, van deze regeling.
-4. Aanspraak op een middel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, bestaat indien de verzekerde een dusdanig verlies van gezichtsvermogen heeft dat redelijkerwijs niet kan worden volstaan met een middel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b.

 

Art. 13.
-1. De in artikel 2, eerste lid, onderdeel g, bedoelde middelen zijn:
a. elektro-akoestische hoortoestellen voor persoonlijk gebruik, in gewone dan wel bijzondere uitvoering, bestemd om op of aan het menselijk lichaam te worden gebezigd ter verbetering van een gestoord gehoor, alsmede de zogenaamde gehoorlepels of gehoorslangen die het geluid via mechanische weg versterken, waarbij als bijzondere uitvoering van een elektro-akoestisch hoortoestel wordt beschouwd een:
- crosuitvoering;
- bicrosuitvoering;
- beengeleideruitvoering;
- uitvoering met één ingebouwde microfoon en twee aansluitingen;
- uitvoering met één uitwendige microfoon en één aansluiting;
- uitvoering met één ingebouwde microfoon, één uitwendige microfoon en één aansluiting;
b. ringleidingen, bestaande uit snoer en versterker met eventueel een tafelmicrofoon dan wel infraroodapparatuur of FM-apparatuur voor geluidsoverdracht, bestaande uit een ontvanger en een zender, al dan niet met inductiespoel of hoofdtelefoon, of in kinbeugeluitvoering, eveneens met één tafelmicrofoon;
c. maskeerders ter behandeling van ernstig oorsuizen.
-2. De aanspraak op de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde middelen bestaat indien er sprake is van een indicatie als vermeld in bijlage 3, onder I, van deze regeling en omvat mede de eerste verschaffing van de bij een toestel behorende batterijen of accu’s, alsmede de verschaffing en vervanging van oorstukjes.
-3. De aanspraak op de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde middelen bestaat indien er sprake is van een indicatie als vermeld in bijlage 3, onder II, van deze regeling en omvat mede de eerste verschaffing van de bij infraroodapparatuur of FM-apparatuur behorende batterijen of accu’s.
-4. De aanspraak op de in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde middelen omvat mede de eerste verschaffing van de bij een maskeerder behorende batterijen of accu’s, alsmede de verschaffing en vervanging van oorstukjes.
-5. Indien de aanschaffingskosten van een hoortoestel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, hoger zijn dan €|467,00 en een toestel voor de eerste keer wordt verstrekt, dan wel korter dan zes jaren geleden aan de verzekerde is verstrekt, is de verzekerde van 16 jaar of ouder een bijdrage verschuldigd ter grootte van het verschil tussen de aanschaffingskosten en dit bedrag.
-6. Indien de aanschaffingskosten van een hulpmiddel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, hoger zijn dan €|558,00 en een toestel reeds tussen zes en zeven jaren geleden aan de verzekerde is verstrekt, is de verzekerde van 16 jaar of ouder een bijdrage verschuldigd ter grootte van het verschil tussen de aanschaffingskosten en dit bedrag.
-7. Indien de aanschaffingskosten van een hulpmiddel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, hoger zijn dan €|648,50 en een toestel zeven jaren of langer geleden aan de verzekerde is verstrekt, is de verzekerde een bijdrage verschuldigd ter grootte van het verschil tussen de aanschaffingskosten en dit bedrag, met dien verstande dat voor een verzekerde van jonger dan 16 jaar de gebruiksduur van zeven jaren of langer geleden niet geldt.
-8.
Als sprake is van een hoortoestel in cros-, bicros- of beengeleideruitvoering, opgenomen in een brilmontuur, wordt het bedrag, genoemd in het vijfde, zesde en zevende lid, vermeerderd met €|60,50.

 

Art. 14.
-1. De in artikel 2, eerste lid, onderdeel h, bedoelde hulpmiddelen zijn:
a. urineopvangzakken met de noodzakelijke hulpstukken ter bevestiging aan het been of bed;
b. voorzieningen voor stomapatiënten als aangegeven in artikel 14a;
c. stompkousen;
d. catheters, al dan niet met toebehoren;
e. incontinentieabsorptiematerialen als aangegeven in artikel 14b, alsmede de noodzakelijke voorlichting aan de verzekerde over het doelmatig gebruik van deze materialen;
f. spoelapparatuur voor anaalspoelen, al dan niet met toebehoren;
g.
slijmuitzuigapparatuur voor het wegzuigen van slijm uit het mond- of keelgebied, al dan niet met toebehoren.
-2. Aanspraak op de in het eerste lid, onderdeel f, bedoelde hulpmiddelen bestaat indien sprake is van ernstige problemen met de ontlasting tengevolge van anatomische of functionele afwijkingen van de darm of anus dan wel de zenuwvoorziening daarvan.

 

Art. 14a.
De middelen, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel b, zijn:
a. systemen ter bevestiging op een stoma voor de opvang van faeces of urine, bestaande uit opvangzakjes en kleefplaten, de daarbij benodigde hulp- en verbindingsstukken, opvulmaterialen, reinigingsgaasjes, wegwerpzakjes, spoelapparatuur met toebehoren, stomapluggen, stomapleisters en indikmiddelen;
b. noodzakelijke huidbeschermende middelen, voor zover daarop niet reeds aanspraak bestaat ingevolge de Regeling farmaceutische hulp 1996;
c. afdekpleisters en catheters bestemd voor een continentstoma;
d. stomabeschermers voor gelaryngectomeerden, niet zijnde verbandmiddelen.

 

Art. 14b.
-1. De middelen, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel e, zijn:
a. wegwerpinlegluiers voor incontinentie;
b. wegwerpluierbroeken voor incontinentie;
c. wasbare inlegluiers en luierbroeken voor incontinentie;
d. anaaltampons;
e. beschermende onderleggers.
-2. Aanspraak op de in het eerste lid, onderdeel a, b en c, bedoelde middelen bestaat vanaf de leeftijd van 5 jaar en indien sprake is van:
a. incontinentie voor faeces die langer bestaat dan twee weken;
b. incontinentie voor urine die langer bestaat dan twee maanden;
c. ter ondersteuning van bekkenbodemspieroefeningen of blaastraining ten laste van de ziekenfondsverzekering voor de behandeling van urine-incontinentie voor de duur van deze therapie;
d. ziektebeelden waarvan mag worden aangenomen dat incontinentie niet vanzelf geneest of waarbij bekkenbodemspieroefeningen of blaastraining niet zullen helpen.
-3. In afwijking van het tweede lid bestaat aanspraak op de in het eerste lid, onderdeel a, b en c, bedoelde middelen vanaf de leeftijd van 3 jaar indien sprake is van een niet-fysiologische vorm van incontinentie.
-4. Geen aanspraak bestaat op de in het eerste lid, onderdeel a, b en c, genoemde middelen indien sprake is van enuresis nocturna.
-5. Aanspraak bestaat op de in het eerste lid, onderdeel e, genoemde middelen indien het verlies van bloed, exsudaat, vocht, urine of faeces dusdanige hygiënische problemen oplevert dat deze slechts door het gebruik van bedbeschermende onderleggers kunnen worden ondervangen.

 

Art. 15.
-1. De in artikel 2, eerste lid, onderdeel i, bedoelde middelen zijn:
a. pessaria;
b. koperhoudende spiraaltjes.
-2. Aanspraak op de in het eerste lid bedoelde middelen bestaat indien de verzekerde de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt.

 

Art. 16.
-1. De in artikel 2, onderdeel j, bedoelde middelen zijn:
a. krukken;
b. loophulpen met drie of vier poten;
c. looprekken;
d. rollators;
e. loopwagens;
f. serveerwagens;
g. blindentaststokken.
-2. Aanspraak bestaat op de in het eerste lid, onderdeel a tot en met e, bedoelde middelen indien de verzekerde hier langdurig op is aangewezen om te kunnen lopen, niet kan worden volstaan met een eenvoudiger hulpmiddel en indien sprake is van één van de volgende indicaties:
a. evenwichtsstoornissen;
b. functiestoornissen van de onderste extremiteiten, al dan niet gepaard gaande met defecten; of
c. stoornissen in het uithoudingsvermogen dan wel vormen van lichamelijke zwakte, waarbij de verschaffing van een loophulpmiddel strekt tot behoud van de zelfredzaamheid of ter voorkoming van opname in een instelling.
-3. Aanspraak bestaat op het hulpmiddel, bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, indien de verzekerde hier langdurig op is aangewezen en niet volstaan kan worden met een eenvoudiger hulpmiddel en indien sprake is van een hand- of armfunctiestoornis, tenzij er tevens sprake is van een stoornis als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, b en c.

 

Art. 17.
-1. De in artikel 2, eerste lid, onderdeel k, bedoelde middelen zijn haarwerken ter gehele of gedeeltelijke vervanging van het hoofdhaar.
-2. De aanspraak op de in het eerste lid bedoelde middelen bestaat indien de verzekerde van een blijvende of langdurige, gehele of gedeeltelijke kaalhoofdigheid zodanige psychische bezwaren ondervindt dat het gebruik van haarwerk redelijkerwijs is aangewezen.
-3. Indien de aanschaffingskosten van hulpmiddelen als bedoeld in het eerste lid hoger zijn dan €|259,50, is de verzekerde een bijdrage verschuldigd ter grootte van het verschil tussen de aanschaffingskosten en dat bedrag.

 

Art. 18.
-1. De in artikel 2, eerste lid, onderdeel l, bedoelde middelen zijn injectiespuiten dan wel injectiepennen, met toebehoren.
-2. Aanspraak op verschaffing van de in het eerste lid bedoelde middelen bestaat indien sprake is van aandoeningen die een langdurig gebruik van deze middelen noodzakelijk maken.
-3. Op de in het eerste lid bedoelde middelen in een aan een handicap aangepaste uitvoering bestaat slechts aanspraak indien de verzekerde tengevolge van een ernstige motorische handicap dan wel een verminderd gezichtsvermogen redelijkerwijs niet kan volstaan met een injectiespuit of -pen in een niet-aangepaste uitvoering.

 

Art. 19. Vervallen.

 

Art. 20.
-1. De in artikel 2, eerste lid, onderdeel n, bedoelde middelen zijn:
a. apparatuur voor het zelf afnemen van bloed;
b. de bij de onder a bedoelde apparatuur behorende lancetten;
c. bloedglucosetestmeter voor het zelf bepalen van het glucosegehalte in bloed, onder de voorwaarde dat aanspraak bestaat op teststrips;
d. teststrips behorend bij de op grond van onderdeel c verstrekte meter, alsmede de noodzakelijke voorlichting over doelmatig gebruik;
e. draagbare, uitwendige infuuspompen met toebehoren.
-2. Aanspraak bestaat op de in het eerste lid genoemde middelen indien sprake is van suikerziekte die met insuline wordt behandeld. Aanspraak bestaat ook indien de suikerziekte nagenoeg is uitbehandeld met orale bloedsuikerverlagende middelen en behandeling met insuline wordt overwogen.
-3. De in het eerste lid, onderdeel c en e, bedoelde middelen omvatten tevens de bij de eerste verschaffing behorende batterijen en oplaadapparatuur, maar niet de vervanging daarvan.
-4.
Op de in het eerste lid, onderdeel a en c, bedoelde middelen in een aan een handicap aangepaste uitvoering bestaat aanspraak indien de verzekerde redelijkerwijs niet kan volstaan met een middel in een niet aangepaste uitvoering.
-5. Aanspraak bestaat op het in het eerste lid, onderdeel e, bedoelde hulpmiddel indien sprake is van een indicatie vermeld in bijlage 5 van deze regeling.

 

Art. 21.
De in artikel 2, eerste lid, onderdeel o, bedoelde middelen zijn aangezichtsmaskers, dan wel een mondstuk, met aanzetstukken bestaande uit een weerstandsbuis en een in- en uitademingsweg scheidend ademventiel. Deze middelen dienen om bij het uitademen een positieve druk te bewerkstelligen ter bevordering van de sputumproductie.

 

Art. 22.
-1. De aanspraak op de in artikel 2, eerste lid, onderdeel p, bedoelde draagbare, uitwendige infuuspompen met toebehoren omvat tevens de bij de eerste verschaffing behorende batterijen en oplaadapparatuur, maar niet de vervanging daarvan.
-2. Aanspraak op de verstrekking van de in het eerste lid bedoelde middelen bestaat indien sprake is van een continue parenterale toediening in de thuissituatie van een geneesmiddel waarop aanspraak bestaat ingevolge de Regeling farmaceutische hulp 1996, met uitzondering van insuline.

 

Art. 23.
-1. De in artikel 2, eerste lid, onderdeel q, bedoelde middelen zijn:
a. verbandschoenen;
b. allergeenvrije schoenen.
-2. Aanspraak op de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde middelen bestaat indien er sprake is van een indicatie als vermeld in bijlage 7 bij deze regeling.
-3. Aanspraak op de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde middelen bestaat indien er sprake is van een door de huidarts vastgestelde allergie.
-4. Indien de aanschaffingskosten van hulpmiddelen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, hoger zijn dan €|134,00 is de verzekerde een bijdrage verschuldigd ter grootte van het verschil tussen de aanschaffingskosten en dat bedrag.
-5. De verzekerde is voor hulpmiddelen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, een bijdrage verschuldigd van €|113,00 per paar. Indien de verzekerde jonger is dan 16 jaar, is hij €|56,50 verschuldigd. Indien de aanschaffingskosten hoger zijn dan €|287,00 onderscheidenlijk €|230,50, is de verzekerde tevens een bijdrage verschuldigd ter grootte van het verschil tussen de aanschaffingskosten en dat bedrag.

 

Art. 24.
-1. De in artikel 2, eerste lid, onderdeel r, bedoelde middelen zijn:
a. niet-klinisch ingebrachte sonden met toebehoren;
b. uitwendige voedingspompen met toebehoren;
c. uitwendige toebehoren, benodigd bij de toediening van parenterale voeding;
d. eetapparaten.
-2. De verschaffing van de in het eerste lid bedoelde middelen omvat niet de kosten van de voeding of van genees- of verbandmiddelen.
-3. De verschaffing van de in het eerste lid, onderdeel b en d, bedoelde middelen omvat tevens de bij de eerste aanschaffing behorende batterijen of accu’s en oplaadapparatuur.
-4. Aanspraak op de in het eerste lid bedoelde middelen bestaat indien het gebruik ervan om medische redenen is aangewezen.

 

Art. 25.
-1. De in artikel 2, eerste lid, onderdeel s, bedoelde hulpmiddelen zijn allergeenvrije en stofdichte matrashoezen, dekbedhoezen en kussenhoezen.
-2. Aanspraak bestaat op de in het eerste lid bedoelde middelen indien uit de resultaten van laboratoriumonderzoek of een huidtest blijkt dat sprake is van een allergie voor uitwerpselen van huisstofmijt.

 

Art. 26.
-1. De in artikel 2, eerste lid, onderdeel t, bedoelde middelen zijn:
a. computers met bijbehorende apparatuur voor lichamelijk gehandicapten;
b. schrijfmachines voor gehandicapten;
c. rekenmachines in een uitvoering, aangepast aan een lichamelijke handicap;
d. invoer- en uitvoerapparatuur en de daartoe benodigde programmatuur, noodzakelijke upgrades daarvan en de gebruiksinstructie, alsmede accessoires voor computers, schrijfmachines en rekenmachines, aangepast aan een lichamelijke handicap;
e. computerprogrammatuur voor grootlettersystemen voor visueel gehandicapten;
f. bladomslagapparatuur;
g. opname- en voorleesapparatuur voor gehandicapten:
1º. memorecorders voor visueel gehandicapten;
2º. daisy-spelers of daisy-programmatuur voor visueel gehandicapten, dyslectici en motorisch gehandicapten;
3º. voorleesapparatuur voor zwartdrukinformatie voor visueel gehandicapten;
h. telefoons en telefoneerhulpmiddelen:
1º. hulpmiddelen voor het kiezen van telefoonnummers;
2º. telefoonhoornhouders;
3º. met omgevingsbesturingsapparatuur te bedienen telefoons;
4º. teksttelefoons, faxapparatuur dan wel beeldtelefoons voor auditief gehandicapten;
i. spraakvervangende hulpmiddelen bij een ernstige spraakhandicap;
j. signaleringsapparatuur en alarmeringssystemen:
1º. wek- en waarschuwingsinstallaties ten behoeve van auditief gehandicapten;
2º. persoonlijke alarmeringsapparatuur voor lichamelijk gehandicapten.
-2. Aanspraak op de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde middelen bestaat indien de lichamelijk gehandicapte voor
informatie en communicatie of bediening van huishoudelijke hulpmiddelen geheel of nagenoeg geheel op deze middelen is aangewezen.
-3. Aanspraak op de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde middelen bestaat indien de lichamelijk gehandicapte voor het onderhouden van maatschappelijke contacten nagenoeg op deze middelen is aangewezen.
-4. Aanspraak op de in het eerste lid, onderdeel h, onder 4º, bedoelde middelen bestaat indien er sprake is van een indicatie als vermeld in bijlage 8.
-5. Aanspraak op de in het eerste lid, onderdeel j, onder 1º, bedoelde middelen bestaat indien er sprake is van een indicatie als vermeld in bijlage 9.
-6. Aanspraak op de in het eerste lid, onderdeel j, onder 2º, bedoelde middelen bestaat indien de lichamelijk gehandicapte in een verhoogde risicosituatie verkeert.
-7. Indien de aanschaffingskosten van faxapparatuur als bedoeld in het eerste lid, onderdeel h, onder 4º, hoger zijn dan €|93,50, is de verzekerde een bijdrage verschuldigd ter grootte van het verschil tussen de aanschaffingskosten en dat bedrag.

 

Art. 26a.
-1. De in artikel 2, eerste lid, onderdeel u, bedoelde middelen zijn uitneembare volledige prothetische voorzieningen voor de boven- of de onderkaak.
-2. Op het in het eerste lid bedoelde middel bestaat geen aanspraak indien de verzekerde voor de verstrekking daarvan aanspraak heeft op grond van artikel 4 of 8 van de Regeling tandheelkundige hulp ziekenfondsverzekering dan wel aanspraak heeft op vergoeding van de kosten daarvan op grond van artikel 3, 5 of 7 van het Uitvoeringsbesluit vergoedingen particulier verzekerden.
-3. De verzekerde is voor het middel, bedoeld in het eerste lid, een bijdrage in de kosten verschuldigd ter grootte van het verschil tussen de aanschaffingskosten en het bedrag dat 75% van de aanschaffingskosten bedraagt.

 

Art. 26b.
-1. De in artikel 2, eerste lid, onderdeel ee, bedoelde hulpmiddelen zijn:
a. stoelen voorzien van een trippelfunctie;
b. loopfietsen.
-2. Aanspraak bestaat op het de middelen, bedoeld in het eerste lid, indien de verzekerde langdurig op deze middelen is aangewezen en sprake is van een indicatie als bedoeld in het derde en vierde lid.
-3. Aanspraak bestaat op de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde middelen indien de verzekerde zich binnenshuis alleen zittend kan verplaatsen en niet beschikt over een in het huis bruikbare rolstoel of indien de verzekerde aanspraak kan maken op een hulpmiddel als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel c en d, maar dit niet kan gebruiken vanwege een gestoorde hand- of armfunctie of zich niet zonder gebruik van de handen staande kan houden.
-4. Aanspraak bestaat op de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde middelen indien sprake is van functiestoornissen van de onderste extremiteiten, al dan niet gepaard gaande met defecten en de verzekerde niet kan volstaan met een eenvoudiger loophulpmiddel.

 

Art. 26c.
-1. De in artikel 2, eerste lid, onderdeel ff, bedoelde middelen zijn:
a. aan functiebeperkingen aangepaste tafels;
b. aan functiebeperkingen aangepaste stoelen, voorzien van één of meer van de volgende functies of aanpassingen;
1º. sta-opsysteem indien de verzekerde niet zelfstandig kan opstaan uit een stoel met een optimale zithoogte;
2º. specifieke polstering;
3º. abductiebalk;
4º. arthrodesezitting;
5º. pelottes voor zijwaarste steun;
c. antidecubituszitkussens;
d. bedden in speciale uitvoering met inbegrip van daarvoor bestemde matrassen;
e. antidecubitusbedden, -matrassen en -overtrekken ter behandeling en ter preventie van decubitus;
f. dekenbogen, onrusthekken, bedgalgen, papegaaien en portalen;
g. bedverkorters en -verlengers.
-2. Aanspraak bestaat op de in het eerste lid bedoelde middelen indien de verzekerde langdurig op het gebruik van deze middelen is aangewezen.
-3. Aanspraak bestaat op de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde middelen indien sprake is van problemen bij het zitten, gaan zitten of met het opstaan en niet kan worden volstaan met een stoel die voldoet aan de normale ergonomische eisen. Geen aanspraak bestaat indien uitsluitend sprake is van vetzucht, reuzen- of dwerggroei.
-4. Op de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde hulpmiddelen in een uitvoering met zwenkwielen, beremming of hoog-laagmechanisme bestaat aanspraak indien het hulpmiddel op diverse plaatsen of met een verschillende werkhoogte moet worden gebruikt.
-5. Aanspraak bestaat op de in het eerste lid, onderdeel d tot en met g, bedoelde middelen indien het gebruik strekt tot behoud van de zelfredzaamheid en met de verschaffing opname in een instelling wordt voorkomen, dan wel indien sprake is van een indicatie voor verpleging.

 

Art. 27. Vervallen.

 

Art. 28.
De verschaffing van de hulpmiddelen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel cc, omvat tevens vergoeding van de kosten verbonden aan de gebruikstraining die noodzakelijk is om doelmatig te kunnen omgaan met het hulpmiddel.

 

Art. 29.
-1. De stroomkosten van de in artikel 2, eerste lid, onderdeel v, bedoelde zuurstofconcentrator komen voor rekening van het ziekenfonds.
-2. Aanspraak op de in artikel 2, eerste lid, onderdeel aa, bedoelde hulpmiddelen bestaat indien er sprake is van een indicatie als vermeld in bijlage 10 bij deze regeling.
-3. Aanspraak op de in artikel 2, eerste lid, onderdeel bb en cc, bedoelde hulpmiddelen bestaat indien er sprake is van een indicatie als vermeld in bijlagen 12 onderscheidenlijk 13 bij deze regeling.
-4. Aanspraak op het in artikel 2, eerste lid, onderdeel dd, bedoelde hulpmiddel bestaat indien sprake is van een indicatie als vermeld in bijlage 3, onder I, en een luchtgeleidingstoestel redelijkerwijs niet kan worden aangepast, met dien verstande dat de verzekerde slechts aanspraak heeft op één hoortoestel van dit type.

 

 

HOOFDSTUK  3

Overgangs- en slotbepalingen

 

Art. 30. Vervallen

 

Art. 31.
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1996.

 

Art. 32.
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling hulpmiddelen 1996.

 

 

     Deze regeling zal met de bijbehorende toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

De Minister voornoemd,
E. Borst-Eilers
.

 

 

 

BIJLAGE  1

behorende bij artikel 11a, tweede lid, van de Regeling hulpmiddelen 1996

 

Indicaties voor orthopedisch schoeisel:

1. Ontbreken van delen van de voet waarop bij gaan en staan gesteund wordt.
2. Ernstige objectiveerbare anatomische afwijkingen en functiestoornissen van de voet: afwijkingen der asstand in bovenste of onderste spronggewricht of andere steunende voetgewrichten; afwijkingen van de lengte-breedteverhouding, onder meer tengevolge van arthrosis of arthritis; afwijkingen tengevolge van sensibiliteits- of circulatiestoornissen.
3. Functioneel of anatomisch beenlengteverschil van 4 cm of meer.
4. Het dragen van bijzondere typen beugels of binnenschoenen, waardoor een afwijkende voetvorm of functie ontstaat als aangegeven onder 2 of 3.
5. Bijzondere individuele zorgvragen.

 

 

 

BIJLAGE  2

behorende bij artikel 12, tweede lid, respectievelijk artikel 12, derde lid, van de Regeling hulpmiddelen 1996

 

I. Medische indicaties voor vervanging van brillenglazen, waaronder filterglazen met of zonder visuscorrigerende werking, en contactlenzen als bedoeld in artikel 12, tweede lid:

1. hoornvliesonregelmatigheden tengevolge van keratoconus dan wel tengevolge van littekens na hoornvliestransplantatie, na ontstekingen van de cornea zoals bijvoorbeeld herpes of na cornea perforatie;
2. sterke graden van brekingsafwijkingen als regel van meer dan 10 dioptrieën;
3. bijzondere individuele zorgvragen.


II. Indicaties voor bandagelenzen zonder visuscorrigerende werking als bedoeld in artikel 12, derde lid:

a. keratitis sicca en pemphigoid;
b. keratitis bullosa;
c. indolente cornea-ulceraties;
d. cornea-etsingen;
e. keratitis-neuroparalytica;
f. cornea-dystrophieën;
g. status na cornea-operaties en cornea-traumata;
h. bijzondere individuele zorgvragen.
Een indicatie voor deze bandagelenzen is in alle gevallen slechts aanwezig indien en voor zover van andere therapieën geen resultaat is verkregen of te verwachten.

 

 

 

BIJLAGE  3

behorende bij artikel 13, tweede lid, respectievelijk artikel 13, derde lid, van de Regeling hulpmiddelen 1996

 

I. Indicaties voor hoortoestellen:

1. Een indicatie voor 1 hoortoestel is aanwezig indien het drempelverlies van het audiogram van het beste oor ten minste 35 dB (verkregen door het gehoorverlies bij frequenties van 1000, 2000 en 4000 Hz te middelen) bedraagt en indien het verstaan van spraak, in stilte aangeboden met normale sterkte (55 dB), door toepassing van het hoortoestel ten minste 20% toeneemt.
2. Een indicatie voor 2 hoortoestellen is aanwezig indien de winst van spraakverstaanvaardigheid ten minste 10% bedraagt ten opzichte van de aanpassing met 1 hoortoestel, dan wel het richtinghoren hersteld wordt tot een hoek van 45 graden.
3. Bijzondere individuele zorgvragen.


II. Indicaties voor ringleidingen, infraroodapparatuur en FM-apparatuur voor geluidsoverdracht:

Een indicatie voor ringleidingen, infraroodapparatuur en FM-apparatuur is aanwezig:
1. indien sprake is van een toondrempelverlies op het beste oor van 40 dB gemiddeld over 500, 1000 en 2000 Hz (zogenaamde Fletcherindex) of 50 dB gemiddeld over 1000, 2000 en 4000 Hz op het beste oor; of
2. indien er volgens de meetmethode van Plomp sprake is van een hinderlijk verlies voor spraakverstaan in ruis van minimaal 3 dB, waarbij er rekening mee dient te worden gehouden dat dit met name bij jonge kinderen moeilijk of niet te meten is.

 

 

 

BIJLAGE  4

behorende bij artikel 19, derde lid, van de Regeling hulpmiddelen 1996

Vervallen

 

 

 

BIJLAGE  5

behorende bij artikel 20, vijfde lid, van de Regeling hulpmiddelen 1996

 

Indicaties voor de verstrekking van draagbare insuline-infuuspompen voor continue subcutane insuline-injectie (CSII):

1. Patiënten bij wie bij optimale zelfregulatie de bloedsuikerwaarden bij herhaling onaanvaardbare schommelingen vertonen, dat wil zeggen schommelingen groter dan 10 mmol/l, of bij wie geen HbAl-gehalte van minder dan 10% of een HbAlc-gehalte van minder dan 8% bereikt kan worden.
2. Patiënten bij wie ondanks goede gemiddelde instelling en zelfregulatie geregeld hypoglycaemieën optreden of
3. Patiënten bij wie goede gemiddelde instelling slechts kan worden bereikt door drie of meer injecties per dag.
4. Diabetica die zwanger wil worden of in verwachting is en bij wie met maximaal twee injecties per dag geen optimale gemiddelde instelling kan worden bereikt ondanks goede instructie, motivatie en begeleiding.
5. Diabetici met pijnlijke en progressieve neuropathie indien optimale zelfregulatie niet tot voldoende verbetering leidt.
6. Jeugdige diabetici met groeistoornissen c.q. verlate puberteit indien optimale zelfregulatie niet tot voldoende verbetering leidt.
7. Bijzondere individuele zorgvragen.

 

 

 

BIJLAGE  6

behorende bij artikel 22, derde lid, van de Regeling hulpmiddelen 1996

Vervallen

 

 

 

BIJLAGE  7

behorende bij artikel 23, tweede lid, van de Regeling hulpmiddelen 1996

 

Indicaties voor de verstrekking van verbandschoenen:

Een indicatie voor verbandschoenen is aanwezig bij huiddefecten, huidulcera, sensibiliteits- en circulatiestoornissen aan de voet, alsmede in de herstelperiode na partiële amputaties, traumatische beschadigingen of operatieve ingrepen aan de voet.

 

 

 

BIJLAGE  8

behorende bij artikel 26, vierde lid, van de Regeling hulpmiddelen 1996

 

I. Indicaties voor teksttelefoons of faxapparatuur:

Een indicatie voor een teksttelefoon of faxapparaat is aanwezig:
1. indien sprake is van een toondrempelverlies op het beste oor van 70dB gemiddeld over 500, 1000, 2000 en 4000 Hz; of
2. indien het verstaan van spraak, in stilte aangeboden met normale sterkte (55dB), zelfs door toepassing van een hoortoestel, met het beste oor niet meer bedraagt dan 50%; of
3. bijzondere individuele zorgvragen.


II. Indicaties voor beeldtelefoons:

Een indicatie voor een beeldtelefoon is aanwezig:
1. Indien een indicatie voor een teksttelefoon of faxapparatuur aanwezig is, maar deze telefoon of apparatuur voor de verzekerde niet bruikbaar is, én de verzekerde de Nederlandse Gebarentaal voldoende beheerst; of
2. in geval van bijzondere individuele zorgvragen.

 

 

 

BIJLAGE  9

behorende bij artikel 26, vijfde lid, van de Regeling hulpmiddelen 1996

 

Indicaties voor wek- en waarschuwingsinstallaties voor auditief gehandicapten:

Een indicatie voor een wek- en waarschuwingsinstallatie is aanwezig:
1. indien er sprake is van een toondrempelverlies op het beste oor van 60 dB gemiddeld over 500, 1000, 2000 en 4000 Hz; of
2. bijzondere individuele zorgvragen.

 

 

 

BIJLAGE  10

behorende bij artikel 29, tweede lid, van de Regeling hulpmiddelen 1996

 

Een indicatie voor CPAP-apparatuur is aanwezig indien is voldaan aan de volgende voorwaarden:
1. Er is sprake van een klinisch relevant obstructief slaapapneusyndroom. Dit is het geval als sprake is van hinderlijke klachten overdag die potentieel toe te schrijven zijn aan het obstructief slaapapneusyndroom (OSAS). Voorbeelden hiervan zijn vergrote slaperigheid en moeheid overdag, concentratiestoornissen, stemmingsstoornissen en verhoogde prikkelbaarheid. Bovendien moet de diagnose OSAS bij polysomnografisch onderzoek zijn bevestigd. Dit is het geval als er sprake is van een apneu-hypopneu-index (AHI) groter of gelijk aan 15 of een apneu-index (AI) groter dan 10 of een respiratoire arousalindex (RAI) groter dan 10. Bij hoge pretestwaarschijnlijkheid op OSAS is polygrafie voldoende. De polygrafie dient dan minimaal te bestaan uit meting van het ademhalingspatroon, zuurstofaturatie, snurkgeluid en slaaphouding.
2. Aanspraak op CPAP-apparatuur met verlaagde expiratiedruk bestaat indien er sprake is van OSAS en voor de behandeling van de verzekerde CPAP met een druk van meer dan 15 cm H20 noodzakelijk is, maar door de verzekerde niet goed wordt verdragen.
3. Conservatieve maatregelen zijn of worden nagestreefd. Het gaat hierbij met name om gewichtsreductie, neusdoorgankelijkheidverbeterende maatregelen en verbetering van de slaaphygiëne (onder meer het vermijden van het gebruik van tabak of alcohol vóór de nachtslaap en het vermijden van slapen in rugligging).
4. Er moet sprake zijn van een succesvolle proefaanpassing. Dat wil zeggen dat een afdoende verbetering van de polysomnografische en klinische afwijkingen tijdens CPAP-behandelingen is geconstateerd en dat sprake is van acceptatie van de CPAP-behandeling door de patiënt.

 

 

 

BIJLAGE  11

behorende bij artikel 14a

 

Gebruiksnormen stomaverzorgingsmiddelen:

Colostoma:
- tweedelig: maximaal 4 plakken per week / maximaal 4 zakjes per dag
- eendelig: maximaal 4 zakjes per dag

Irrigatie:
- spoelsets: eerste jaar maximaal 2 spoelsets, voorts maximaal 1 spoelset per jaar
- spoelpomp: minimale gebruikstermijn: 3 jaar
- maximaal 1 irrigatiesleeve per dag
- na elke spoelbeurt kunnen maximaal 2 stomapleisters of colostomiezakjes gebruikt worden.

Stomapluggen:
- tweedelig: maximaal 1 plak en 4 pluggen per dag
- eendelig: maximaal 4 pluggen per dag

Ileostoma:
- tweedelig: maximaal 4 plakken per week / maximaal 2 zakjes per dag
- eendelig: maximaal 2 zakjes per dag.

Urostoma:
- tweedelig: maximaal 4 plakken per week / maximaal 2 zakjes per dag
- eendelig: maximaal 2 zakjes per dag

Continentstoma:
- afdekpleisters en catheters: 2 tot 6 per dag, afhankelijk van voorschrift.

 

 

 

BIJLAGE  12

behorende bij artikel 29, vijfde lid, van de Regeling hulpmiddelen 1996

 

Indicaties voor soloapparatuur:

Een indicatie voor soloapparatuur is aanwezig:
1. Indien er sprake is van een toondrempelverlies op het beste oor van 40 dB gemiddeld over 500, 1000 en 2000 Hz (zogenaamde Fletcherindex) of 50 dB gemiddeld over 1000, 2000 en 4000 Hz op het beste oor.
2. Indien er volgens de meetmethode van Plomp sprake is van een hinderlijk verlies voor spraakverstaan in ruis van minimaal 3 dB, waarbij er rekening mee dient te worden gehouden dat dit met name bij jonge kinderen moeilijk of niet te meten is.
De apparatuur kan slechts worden verstrekt indien de verzekerde:
1. de apparatuur gebruikt voor het volgen van her- of bijscholing, dan wel niet tot het reguliere onderwijs behorende beroepsopleidingen in klassikaal-, onderscheidenlijk groepsverband; of
2. de apparatuur gebruikt voor het volgen van regulier onderwijs; of
3. de apparatuur gebruikt voor het volgen van speciaal onderwijs in klassikaal-, onderscheidenlijk groepsverband dat niet specifiek gericht is op dove en slechthorende leerlingen; of
4. de apparatuur gebruikt tijdens het op medische noodzakelijke gronden ondergaan van een groepsgewijze therapeutische behandeling; of
5. de apparatuur gebruikt bij het in een gestructureerd en georganiseerd verband verrichten van betaalde of niet-betaalde werkzaamheden. Het is ter beoordeling van het ziekenfonds of in deze situatie soloapparatuur kan worden verstrekt.

 

 

 

BIJLAGE  13

behorende bij artikel 29, derde lid, van de Regeling hulpmiddelen 1996

 

Indicaties voor tactielleesapparaten:

Een indicatie voor het tactielleesapparaat wordt slechts aanwezig geacht indien en voor zover andere hulpmiddelen voor het lezen van zwartschrift voor de visueel gehandicapte niet doelmatig zijn en de betreffende verzekerde in staat is met het apparaat om te gaan. Teneinde dit te kunnen vaststellen dient de verzekerde een test te ondergaan. Indien de resultaten van de test uitwijzen dat de belanghebbende in staat wordt geacht doelmatig met het tactielleesapparaat om te gaan, kan tot verstrekking worden overgegaan.

 

 

 

TOELICHTING
[16 november 1995]

 

1.  Algemeen

 

1.1. Overheveling


     In het regeerakkoord is afgesproken dat de AWBZ zich zal richten op onverzekerbare risico’s en dat de AWBZ weer met deze doelstelling in overeenstemming zal worden gebracht. Hieruit vloeit voort dat zorgvormen die niet langer in de AWBZ thuishoren, onderdeel gaan vormen van de aanspraken op grond van de Ziekenfondswet en de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen. Met ingang van 1 januari 1996 (Stb. 1995, 430) is de verstrekking van hulpmiddelen naar deze verzekeringen overgeheveld. Met de onderhavige regeling is de verstrekking van hulpmiddelen in het kader van de Ziekenfondswet nader geregeld.
     In het Vergoedingenbesluit particulier verzekerden is met ingang van 1 januari 1996 artikel 18a ingevoegd. Daarin is geregeld dat de aanspraak op vergoeding van hulpmiddelen is gekoppeld aan de regeling daarvan in het kader van de ziekenfondsverzekering. Deze regeling betreft dus automatisch ook de nadere regeling met betrekking tot aanspraak op vergoeding van hulpmiddelen in het kader van het standaardpakket.
     Met Zorgverzekeraars Nederland (ZN) en het Kontaktorgaan Publiekrechtelijke Ziektekostenregelingen voor Ambtenaren (KPZ) is overleg gevoerd over de aanspraak op hulpmiddelen van de particuliere verzekerden die zijn aangewezen op een maatschappijpolis en de ambtenaren die zijn aangewezen op een publiekrechtelijke ziektekostenregeling voor ambtenaren. Afgesproken is dat ZN en KPZ zullen bevorderen dat de betreffende categorieën verzekerden met ingang van 1 januari 1996 gelijke aanspraken op hulpmiddelen zullen hebben als de ziekenfondsverzekerden en de verzekerden die zijn aangewezen op een standaardpakket.
     De onderhavige regeling is ten behoeve van de duidelijkheid voorzien van een integrale toelichting. Deze toelichting wijkt op onderdelen af van de bij de Regeling hulpmiddelen AWBZ 1994 behorende toelichting. De afwijkingen hebben betrekking op wijzigingen in de regeling, zoals hierna aangegeven in onderdeel 1.2. Overigens is de toelichting, waar nodig, geactualiseerd of zijn enkele tekstuele verbeteringen aangebracht.
     De Regeling hulpmiddelen AWBZ 1994 is met ingang van 1 januari 1996 van rechtswege komen te vervallen.

 

1.2. Wijzigingen ten opzichte van de regeling in het kader van de AWBZ


     Ten opzichte van de tot 1 januari 1996 bestaande regeling in het kader van de AWBZ is een aantal wijzigingen in de regeling opgenomen. Het betreft de uitbreiding van de aanspraken met:
- continious positive air pressure-apparatuur (CPAP-apparatuur) (artikel 2, tweede lid, onderdeel f);
- bone anchored hearing aid (BAHA-hoortoestel) (artikel 2, tweede lid, onderdeel i);
- tinnitusmaskeerders (artikel 13, eerste lid, onderdeel c);
- spoelapparatuur (artikel 14, eerste lid, onderdeel f);
- faxapparatuur (artikel 26, eerste lid, onderdeel h, onder 4º);
alsmede invoering van maximumvergoedingen voor tinnitusmaskeerders (artikel 13, twaalfde lid), faxapparatuur (artikel 26, achtste lid) en elastische kousen (artikel 19, vijfde lid).
     Tevens zijn de bedragen in artikel 11, negende lid, en artikel 23, achtste lid, trendmatig aangepast. De overige in de regeling opgenomen bedragen zijn ongewijzigd overgenomen; het door de Ziekenfondsraad [zie College voor zorgverzekeringen, red.] gehanteerde indexcijfer, aan de hand waarvan ook deze bedragen jaarlijks worden aangepast, is in de periode 30 juni 1994 - 30 juni 1995 niet veranderd.
     De overige in de regeling opgenomen wijzigingen hebben betrekking op:
-
de betaling van verschuldigde bijdragen (artikel 6);
- het verstrekken van een schriftelijk toelichting door een revalidatiearts (artikel 11, zevende lid);
- verstrekking van een tafelmicrofoon bij infraroodapparatuur voor geluidsoverdracht (artikel 13, eerste lid, onderdeel b);
- verstrekking van injectiepennen (artikel 18, eerste lid);
- beperking van de aanspraak op elastische kousen (artikel 19, tweede lid);
- diplomering van leveranciers van elastische kousen (artikel 19, vierde lid);
- vaststelling van allergie door laboratoriumonderzoek (artikel 25, vierde lid);
- wek- en waarschuwingsinstallaties voor auditief gehandicapten (artikel 26, eerste lid, onderdeel j, onder 1º).

 

1.3. Werkvoorzieningen


     De overheveling van de hulpmiddelen van de AWBZ naar de Ziekenfondswet beoogt ten aanzien van de verstrekking van werkvoorzieningen geen wijziging te brengen in de bestaande afbakeningspraktijk.
     Werkvoorzieningen zijn in het kader van de arbeidsongeschiktheidswetgeving geregeld. Indien het gaat om de verschaffing van een hulpmiddel dat uitsluitend bestemd is voor gebruik op de werkplek, is derhalve een AAW-voorziening aangewezen. De ziektekostenverzekering is niet het passende kader om dergelijke voorzieningen op de meest doelmatige wijze te verstrekken, omdat daarbij aspecten als arbeidsgeschiktheid, passend werk, concurrentievervalsing of bedrijfseconomische oordelen aan de orde zijn.
     Met betrekking tot de afbakening met onderwijsvoorzieningen is aangesloten bij de reeds bestaande uitvoeringspraktijk, inhoudende dat onderwijsvoorzieningen in het algemeen tot de werkvoorzieningen worden gerekend. Hiervoor geldt derhalve eveneens hetgeen hiervoor ten aanzien van de werkvoorzieningen is gesteld.

 

1.4. Toestemming


     Op grond van artikel 15, tweede lid, van het Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering kan de aanspraak op zorg slechts tot gelding worden gebracht voor zover de verzekerde, gelet op zijn behoefte en uit een oogpunt van doelmatige zorgverlening, redelijkerwijs daarop naar aard, inhoud en omvang is aangewezen. Het ziekenfonds kan derhalve, met inachtneming van het voorgaande, de toestemming tot het aanschaffen van hulpmiddelen weigeren. Deze algemene afwijzingsgronden zijn, waar nodig, in een aantal artikelen die het verstrekken van bepaalde hulpmiddelen nader regelen, aangevuld met bepalingen omtrent de indicatie. Het aanschaffen van een hulpmiddel is redelijkerwijs overbodig wanneer de verzekerde, afgezien van het noodzakelijke reserve-exemplaar, reeds over een goed bruikbaar hulpmiddel beschikt, dan wel het reeds aanwezige hulpmiddel door reparatie weer bruikbaar kan worden gemaakt. Onnodig kostbare of onnodig gecompliceerde middelen dienen niet te worden verstrekt. Wat in dit opzicht onnodig is, wordt in overwegende mate bepaald door de situatie waarin de verzekerde op het gebruik van het hulpmiddel is aangewezen. Ook de doelmatigheid van een hulpmiddel wordt, behalve door de aard en de kwaliteit van de constructie, in sterke mate bepaald door individuele factoren, die het ziekenfonds in zijn overwegingen zal betrekken.

 

 

2.  Artikelsgewijs

 

Artikel 2

     De aanspraak omvat in beginsel niet de vergoeding van energiekosten zoals gebruik van elektriciteit, batterijen en oplaadapparatuur. Bij een eerste verschaffing evenwel wordt het middel gebruiksklaar afgeleverd, derhalve met inbegrip van eventuele batterijen. Indien energiekosten bij bepaalde hulpmiddelen wel voor vergoeding in aanmerking komen, wordt dit uitdrukkelijk vermeld.

 

Artikel 2, tweede lid

     De in deze bepaling opgenomen middelen kunnen uitsluitend in bruikleen kunnen worden verstrekt. Het gaat om de volgende hulpmiddelen:
a. Zuurstofapparaat dan wel zuurstofconcentrator met toebehoren. Hieronder wordt verstaan een voorziening waarmee rechtstreekse zuurstoftoediening mogelijk is. De apparatuur kan al dan niet draagbaar zijn. Eén van de redenen dat de aanspraak niet alleen zuurstofapparaten maar ook zuurstofconcentrators omvat, is dat in gevallen dat bij het gebruik van een zuurstofapparaat een groot aantal zuurstofflessen noodzakelijk is, de verschaffing van een zuurstofconcentrator voor de verzekering op enig moment een kostenverlagend effect heeft. Het ziekenfonds bepaalt of een zuurstofapparaat dan wel een zuurstofconcentrator aangewezen is. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat voor de aflevering van zuurstof geen vergunning van de hoofdinspectie voor geneesmiddelen is vereist. Daarom kan in het kader van de onderhavige regeling de aanspraak op een zuurstofapparaat ook de verschaffing van zuurstof inhouden.
b. De longvibrator wordt toegepast bij chronische longpatiënten bij wie het bronchiale slijm regelmatig moet worden verwijderd. Deze voorziening kan in de daarvoor in aanmerking komende gevallen de anders noodzakelijke tapotage vervangen.
c. De vernevelaar is voornamelijk aangewezen bij kinderen, lijdende aan mucoviscidosis met longbeschadiging. Voor nadere informatie zij verwezen naar de circulaire Ziekenfondsraad nr. 278/85 d.d. 13 november 1985. De extramurale toepassing van een misttent is niet meer gebruikelijk.
d. De tv-loupe is een hulpmiddel voor die slechtzienden die slechts door gebruik van dit toestel in staat zijn te lezen. Het apparaat kan pas in bruikleen worden verstrekt indien blijkens een verklaring van een oogarts verzekerde niet in staat is met een eenvoudiger hulpmiddel te lezen en met de bediening van het apparaat vertrouwd is. De installatiekosten komen ten laste van de verzekerde.
e. De uitwendige elektrostimulator tegen chronische pijn geeft in een aantal gevallen een aanzienlijke verlichting van overigens onbehandelbare pijn. Daar het niet te voorspellen is of de toepassing van dit apparaat in een individueel geval effect heeft, dient het apparaat slechts in bruikleen te worden verstrekt indien blijkens de verklaring van de behandelend specialist het apparaat gedurende een proefperiode resultaat oplevert. De aanspraak omvat ook het toebehoren zoals elektroden en elektrodenpasta, maar niet de vervangende batterijen. Kabels, fixatiemiddelen en draagtas zijn eveneens onder het toebehoren begrepen.
f. CPAP-apparatuur is bestemd voor verzekerden met het obstructief slaapapneusyndroom (OSAS). Deze aandoening wordt veroorzaakt door anatomische afwijkingen rond de hogere luchtwegen en kenmerkt zich door adempauzes tijdens de slaap.
g. Een soloapparaat is een hulpmiddel ten behoeve van auditief gehandicapten. Tot de soloapparatuur en toebehoren worden gerekend: de ontvanger en zender met bijbehorende microfoons, de oplaadapparatuur, alsmede de snoertjes en koppelingsaccessoires bij gebruik van een hoortoestel.
h. Tactielleesapparaten zijn aangewezen voor visueel gehandicapten. Tot de toebehoren van het tactielleesapparaat wordt onder meer gerekend: de oplaadapparatuur, een kleinelettercamera, alsmede snoertjes en accessoires die het mogelijk maken de apparatuur te koppelen aan een schrijfmachine of beeldscherm. Of een bepaald toebehoren wordt verstrekt, hangt af van de werkzaamheden waarvoor het apparaat zal worden gebruikt.
i. De bone anchored hearing aid (BAHA) betreft het extern gedragen hoortoestel. Het implantaat, het inwendig deel, maakt hier geen onderdeel van uit. Dit deel kan worden aangemerkt als operatiemateriaal en komt ten laste van het ziekenhuisbudget. Anders dan bij de conventionele hoortoestellen het geval is, geldt voor de BAHA geen maximumvergoeding.

 

Artikel 2, vierde lid

     Het ziekenfonds kan, indien het daartoe aanleiding ziet, kiezen voor verschaffing in bruikleen in plaats van verschaffing in eigendom. Deze mogelijkheid is opgenomen omdat een aantal hulpmiddelen zich zowel leent voor verschaffing in eigendom als voor verschaffing in bruikleen. Daarbij heeft verschaffing in bruikleen het voordeel dat het ziekenfonds een hulpmiddel kan terugvorderen indien een verzekerde er geen gebruik (meer) van maakt.

 

Artikel 3, tweede lid

     Deze bepaling geeft het ziekenfonds de bevoegdheid gelijktijdig of kort na het verstrekken van een hulpmiddel toestemming voor een tweede exemplaar te geven. Het betreft hier een discretionaire bevoegdheid teneinde het ziekenfonds de mogelijkheid te geven rekening te houden met de individuele omstandigheden waarin de verzekerde verkeert. Onder eenzelfde middel wordt in beginsel verstaan een reserve-exemplaar van een reeds verstrekt middel. In het algemeen zal het verstrekken van een reserve-exemplaar redelijkerwijs aangewezen zijn indien de verzekerde zonder dit middel ernstig belemmerd wordt in zijn normale bezigheden en het te verwachten is dat de verzekerde zijn voorziening regelmatig gedurende geruime tijd zal moeten missen in verband met noodzakelijk onderhoud of reparatie.
     In deze bepaling wordt tevens aan het ziekenfonds de mogelijkheid gegeven te bepalen dat het reserve-exemplaar in een ietwat andere uitvoering - als regel van eenvoudiger aard - wordt verstrekt dan het eerste verstrekte middel. Voorts zullen bij de oordeelvorming over de noodzaak een reservemiddel te verstrekken ook de kosten van dit middel in acht worden genomen. Het ziekenfonds dient derhalve een afweging te maken tussen de hinder die de verzekerde ondervindt bij het tijdelijk gemis van zijn voorziening en de kosten verbonden aan het verstrekken van een reserve-exemplaar.

 

Artikel 7, eerste lid

     Krachtens het eerste lid, onderdeel a, kunnen zowel conventionele, niet-bekrachtigde prothesen als prothesen in een bekrachtigde uitvoering worden verstrekt. Bij bekrachtigde prothesen bestond de krachtbron tot voor kort uit koolzuurgas, afkomstig uit al of niet draagbare cilinders. Op dit gebied is echter sprake van een nieuwe ontwikkeling. De meest voorkomende bekrachtigde prothese is nu de myo-elektrische handprothese. De krachtbron bestaat hierbij uit elektriciteit afkomstig uit oplaadbare accu’s. Voor het in- en uitschakelen worden actiepotentialen van één of meer spieren gebruikt. Het grote voordeel van deze prothese is dat deze gedeeltelijk de grijpfunctie van de normale hand kan nabootsen. Hierdoor worden allerlei handelingen weer mogelijk, die ook in sociaal opzicht van groot belang zijn. De gehandicapte met een myo-elektrische handprothese kan op vrijwel normale wijze eet- en drinkgerei hanteren.
     De verschaffing omvat de volgende typen prothesen:
a. de noodprothese;
b. de definitieve of functionele prothese;
c. de sierprothese.
     Daarnaast bestaat krachtens artikel 3, tweede lid, de mogelijkheid een reserve-exemplaar te verstrekken. In verband met de arbeidssituatie kan het nodig zijn naast een myo-elektrische handprothese ook een conventionele arm-handprothese te verstrekken. De in het eerste lid, onderdeel b, vermelde hulp- en aanzetstukken zijn bedoeld voor handelingen van het dagelijkse leven. Als regel zijn hiervoor zes tot acht aanzetstukken voldoende. Hulp- en aanzetstukken die niet eenvoudig van aard zijn en zeer specifiek voor de arbeidssituatie dan wel voor het beoefenen van een liefhebberij nodig zijn, vallen niet onder deze verstrekking.

 

Artikel 7, derde lid

     Prothesen zijn in het algemeen kostbare voorzieningen, zodat de waarborg dat de verzekerde inderdaad het voor hem meest passende middel krijgt, mede om deze reden zo groot mogelijk moet zijn. Teneinde dit te verzekeren, is bepaald dat prothesen dienen te zijn voorgeschreven door de behandelend specialist. Het ziekenfonds zal zich echter ook zelfstandig een oordeel vormen door inschakeling van eigen deskundigen en zo nodig tevens in overleg met de GMD [Gemeenschappelijke Geneeskundige Dienst, red.] treden. Voor de myo-elektrische handprothese geldt de bijzondere voorwaarde dat blijkens een verklaring van de behandelend arts (revalidatiearts) de verzekerde in voldoende mate de besturing van deze prothese beheerst. In verband met de arbeidssituatie is de myo-elektrische handprothese niet steeds een geschikte voorziening.

 

Artikel 8, eerste lid

     De in de handel verkrijgbare prothesen kunnen van uiteenlopende materialen zijn vervaardigd. De materialen waarvan de gebruiksklaar verkrijgbare mammaprothesen zijn vervaardigd, dienen waterbestendig te zijn. Mammaprothesen vervaardigd van schuimrubber voldoen niet aan deze eis. Volledigheidshalve wordt hierbij aangetekend dat de verschaffing van een mammaprothese niet de voorlopige prothese omvat die kort na een operatie wordt verstrekt gedurende het genezingsproces. Deze laatstbedoelde prothese is als verbandmateriaal aan te merken en maakt deel uit van de verstrekking opneming en verder verblijf in een ziekenhuis. Opgemerkt zij dat de bustehouder niet onder de aanspraak valt.

 

Artikel 8, tweede lid

     De in het eerste lid omschreven gebruiksklaar verkrijgbare mammaprothese voor uitwendige toepassing is niet in alle situaties te gebruiken. Zo kan soms de druk van de uitwendige prothese door letsel of afwijkingen aan de borstwand niet altijd worden verdragen. Bij een sterke postoperatieve vervorming van de okselplooi geven de in het eerste lid vermelde prothesen cosmetisch niet altijd een bevredigend resultaat. Op grond van het tweede lid bestaat aanspraak op een individueel vervaardigde mammaprothese, zodat met bovenstaande bezwaren rekening kan worden gehouden. Nu de ontwikkeling zodanig is dat meer verschillende modellen en maten van confectieprothesen in de handel worden gebracht, zal het steeds minder vaak voorkomen dat een individueel vervaardigde mammaprothese nodig is. Aangezien individueel vervaardigde mammaprothesen aanzienlijk duurder zijn dan de fabrieksmatig vervaardigde prothesen, dienen deze slechts verstrekt te worden indien de toepassing van een confectieprothese om medische redenen niet mogelijk is, dan wel uit cosmetisch oogpunt een duidelijk onbevredigend resultaat oplevert. Hierbij dient bedacht te worden dat een misvorming van de voorste okselplooi ook door de kleding heen zichtbaar is. Ook aan een individueel vervaardigde mammaprothese kan de eis worden gesteld dat deze waterbestendig is.

 

Artikel 8, derde lid

     Een mammaprothese is geïndiceerd bij de operatieve verwijdering van de borstklier en bij het geheel of nagenoeg geheel achterwege blijven van de natuurlijke ontwikkeling van de borstklier(en).

 

Artikel 8, vierde lid

     De aanvraag voor de eerste aanschaffing van een mammaprothese moet vergezeld gaan van een schriftelijke verklaring van de behandelend arts waarin de indicatie voor de verschaffing is vermeld. Gaat het om verschaffing van een mammaprothese in verband met een operatief verwijderde borstklier, dan dient in de toelichting te worden aangegeven dat het gebruik van een definitieve prothese aangewezen is. Doordat bij de eerste aanschaffing vooraf toestemming aan het ziekenfonds moet worden gevraagd, worden overhaaste aankopen direct na de operatie nog tijdens het verblijf in het ziekenhuis voorkomen.
     Voor de vervanging van een gebruiksklaar verkrijgbare prothese is geen toestemming vooraf vereist.

 

Artikel 9

     Het ontwerpen van een individuele gelaatsprothese geschiedt in nauw overleg tussen de behandelend specialist, de leverancier en de verzekerde. De motivering van de behandelend specialist heeft tot doel het ziekenfonds in te lichten omtrent de aard van de verminking, alsmede over het te verwachten resultaat van de gelaatsprothese. De levensduur van de gelaatsprothese is afhankelijk van de aard van het toegepaste materiaal, doch dient op ten minste twee jaar te worden gesteld. De vervaardiging van de vervanging van een eerder afgeleverde gelaatsprothese is in de regel minder arbeidsintensief, omdat de leverancier mallen pleegt te bewaren. Daarom zal de kostprijs van vervangende exemplaren als regel aanmerkelijk lager zijn dan van het eerste exemplaar.

 

Artikel 10, eerste lid

     De hier vermelde scleraschaal is niet bedoeld als optisch hulpmiddel, maar ter afdekking van een ernstige misvorming van het voorste deel van de oogbol uit cosmetische overwegingen.

 

Artikel 10, tweede lid

     Voor de aanschaf van een oogprothese is vooraf geen toestemming van het ziekenfonds nodig, aangezien dit in de praktijk overbodig is gebleken.

 

Artikel 11, eerste lid

     Ten aanzien van de hier bedoelde hulpmiddelen geldt dat alle middelen die tot het gestelde doel kunnen leiden, te weten ondersteuning bij deficiëntie van lichaamsdelen, kunnen worden verstrekt. De hulpmiddelen kunnen zowel op conventionele wijze zijn uitgevoerd als van moderne materialen zijn vervaardigd.

     Onderdeel a. Deze aanspraak omvat zowel de verschaffing van orthopedische maatcorsetten en halffabrikaten als van orthopedische confectiecorsetten. In de praktijk worden de orthopedische confectiecorsetten steeds vaker voorgeschreven, ter vervanging van orthopedische maatcorsetten. Op grond van praktijkervaringen is gebleken dat een grote groep patiënten adequaat kan worden geholpen met een orthopedisch confectiecorset terwijl de kosten aanzienlijk lager zijn. Uit het oogpunt van kwaliteit blijkt het belangrijk dat het corset wordt afgeleverd door een deskundig leverancier. Deze deskundigheid is aanwezig bij de primair opgeleide instrumentmaker en bandagist (opleiding onder auspiciën van de Stichting Opleiding Metaal, geregistreerd onder de beroepsnummers 651 en 653).

     Onderdeel b. Onder orthopedische beugelapparatuur wordt een veelheid van orthopedische voorzieningen verstaan, die tot doel hebben een verloren gegane functie zo goed mogelijk te vervangen. Onder het begrip beugelapparatuur vallen zowel beugels in engere zin als ook de bijbehorende kappen of kokers. Stabeugels (staplank, statafel of sta-unit), voor zover individueel gericht op de geneeskundige behandeling van één verzekerde, vallen ook onder de aanspraak.

     Onderdeel c. De verstevigde spalk-, redressie- of correctieapparatuur is niet scherp van de onder b bedoelde middelen af te grenzen. Hieronder vallen zowel voorzieningen voor de romp zoals zitschalen, reclinatiecorsetten en rechthouders als voorzieningen voor de ledematen. Met de toevoeging van het woord "verstevigd" is bedoeld te benadrukken dat het bij de onderhavige orthesen gaat om apparatuur welke - ongeacht het materiaal - ten minste is voorzien van verstevigingen die van metaal of kunststof zijn vervaardigd, welke niet zo buigzaam zijn dat zij bij normaal gebruik als vanzelf vervormen. De hiervoor gegeven omschrijving beoogt niet uit te sluiten dat in de apparatuur scharnieren zijn aangebracht. Deze omschrijving sluit de verschaffing van zit- of ligschalen niet uit, aangezien deze kunnen worden beschouwd als uitsluitend te bestaan uit verstevigd materiaal.
     Zitorthesen die onderdeel uitmaken van een rolstoel of kinderduwwandelwagen, worden geacht met dat betreffende hulpmiddel één geheel te vormen. Deze orthesen kunnen niet op grond van deze regeling worden verstrekt. De rolstoel en kinderduwwandelwagen dienen compleet en gebruiksklaar - derhalve inclusief de zit- of staorthese - op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten door de gemeenten te worden verstrekt.
     Aanspraak op verstevigde spalk-, redressie- of correctieapparatuur bestaat indien de verzekerde langdurig op het gebruik van deze middelen is aangewezen. Ziekenfondsen werden in het verleden geconfronteerd met aanvragen voor deze orthesen - veelal ten behoeve van verzekerden die nog in het ziekenhuis verblijven dan wel uit het ziekenhuis worden ontslagen - bij indicaties die voorheen werden behandeld met conservatieve materialen zoals bijvoorbeeld gips, waarvan de kosten ten laste van het ziekenhuisbudget kwamen. De onderhavige beperkende omschrijving van deze aanspraak biedt een handvat om de verschuiving van kosten van postoperatieve behandelingen naar de Regeling hulpmiddelen 1996 tegen te gaan.

     Onderdeel d. De onderhavige kap kan in de in het derde lid omschreven gevallen ook preventief worden verstrekt.

     Onderdeel f. Met de hier gebruikte omschrijving wordt gedoeld op de laryngofoon. Aanspraak bestaat op een stemprothese of spraakversterker, al dan niet gecombineerd. De stemprothese kan de mogelijkheid hebben tot verandering van intonatie. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de laryngofoon een merknaam is.

     Onderdeel h. De verschaffing van orthopedisch schoeisel dient plaats te vinden in situaties waarin niet volstaan kan worden met confectieschoeisel of met geselecteerd confectieschoeisel, zoals bijvoorbeeld bij gespecialiseerde schoenleveranciers verkrijgbaar is. Orthopedisch schoeisel is te onderscheiden in:
- Schoenen die volgens gedetailleerd voorschrift van de behandelend specialist worden vervaardigd op basis van een voor betrokkene specifieke leest door een daartoe gekwalificeerd orthopedisch schoentechnicus.
- Individueel vervaardigde binnenschoenen zonder zool en hak, te dragen in confectieschoenen, vervaardigd door een orthopedisch schoentechnicus. Deze worden toegepast bij partiële voetdefecten of beenverkorting. De binnenschoen vult het defect aan, waardoor een ongeveer normale voetvorm dan wel beenlengte wordt verkregen.
- Semi-orthopedisch schoeisel, waaronder is te verstaan fabrieksmatig in serie vervaardigde schoenen waaraan volgens gedetailleerd voorschrift van de behandelend specialist speciale voorzieningen worden aangebracht door een gekwalificeerde orthopedische schoentechnicus. De duurzaamheid en de mogelijkheden tot het aanbrengen van correcties zijn bij dit soort schoeisel geringer dan bij volledig individueel vervaardigd orthopedisch schoeisel. De besparing ten aanzien van de kosten en vooral ten aanzien van de levertijd is groot.

     Onderdeel i. De orthopedische voorzieningen aan confectieschoenen dienen eveneens door een gekwalificeerde orthopedische schoentechnicus te worden aangebracht. Zij zijn verbonden aan de indicaties van bijlage 1. De aangepaste confectieschoenen dienen ter vervanging van orthopedische schoenen als aangegeven onder h. Hierbij wordt opgemerkt dat de verzekerde slechts aanspraak heeft op de voorzieningen en niet op de confectieschoenen waaraan de voorzieningen worden aangebracht.
     De gebruiksduur van de in dit artikel opgenomen middelen wordt overwegend bepaald door de individuele situatie waarin de verzekerde verkeert. Als richtlijn kan worden aangegeven dat de gebruiksduur van de middelen onder a tot en met g gemiddeld op twee jaar is te stellen. Voor het onder h vermelde orthopedisch schoeisel bedraagt de gemiddelde gebruiksduur zes à negen maanden voor kinderen en één à anderhalf jaar voor volwassenen. Het verstrekken van reservemiddelen komt in het algemeen in aanmerking voor de onder h en i bedoelde voorzieningen.

 

Artikel 11, tweede lid

     Gesignaleerd is dat de laatste jaren steeds meer orthesen preventief worden gebruikt bij het beoefenen van sport. Een dergelijk gebruik wordt niet in overeenstemming geacht met de aard van een sociale ziektekostenverzekering en is derhalve van de verzekering uitgesloten.

 

Artikel 11, derde lid

     In het derde lid is bepaald dat de verschaffing van een kap ter bescherming van de schedel niet beperkt is tot situaties waarin sprake is van een schedeldefect. Ook wanneer een schedeldefect dreigt in verband met frequente evenwichts- of bewustzijnsstoornissen, kan de kap worden verstrekt.

 

Artikel 11, vierde lid

     Plat-, spreid- en knikvoeten, eeltlagen en likdoorns vormen als regel geen indicatie voor de verschaffing van orthopedisch schoeisel.

 

Artikel 11, achtste lid

     Voor de verschaffing van orthesen is uit een oogpunt van kwaliteit aflevering door een deskundig leverancier van belang. Geadviseerd wordt het vervaardigen van orthopedische beugelapparatuur over te laten aan de primair opgeleide instrumentmaker en bandagist (opleiding onder auspiciën van de Stichting Opleiding Metaal, geregistreerd onder de beroepsnummers 651 en 653).

 

Artikel 11, negende lid

     Aan de eigen bijdrage voor orthopedische schoenen ligt het besparingsmotief ten grondslag. Immers, iedereen zal regelmatig schoenen moeten aanschaffen. Het wordt billijk geacht dat ook verzekerden die aangewezen zijn op orthopedische schoenen, een vergelijkbaar bedrag in de aanschaffingskosten van deze schoenen betalen.

 

Artikel 12, eerste lid

     De gezichtshulpmiddelen worden in vier hoofdgroepen onderscheiden, te weten brilleglazen, contactlenzen, bandagelenzen zonder visuscorrigerende werking en bijzondere optische hulpmiddelen. Onder de laatste groep vallen voorzieningen als telescoopbrillen, verrekijkerbrillen, loepen, enz.
     Het ziekenfonds dient te bevorderen dat zoveel mogelijk een goed bruikbare, doch eenvoudige uitvoering wordt gekozen. Tevens dient het ziekenfonds te beoordelen of het gezichtshulpmiddel geschikt is voor een bepaalde verzekerde. Zo heeft een handloep met een sterke vergroting geen zin als de verzekerde niet in staat is de kritische leesafstand door bijkomende hulpmiddelen (zoals statief) te handhaven. De bijkomende hulpmiddelen zoals het eventuele montuur, statief of verlichting vallen eveneens onder de aanspraak. Niet tot de bijzondere optische hulpmiddelen in de zin van dit artikel worden gerekend technische hulpmiddelen die een vergroot beeld van het voorwerp projecteren, zoals de epidiascoop.

 

Artikel 12, tweede lid

     In het algemeen hebben verzekerden geen aanspraak op vergoedingen voor brilleglazen en contactlenzen. Slechts bij bepaalde indicaties volgens bijlage 2, onder I, bij de regeling kunnen deze middelen worden verstrekt, indien althans sprake is van een medische noodzaak tot vervanging van de brilleglazen of contactlenzen binnen een periode van twaalf maanden.

 

Artikel 12, derde lid

     Van de verschaffing van contactlenzen worden de bandagelenzen zonder visuscorrigerende werking (sterkte nul) onderscheiden. De verschaffing van deze bandagelenzen blijft gebonden aan een aantal, in bijlage 2, onder II, met name genoemde indicaties.

 

Artikel 13, eerste lid, onderdeel a

     Bij de omschrijving van de aanspraak van de verzekerden op verschaffing van een hoortoestel is aansluiting gezocht bij de door de Gezondheidsraad opgestelde definities van een hoortoestel.
     In deze bepaling wordt voorts aangegeven wat onder een bijzondere uitvoering begrepen wordt. De modellen kunnen ingedeeld worden in: kastmodel, achter-het-oortoestel, toestel in brilmontuur en in de uitwendige gehoorgang gedragen toestel. Tot de hoortoestellen worden niet gerekend babyfoons, telefoonversterkers, koptelefoons, luisterkragen en systemen voor optische of gevoelszintuigelijke waarneming zoals bijvoorbeeld communicatie-units bestaande uit vibrators, flitsbellen of knipperlichten en licht- of trilwekkers.

 

Artikel 13, eerste lid, onderdeel b

     De ringleiding is bedoeld voor slechthorenden. Via een ringleidingsysteem hoort de slechthorende alleen datgene wat via een microfoon of een andere geluidsbron (radio, televisie, telefoon, deurbel, etc.) op de ringleidinginstallatie binnenkomt. De afstand tussen de geluidsbron en de slechthorende wordt op deze wijze tot nagenoeg nihil gereduceerd. De storende invloed van omgevingsgeluiden wordt hierdoor verkleind, hetgeen de verstaanbaarheid aantoonbaar kan verbeteren.
     De ringleiding moet gezien worden als een verlengstuk van het hoortoestel. De ringleiding in een eenvoudige uitvoering bestaat uit een versterker en zogenaamde ringleiding (inductielus). De ringleidingversterker zet het signaal van de geluidsbron om in een elektromagnetisch signaal. Dit signaal wordt vervolgens via de inductielus, die veelal op de plint langs de muur wordt bevestigd, uitgezonden in de ruimte waar de lus is aangebracht. Door middel van een inductiespoel in het hoortoestel kunnen deze elektromagnetische golven worden omgezet in een voor het oor "hoorbaar" signaal. De ringleiding kan alleen worden toegepast indien een slechthorende reeds gebruik maakt van een hoortoestel.
     Naast het ringleidingsysteem bestaat de mogelijkheid om met infraroodapparatuur voor geluidsoverdracht de afstand tussen de geluidsbron en de slechthorende te verkleinen. Het signaal van de geluidsbron wordt door middel van een infraroodzender omgezet in infrarode straling. Een infraroodontvanger vertaalt dit signaal in een voor het oor waarneembaar signaal. De infraroodapparatuur kan zowel in combinatie met een hoortoestel als zonder een hoortoestel worden gebruikt.
     Zowel het ringleidingsysteem als de infraroodapparatuur hebben als doel de afstand tussen de geluidsbron en de slechthorende te verkleinen. De woon- of werksituatie en de mate van slechthorendheid bepalen of in een situatie de ringleiding dan wel de infraroodapparatuur doelmatiger is. Verondersteld mag worden dat in de woon-werksituatie eenvoudige ringleiding- of infraroodapparatuur veelal voldoende is. Om deze reden is bij de vaststelling van de maximale vergoeding voor deze apparatuur uitgegaan van een basisvoorziening, inclusief de eventuele aanlegkosten. Hierbij moet worden gedacht aan de overdracht van het geluid van de televisie, radio of een microfoon. Indien een aantal geluidsbronnen wordt uitgebreid met bijvoorbeeld deurbel, telefoon of babyfoon, kan niet worden volstaan met eenvoudige apparatuur. In dat geval dient gebruik te worden gemaakt van speciale randapparatuur. De meerkosten van de benodigde uitbreiding van de apparatuur komen in dat geval voor rekening van de verzekerde.
     Toepassing van de ringleiding of infraroodapparatuur voor algemeen gebruik zoals in vergaderzalen, theaters of kerken behoren niet tot de aanspraken op grond van deze regeling.

 

Artikel 13, eerste lid, onderdeel c

     Oorsuizen is een klacht die regelmatig voorkomt. Een deel van de mensen die dergelijke klachten hebben, ondervinden hiervan veel hinder. In deze gevallen kan een maskeerder ter behandeling van oorsuizen, oftewel een tinnitusmaskeerder, soms enige verlichting geven. Dit apparaat lijkt op een hoortoestel, maar in plaats van geluiden te versterken produceert het zelf een maskerend geluid, dat zo dicht mogelijk aansluit bij de tinnitus en dit zodoende onderdrukt.

 

Artikel 13, tweede lid

     De kosten van vervanging van batterijen of accu’s moet worden gerekend tot kosten van het normale gebruik en onderhoud van een hoortoestel, welke kosten op grond van artikel 15, vierde lid, van het Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering voor rekening van de verzekerde komen. De vervanging van oorstukjes dient daarentegen wel uit hoofde van de verzekering te worden vergoed. Periodieke onderhoudsbeurten worden niet geacht tot de aanspraak te behoren.
     Hoortoestellen zijn kostbare voorzieningen. Niet iedere vorm van slechthorendheid is met een hoortoestel te verhelpen. Daarom is bepaald dat slechts aanspraak op een hoortoestel bestaat indien er sprake is van een indicatie als genoemd in bijlage 3, onder I, bij de regeling. Evenals bij andere hulpmiddelen is geen termijn gesteld waarbinnen ten hoogste één keer hetzelfde middel wordt verstrekt. Als richtlijn geldt dat de gebruiksduur van een hoortoestel bij gelijkblijvende situaties van het gehoor op ongeveer vijf jaar kan worden gesteld. Het verschaffen van een reserve-exemplaar is gezien de kosten niet aangewezen.

 

Artikel 13, zevende lid

     Het ziekenfonds heeft de bevoegdheid te bepalen op welk soort of type en op welke uitvoering van het hoortoestel de verzekerde aanspraak heeft. Dit betekent dat deze keuzemogelijkheid niet bij de verzekerde en de leverancier berust.

 

Artikel 13, tiende lid

     Het in dit lid genoemde maximumvergoedingsbedrag heeft uitsluitend betrekking op het hoortoestel. De vergoeding van het hoortoestel en van de oorstukjes c.q. de bij de aanschaf van het hoortoestel behorende batterijen of accu’s dienen dan ook afzonderlijk te worden berekend.

 

Artikel 14, eerste lid

     Bij de hier genoemde middelen gaat het om uiteenlopende voorzieningen die in het algemeen per stuk weinig kostbaar zijn, maar door de betrokkenen bij herhaling en langdurig moeten worden gebruikt.

     Onderdeel a. Onder draagurinalen vallen ook condoomurinalen. Aangezien de urethraklem zelden geïndiceerd is, is deze aanspraak komen te vervallen.

     Onderdeel b, 1º. Al dan niet magnetische sluitingen van de stoma kunnen ook tot de stomabandages worden gerekend.

     Onderdeel b, 5º. Onder stomabeschermers voor gelaryngectomeerden worden verstaan camouflagebeffen en douchebeschermers voor gelaryngectomeerden met een kunstmatige luchtwegingang, voor zover deze niet als kledingstuk zijn te beschouwen en geen verbandmiddelen zijn.

     Onderdeel c. Onder stompkousen worden ook elastische stompkousen verstaan.

     Onderdeel d. Onder toebehoren bij catheters worden onder andere verstaan schoonmaak-desinfectiemiddelen, receptaculum, glijvloeistof.

     Onderdeel e. De ziekenfondsen hebben de mogelijkheid om door middel van de te sluiten medewerkersovereenkomsten invloed uit te oefenen op de prijzen van de te verstrekken materialen. In de overeenkomsten met de leveranciers van incontinentieabsorptiematerialen zal onder meer aandacht dienen te worden besteed aan door de leverancier mondeling en eventueel ook schriftelijk aan de verzekerde te geven voorlichting over doelmatig gebruik, alsmede aan de kwaliteit en de kosten van de af te leveren materialen. Tevens zal de leverancier in de gelegenheid moeten voorzien dat de verzekerde de voor hem benodigde materialen kan passen.

     Onderdeel g. Het drukpak dient om woekering van weefsel na brandwonden tegen te gaan.

 

Artikel 14, vierde en zevende lid

     Voor alle onder a tot en met f genoemde middelen geldt dat voorafgaande toestemming van het ziekenfonds is vereist. Deze toestemming is echter eenmalig. Hiermee is beoogd de procedure minder bureaucratisch te doen zijn, terwijl toch voor het ziekenfonds de mogelijkheid aanwezig blijft om op een goede uitvoering van de regeling toe te zien. Een verleende toestemming kan door het ziekenfonds worden ingetrokken of aan voorwaarden worden verbonden aan de hand van de algemene criteria ter zake: redelijkerwijs overbodig, onnodig kostbaar, onnodig gecompliceerd of niet doelmatig.

 

Artikel 16

     Onder de in het eerste lid bedoelde loophulpen vallen hulpmiddelen die de verzekerde een compensatie geven voor functiestoornissen van de onderste extremiteiten. De hulpmiddelen die bij het gebruik door de verzekerde worden meegenomen, stellen de verzekerde in staat zich ondanks de functiestoornis op eigen kracht te verplaatsen. Tot de aanspraak worden niet gerekend oefentoestellen, bouwkundige voorzieningen in huis, wandelstokken en hulpmiddelen die mechanisch worden voortbewogen, zoals rolstoelen. Krukken, loophulpen met drie of vier poten, looprekjes, kruipsteunen, loopwagens en zogenaamde trippelstoelen voor gebruik binnenshuis, waarbij het bewegingsapparaat van de betrokkene gebruikt wordt, behoren daarentegen wél tot de aanspraak. Om voor de verschaffing in aanmerking te komen, dient de verzekerde langdurig op de voorziening te zijn aangewezen.
     Een serveerwagen wordt gebruikt voor het verplaatsen van goederen binnenshuis door verzekerden bij wie sprake is van een loopfunctiestoornis of een handfunctiestoornis. Afhankelijk van de functiestoornis en het doel waarvoor het middel wordt gebruikt, zal het ziekenfonds moeten beoordelen of in een individueel geval een serveerwagen of een loophulp met dien- en serveeronderdelen zoals bijvoorbeeld de rollator, aangewezen is.

 

Artikel 17

     Onder de aanspraak vallen zowel pruiken van echt haar als van synthetisch materiaal. De indicatie, opgenomen in het tweede lid, heeft tot gevolg dat bij het bepalen van de aanspraak op verschaffing van een pruik bezwaren van maatschappelijke aard niet in aanmerking worden genomen.

 

Artikel 18

     Injectiespuiten of -pennen, al dan niet als wegwerpartikel steriel verpakt met toebehoren, dienen slechts te worden verstrekt aan verzekerden die in verband met een chronische ziekte regelmatig inspuiting van geneesmiddelen behoeven. Naast lijders aan suikerziekte, asthma-bronchiale en haemofilie kunnen genoemd worden verzekerden die thuis haemodialyse toepassen. Naar keuze van de verzekerde en de behandelend arts kunnen injectiespuiten en -naalden worden verstrekt, al dan niet voor eenmalig gebruik. Op het gebied van injectiespuiten zijn vele ontwikkelingen gaande. De zogenaamde hogedrukspuiten - die overigens niet vallen onder het derde lid - dienen alleen in zeer bijzondere gevallen verstrekt te worden, aangezien de effecten op langere termijn van het gebruik van een dergelijke spuit niet bekend zijn. Bij zijn oordeelsvorming over de verschaffing van een hogedrukspuit dient het ziekenfonds met toepassing van artikel 15, tweede lid, van het Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering mede te bezien of een toebehoren, zoals een apparaatje dat speciaal ontwikkeld is voor het geven van pijnloze injecties met behulp van een normale injectiespuit, als een alternatief is aan te merken. Bijkomende middelen welke beogen het injecteren te vergemakkelijken of comfortabeler te maken, behoren in het algemeen niet tot de aanspraak. In het derde lid is aangegeven dat verschaffing van een aan een handicap van de verzekerde aangepaste injectiespuit slechts is toegestaan indien sprake is van ernstige afwijkingen van het gezichtsvermogen of ernstige motorische afwijkingen.

 

Artikel 19

     Teneinde het gewenste therapeutische effect te bereiken, dienen elastische kousen te voldoen aan zekere eisen. Onder elastische kousen in de zin van dit artikel worden dan ook uitsluitend verstaan aangemeten minstens tot de knie strekkende kousen die door de aard van het breiwerk en door het inleggen respectievelijk meebreien van elastische draden in hoofdzaak in de breedterichting en in mindere mate in de lengterichting uitrekbaar zijn. Het breiwerk dient zodanig te zijn dat een rechtstreeks contact van de elastische draden met de huid voorkomen wordt en dat verder in voldoende mate zowel warmte als vocht kunnen worden doorgelaten. Door de elasticiteit moeten de kousen - zonder nauwelijks enige beïnvloeding door het uitrekken in de lengterichting - in staat zijn een druk van minstens 33 hectopascal per vierkante centimeter op het been uit te oefenen ter hoogte van de smalste omvang van het been boven de enkel indien deze omvang aldaar 21 centimeter bedraagt en derhalve ter plaatse een kromtestraal van 3,34 centimeter gerekend mag worden. De druk die de kousen op de benen uitoefenen, zal te rekenen vanaf de voet geleidelijk in de richting van het hart dienen af te nemen.
     Elastische kousen die een geringere druk dan bovenvermeld uitoefenen, zijn geen elastische kousen in de zin van deze regeling.
     Krachtens artikel 15, tweede lid, van het Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering verleent het ziekenfonds geen toestemming voor het aanschaffen van een hulpmiddel indien dit redelijkerwijs overbodig is. Ten aanzien van elastische kousen houdt dit in dat de verzekerde lijdt aan zodanige aandoeningen dat het uitoefenen van ten minste bovenvermelde druk noodzakelijk is. Als voorbeelden van dergelijke aandoeningen gelden elefantiasis en lymfiden varicosis met oedeemvorming.
     De gebruiksduur van elastische kousen van goede kwaliteit kan op ongeveer negen maanden worden gesteld. Het verdient om hygiënische redenen aanbeveling de verzekerde binnen deze termijn toestemming te geven voor het aanschaffen van een tweede paar. Overigens kan drie maanden na het aanschaffen van het eerste paar de beenomvang zodanig zijn gewijzigd dat een nieuw middel ter vervanging van een eerder verstrekt middel dient te worden verstrekt.

 

Artikel 19, tweede lid

     Het gebruik van therapeutsch-elastische kousen in verband met de nabehandeling van het verwijderen van spataderen (scleroseren) is van de aanspraak uitgesloten. De alternatieve behandeling, zwachtelen, brengt minder kosten met zich mee. De nabehandeling van het verwijderen van spataderen, inclusief de daarbij te gebruiken materialen (zwachtels of elastische kousen), vormt overigens reeds een onderdeel van de specialistische hulp.

 

Artikel 19, vijfde lid

     De aanspraak op therapeutisch-elastische kousen is verbonden aan maximumvergoedingen, zoals vermeld in bijlage 4 van de regeling. Voor het maximaal ten laste van de verzekering komend bedrag kunnen reeds zonder bijbetaling door de verzekerde kousen van een aanvaardbaar kwaliteitsniveau worden verstrekt. Indien de verzekerde voor duurdere kousen kiest, zijn de meerkosten voor eigen rekening. Met betrekking tot de maximumvergoedingen is een onderscheid gemaakt naar de lengteklassen van de kousen (AD, AF, AG, AGH en panty) en naar maat- en confectiekousen. Voor de lengteklassen AG, AGH en panty gelden dezelfde maxima, die zijn vastgesteld op basis van de prijzen van AG-kousen. AGH-kousen en panty’s zijn in het algemeen duurder dan AG-kousen, maar hebben geen therapeutische meerwaarde. De meerkosten zijn daarom voor de verzekerde. De maximumvergoedingen gelden thans uitsluitend voor rondbreikousen. De invoering van maximumvergoedingen voor vlakbreikousen vergt nog nader onderzoek.

 

Artikel 20

     Met de verschaffing van diabetestesthulpmiddelen wordt beoogd de onafhankelijkheid en de zelfredzaamheid van de verzekerde te vergroten en de regulering van de suikerziekte te verbeteren door een frequentere bijstelling van de medicatie dan mogelijk zou zijn bij een poliklinische controle.
     Met de verschaffing van een draagbare insuline-infuuspomp dient behoedzaam te worden omgegaan. Toepassing van de continue subcutane insuline-injectie (CSII) dient niet plaats te vinden indien alleen sprake is van "brittle"-diabetes of naast diabetes alleen van retino- of nefropathie. CSII is evenmin geïndiceerd indien door middel van twee gewone injecties per dag voldoende regulatie bereikt kan worden, onderscheidenlijk indien dit lukt door middel van recent ontwikkelde pijnloze injectiemethoden. CSII dient slechts dan definitief toegepast te worden indien de betrokkenen of de ouders/verzorgers gedurende minstens drie maanden na ontvangen instructie bewezen hebben de methodiek te beheersen. CSII is niet geïndiceerd indien deze behandeling niet realiseerbaar is als gevolg van een onregelmatige leefwijze.
     Voordat aan CSII wordt begonnen, dient redelijkerwijs vast te staan dat betrokkenen gemotiveerd en bereid zijn nadere instructie te ontvangen. De voorschrijvend specialist dient zicht ervan te vergewissen dat vlotte 24-uurs bereikbaarheid per telefoon van op dit gebied goed ingewerkte hulpverleners is gerealiseerd. In dit verband dient tevens een zodanige bereikbaarheid van de leverancier gegarandeerd te zijn dat bij technische mankementen snel hulp kan worden verleend. Mede omdat het van groot belang is welke infuuspomp wordt gekozen, gezien het verschil in kwaliteit ervan, verdient het de voorkeur de levering van de pomp via de ziekenhuisapotheek te doen geschieden, aangezien verwacht mag worden dat men daar over de kennis en ervaring beschikt om één en ander goed te regelen.
     Bruikleenverschaffing met het beheer over de pompen door de ziekenhuisapotheker heeft in de praktijk aangetoond een goed werkende regeling te zijn. Bij het toebehoren van de infuuspomp wordt gedacht aan fixatiemateriaal, desinfectantia, verbindingsslangetjes, naalden. Bij de eerste aanschaf behoren ook batterijen, maar deze kunnen niet voor rekening van de verzekering vervangen worden.

 

Artikel 20, zevende en achtste lid

     Verschaffing van bijzondere prikapparatuur en/of apparatuur waarbij het bloedsuikergehalte via een schaal of door geluid wordt weergegeven, is slechts mogelijk indien er sprake is van bijkomende handicaps zoals ernstige gezichtsafwijkingen, ernstige motorische afwijkingen of ernstige kleurenblindheid. Hierbij zij opgemerkt dat kleurenblinden met gebruik van verschillen in grijstinten veelal wel in staat zijn de kleurschalen te gebruiken.

 

Artikel 20, negende lid

     Toestemming van het ziekenfonds voor de aanschaf van de apparatuur dient vooraf door of namens de verzekerde te worden aangevraagd. Bij de aanvraag dient een schriftelijke toelichting van de behandelend specialist te worden gevoegd. Deze zal kunnen aangeven dat de betrokken verzekerde dan wel zijn verzorger(s) in staat zijn de testhulpmiddelen en de resultaten daarvan op verantwoorde wijze te hanteren. Indien - naast de suikerziekte - sprake is van zodanige ernstige visuele of motorische handicaps dat bijzondere prik- of afleesapparatuur nodig is, zal dit speciaal moeten worden beargumenteerd.

 

Artikel 21

     Het ademen met positieve eindexpiratoire monddruk (positive expiratory pressure, PEP) vergemakkelijkt bij patiënten met chronische ademhalingsaandoeningen het ophoesten van stagnerend slijm. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een instrument bestaande uit een masker of mondstuk, met als aanzetstukken een weerstandsbuis en een ademventiel dat de in- en uitademingweg scheidt. Het middel wordt enkele malen per dag gedurende 15 tot 20 minuten gebruikt. De vereiste weerstand dient door de longarts of door de kinderarts te worden vastgesteld. Bij het in gebruik nemen is controle met behulp van een manometer noodzakelijk. Deze manometer vormt een extra accessoire dat niet door de patiënt behoeft te worden aangeschaft, maar dat tijdens de instructie kan worden gebruikt.

 

Artikel 22

     Naast de draagbare, uitwendige insuline-infuuspomp als onderdeel van de aanspraak op hulpmiddelen bij diabetes en de uitwendige voedingspomp als onderdeel van de aanspraak op hulpmiddelen voor het toedienen van voeding, kunnen ook bij een aantal andere indicaties draagbare uitwendige infuuspompen worden verstrekt. In bijlage 5 zijn de desbetreffende indicaties vermeld. Tot de toebehoren van de infuuspompen worden onder meer gerekend fixatiemateriaal, desinfectantia, verbindingsslangetjes en naalden. Bij de eerste aanschaf behoren ook de batterijen, maar deze kunnen niet voor rekening van de verzekering worden vervangen. Implanteerbare infuuspompen vallen niet onder de aanspraak.

 

Artikel 23, eerste lid

     De aanspraak op schoenvoorzieningen omvat zowel de verschaffing van verbandschoenen als van allergeenvrije schoenen.

     Onderdeel a. De verschaffing van verbandschoenen gaat uit van fabrieksmatig vervaardigde verbandschoenen.

     Onderdeel b. Allergeenvrij schoeisel wordt voorgeschreven aan patiënten die als gevolg van een bepaalde allergie geen gewoon confectieschoeisel kunnen verdragen. Het gaat in principe om in serie vervaardigd allergeenvrij schoeisel.

 

Artikel 23, zevende en achtste lid

     Voor verbandschoenen geldt dat de door het ziekenfonds te verlenen verstrekking aan een maximum is verbonden. De prijs van fabrieksmatig vervaardigde verbandschoenen blijft in het algemeen onder dit maximaal voor rekening van de verzekering komende bedrag.
     Aan de eigen bijdrage voor allergeenvrije schoenen ligt het besparingsmotief ten grondslag. Immers, iedereen zal regelmatig schoenen moeten aanschaffen. Het is derhalve billijk dat ook verzekerden die aangewezen zijn op allergeenvrije schoenen, een vergelijkbaar bedrag in de aanschaffingskosten van deze schoenen verschuldigd zijn.

 

Artikel 24, eerste lid, onderdeel a tot en met c

     In verband met de ontwikkelingen op het gebied van de thuisverpleging is behoefte ontstaan aan de verschaffing van toedieningssystemen van voeding in de thuissituatie.
     Patiënten bij wie normale voeding om enigerlei reden ongewenst of onmogelijk is geworden, zijn aangewezen op een alternatieve wijze van voeden. De aanspraak omvat zowel enterale (via maagdarmkanaal) als parenterale (via de bloedbaan) toedieningssystemen voor voeding. Met de huidige omschrijving is beoogd uitsluitend die middelen te verstrekken die nodig zijn bij toepassing van de toedieningssystemen in de thuissituatie. Middelen die tijdens ziekenhuisopname worden ingebracht c.q. toegepast, vallen niet onder de aanspraak.
     Wat betreft het toebehoren bij de diverse toedieningssystemen wordt onder meer gedacht aan aansluitstukken, -slangen, flessen, aanpriknaalden, infuusstandaard en dergelijke, alsmede desinfectantia, voor zover het middelen betreft die niet vallen onder de aanspraak op farmaceutische hulp. Daarnaast is het bij parenterale voeding gebruikelijk dat middelen worden gebruikt als steriele handschoenen, nierbekkenschaaltjes, spatels en monddoekjes. Deze middelen behoren eveneens tot de aanspraak.

     Onderdeel d. Onder de aanspraak op een eetapparaat wordt verstaan een eethulp ten behoeve van personen met beperkingen in het gebruik van armen of handen. De eethulp stelt deze personen in staat zelfstandig de maaltijd te gebruiken, in een zelf te bepalen tempo. Het apparaat bestaat uit een onderstel (frame-aandrijfgedeelte en lepelarm) waarop een bord kan worden verplaatst. Het bord kan links- of rechtsom draaien. De in de lepelarm geplaatste lepel wordt automatisch naar het bord bewogen en vervolgens naar boven in afhapstand.
     Andere op de markt beschikbare geavanceerde apparatuur, met dezelfde mogelijkheden, bijvoorbeeld de roboteethulp, moeten vooralsnog als onnodig kostbaar worden aangemerkt en komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Artikel 25, eerste lid

     Onderdeel a, 1º. Bij de verschaffing van aan een handicap aangepaste tafels gaat het voornamelijk om in hoogte verstelbare tafels ten behoeve van rolstoelgebruikers. Ook bedleestafels voor bedlegerigen vallen onder de aanspraak.

     Onderdeel a, 2º. Onder de aanspraak op aan een handicap aangepaste stoelen gaat het om stoelen ten behoeve van gehandicapten die problemen hebben met zitten, met het opstaan en gaan zitten of uitsluitend door middel van overschuiven plaats kunnen nemen in een stoel. Bij deze laatste categorie gaat het om rolstoelgebruikers. Of een verzekerde die rolstoelgebruiker is, in de thuissituatie naast de rolstoel tevens de beschikking dient te hebben over een aangepaste stoel, is afhankelijk van de individuele omstandigheden van verzekerde en dient per geval te worden beoordeeld aan de hand van de algemene criteria: redelijkerwijs overbodig, onnodig kostbaar, onnodig gecompliceerd of niet doelmatig. Indien er bij de verzekerde uitsluitend sprake is van zitprobleem, is de verschaffing van een aangepaste stoel slechts mogelijk indien de aanpassing niet kan worden beschouwd te behoren tot de normale ergonomische eisen die aan stoelen worden gesteld. Ook zogenaamde seniorenstoelen en stoelen ten behoeve van speciale leeftijdsgroepen vallen niet onder de regeling.

     Onderdeel b, 1º. Bedden in een speciale uitvoering, met inbegrip van de daarvoor bestemde matrassen, zijn geïndiceerd indien sprake is van een indicatie voor verpleging. Daarnaast kan een aangepast bed noodzakelijk zijn ter bewaring van de zelfstandigheid. Bij deze laatste categorie moet gedacht worden aan verzekerden die onvoldoende kracht hebben in armen of rug om uit bed op te staan. In die gevallen waarin niet kan worden volstaan met andere hulpmiddelen om uit bed te komen, zoals bijvoorbeeld een papegaai, bestaat de mogelijkheid een zogenaamd transferbed te verstrekken. Vage klachten of rugpijnklachten van al dan niet bekende aard vormen geen indicatie voor de verschaffing van een aangepast bed. Naast transferbedden kunnen, indien sprake is van een indicatie voor verpleging, behandelbedden worden verstrekt. Het gaat hier om de zogenaamde hoog-laagbedden, al dan niet voorzien van een transfersysteem. Ten slotte is in bepaalde situaties een zogenaamd verblijfbed aangewezen. Deze bedden beschikken over een transfersysteem, een hoog-laagverstelling en de mogelijkheid de patiënt van de rug op zijn zijde of op zijn buik te draaien.

     Onderdelen a, 3º, en b, 2º. Er bestaat aanspraak op diverse antidecubitushulpmiddelen, zoals antidecubituszitkussens, -bedden en -matrassen. Gezien de hoge kosten die met deze aanspraak gemoeid kunnen zijn, is het belangrijk dat steeds de goedkoopste adequate voorziening wordt verstrekt.

     Onderdeel b, 3º tot en met 5º. De aanspraak omvat tevens bijkomende hulpmiddelen, zoals dekenbogen, onrusthekken, bedgalgen en -portalen, bedverkorters en -verlengers die nodig kunnen zijn bij de verpleging van een verzekerde.

     Onderdeel b, 6º. Klachten die verband houden met een allergie voor huisstofmijt, kunnen verminderen door het contact met de huisstofmijt zo gering mogelijk te maken. De plaats waar het contact met de huisstofmijt het grootst is, is de slaapkamer en met name het bed, waarin de huisstofmijt zich, gezien de temperatuur en het vochtgehalte, goed kan ontwikkelen. Naast de maatregelen die de verzekerde zelf kan treffen om de slaapkamer schoon en stofvrij te houden, kunnen in het kader van de onderhavige aanspraak matras en kussen worden voorzien van een afschermende hoes die ervoor zorg draagt dat het contact met de huisstofmijt zoveel mogelijk wordt vermeden.
     Om voor de verschaffing in aanmerking te komen, dient sprake te zijn van een door een specialist vastgestelde allergie.

 

Artikel 25, tweede lid

     Voor alle hulpmiddelen die op grond van dit artikel kunnen worden verstrekt, geldt dat de aanspraak is beperkt tot situaties waarin de verzekerde langdurig op het gebruik van deze middelen is aangewezen. In geval van kortdurend gebruik van deze middelen wordt ervan uitgegaan dat de kruisvereniging deze middelen in bruikleen verschaft.

 

Artikel 25, vierde lid

     Evenals de specialist is de huisarts goed in staat om te bepalen of er sprake is van een huisstofmijtallergie. Een dergelijk allergie kan worden vastgesteld op basis van de resultaten van een huidtest of van een laboratoriumtest, de zogenaamde RAST-test. De huidtest is een specialistische verrichting; de RAST-test kan ook in opdracht van een huisarts in een (huisartsen)laboratorium worden uitgevoerd. Beide tests vertonen gelijkwaardige resultaten.

 

Artikel 26, eerste lid

     Onderdeel a. De onderhavige zorgaanspraak omvat zowel de computerhardware als de -software. Een computer in de thuissituatie is in het algemeen slechts geïndiceerd bij motorisch gehandicapten voor wie de computer met aanpassing als enig of nagenoeg enig middel adequate communicatie mogelijk maakt. Naast de computer als communicatiemiddel kunnen motorisch zeer ernstig gehandicapten deze voorziening ook gebruiken voor omgevingsbediening. Met de computer is het mogelijk ramen, deuren en gordijnen te openen of te sluiten. Tevens kunnen allerlei apparaten hiermee aan- of uitgezet worden. Ook voor het telefoneren wordt de omgevingsbesturing gebruikt. Voor deze categorie zwaar gehandicapten bestaat geen goedkoper alternatief.
     Dit is in het algemeen wel het geval bij blinden en slechtzienden en licht motorisch gehandicapten. Voor deze gehandicapten zijn goedkopere communicatiemiddelen voorhanden welke als adequaat kunnen worden aangemerkt, maar in vergelijking tot de computer minder snel en efficiënt zijn. Voorbeelden hiervan zijn de brailletypemachine, zwartschrifttypemachine, tv-loupe, reglette met prikpen, memorecorder, rekenmachine en dergelijke. Sjablonen maken het mogelijk cheques in te vullen. Het kiezen voor een snellere en efficiëntere manier van werken is voor deze categorie gehandicapten een eigen keuze. In dat geval wordt de computerhardware niet vergoed, maar de benodigde aanpassing en de speciale software (programmatuur), zoals bijvoorbeeld grootletter-software, wel (zie onderdelen d en e).
     Voorts is een computer in de thuissituatie geïndiceerd bij doof-blinden. Voor deze groep kan een computer dienen als hulpmiddel voor de communicatie met anderen, als hulpmiddel voor communicatie en als teksttelefoon. De zorgaanspraak omvat tevens een zeer intensieve opleiding.

     Onderdeel b. De onderhavige zorgaanspraak omvat al dan niet elektrische schrijfmachines met of zonder geheugen en brailleschrijfmachines. Deze apparatuur kan noodzakelijk zijn om de visueel of motorisch gehandicapte in staat te stellen tot het onderhouden van zijn maatschappelijke (schriftelijke) contacten en dient als zodanig te worden beschouwd als een hulpmiddel voor communicatie. Verschaffing van deze voorziening komt slechts aan de orde wanneer de verzekerde geregeld schriftelijke contacten onderhoudt. Elektronische brailleschrijfmachines zijn in het algemeen slechts aangewezen wanneer sprake is van zowel een visuele als een motorische handicap.

     Onderdeel c. Hieronder valt bijvoorbeeld de sprekende rekenmachine voor de visueel gehandicapte.

     Onderdeel d. De onderhavige aanspraak omvat een breed scala aan in- en uitvoerapparatuur en accessoires voor computers, schrijfmachines en rekenmachines. Hierbij moet worden gedacht aan:
- invoerapparatuur;
- één-funktiebestuurde toetsenborden. Deze bestaan uit een matrix met letters en tekens; het kiezen van de symbolen gebeurt met behulp van een schakelaar en scanner;
- toetsenborden voor eenhandige bediening;
- stifttoetsenborden, waarbij de toetsen met een stift worden ingedrukt;
- vergrote toetsenborden;
- verkleinde toetsenborden, waarbij toetsen met één hand bereikbaar zijn;
- afdekplaten, om te voorkomen dat als gevolg van een storing in de fijne motoriek meer dan één toets tegelijk wordt ingedrukt;
- lichtvlekbediende toetsenborden. Dergelijke toetsenborden zijn bedoeld als hulpmiddel voor zeer ernstig motorisch gehandicapten die door uitval van de ledematen voor contacten met de omgeving zijn aangewezen op speciale communicatieapparatuur. De verzekerde dient over een redelijke bewegingsfunctie van het hoofd te beschikken; bij de gebruiker wordt namelijk een lichtbron aan het brilmontuur of de hoofdband bevestigd. Door een lichtstraal te richten op een bedieningsplateau met lichtgevoelige cellen welke corresponderen met het toetsenbord, wordt de gewenste letter aangewezen;
- muizen;
- printers en plotters; de verschaffing van deze apparatuur in de thuissituatie is in het algemeen slechts geïndiceerd als onderdeel van een computerconfiguratie bij motorisch gehandicapten zonder adequaat alternatief.
- brailleleesregel. Het betreft een brailleleesregel met ca. 20 braillecellen die aangesloten kan worden op een computer;
- apparatuur voor synthetische spraak. Voor mensen met een visuele stoornis kan de onderhavige apparatuur bijvoorbeeld tekst uit een tekstverwerker voorlezen. Deze apparatuur is in het algemeen slechts geïndiceerd indien de verzekerde niet reeds de beschikking heeft over een brailleleesregel;
- hulpstukken voor papierinvoer;
- onderarmsteunen voor schrijfmachines of computers.

     Onderdeel g. Een cassetterecorder is voor een visueel gehandicapte een aangewezen middel tot communicatie indien hij slechts via deze recorder kennis kan nemen van de op schrift gestelde gedachten van anderen, in casu literatuur in gesproken vorm (boek, tijdschrift e.d.). Deze cassetterecorders zijn in mono uitgevoerd, in een stereouitvoering is de ingesproken tekst niet te beluisteren. De kwaliteit van de cassetterecorder is afgestemd op het intensieve gebruik ervan door de gehandicapte. De memorecorder heeft de functie van een (zak)agenda of aantekenboekje en wordt gebruikt voor het maken van aantekeningen of voor het vastleggen van gegevens. Voor de visueel gehandicapte die het brailleschrift beheerst, kan de memorecorder worden beschouwd als efficiënt, maar niet per se noodzakelijk voor het maken van aantekeningen en dergelijke. Voor de gehandicapte die het brailleschrift niet beheerst en zich dit ook niet eigen kan maken, is echter geen alternatief voorhanden voor het vastleggen van het gesproken woord, het maken van een notitie en dergelijke. Een cassetterecorder biedt hiervoor geen adequate oplossing, omdat het gebruik van deze apparatuur in het algemeen aan één plaats gebonden is.

     Onderdeel h. Telefoonnummerkieshulpmiddelen en telefoonhoornhouders kunnen geïndiceerd zijn voor motorisch gehandicapten. De hier bedoelde aangepaste telefoons zijn geïndiceerd voor motorisch zeer zwaar gehandicapten en kunnen worden bediend met omgevingsbesturingsapparatuur (zie onderdeel a).
     De teksttelefoon oftewel de doventelefoon is een apparaat dat auditief gehandicapten die niet met behulp van enig ander hulpmiddel kunnen telefoneren, in staat stelt toch van het hulpmiddel gebruik te maken. Gesprekskosten en kosten in verband met het gebruik van de Teleplusdienst worden niet vergoed.
     In plaats van een teksttelefoon kan de verzekerde kiezen voor de verstrekking van een faxapparaat. Aan de verstrekking is een maximumvergoeding verbonden. De meerkosten komen derhalve voor eigen rekening.
     Voor motorisch gehandicapten zijn aangepaste telefoons of aanpassingen aan telefoons geïndiceerd.

     Onderdeel i. Onder deze zorgaanspraak vallen onder meer letter- of symbolensets en -borden, draagbare communicators (zowel schrift als spraak), stemgenerators, stemversterkers voor individueel gebruik, luisterhoorns en luisterslangen.
     De doelgroep voor apparatuur met spraakuitvoer bestaat uit personen die niet met behulp van spraak kunnen communiceren. Zij hebben de behoefte en de mogelijkheden om door middel van spraakuitvoer op een meer directe manier aan gesprekken deel te nemen. Hun handicap en hun communicatiegedrag maken dat de conventionele communicatiehulpmiddelen, zoals het symbolenaanwijssysteem, niet (meer) adequaat zijn. De meest urgente groep van spraakgehandicapten die voor deze voorziening in aanmerking komen, zijn spraakgehandicapten die buiten de spraakuitvoerapparatuur eigenlijk geen alternatieve mogelijkheid hebben om op een adequate manier te communiceren.
     Globaal gezien wordt gebruik gemaakt van twee verschillende technieken voor opslag en uitvoer van spraak, namelijk de techniek van de gedigitaliseerde spraak en de synthetische spraaktechniek. Bij de gedigitaliseerde spraaktechniek wordt de spraak niet analoog, zoals bij een bandrecorder, maar digitaal opgeslagen. De te genereren woorden of zinnen worden vooraf via een microfoon, die is aangesloten op een computer, ingesproken. Bij de synthetische spraaktechniek behoeven vooraf geen woorden of zinnen te worden ingesproken. De spraak wordt samengesteld aan de hand van een tevoren ingesproken klankpatroon.

     Onderdeel j, 1º. Een wek- en waarschuwingsinstallatie heeft ten doel via substitutie een auditief gehandicapte te attenderen op auditieve waarschuwingssignalen. De apparatuur zet deze signalen (deurbel, telefoon, wekker, babyalarm) om naar zichbare of voelbare signalen (flitsen of trillingen). Een dergelijk systeem kan bestaan uit:
- een centrale;
- een elektrische wekker;
- een trilkussen;
- een aantal flitslampen.
De centrale is het deel van de trilinstallatie waarop alle benodigde onderdelen worden aangesloten. De elektrische wekker dient voor het afstellen van het trilkussen, gelegen onder het hoofdkussen van verzekerde. De flitslampen kunnen onder meer de bel vervangen. Zij gaan knipperen zodra er gebeld wordt. Voor doof-blinden zijn er aparte, door henzelf instelbare wekkers met een zeer krachtig trilkussen.

     Onderdeel j, 2º. De hier bedoelde apparatuur bestaat uit een draagbare, draadloze noodschakelaar waarmee men in noodsituaties een telefoonkiesautomaat in werking kan stellen. Deze automaat legt contact met patiënten of een 24-uursbemande centrale die op hun beurt een hulpverlener inschakelen voor daadwerkelijke assistentie. Het doel van de alarmeringsapparatuur is zelfstandig wonen mogelijk te maken voor personen die sociaal en ADL-redzaam [algemene dagelijkse levensverrichtingen, red.] zijn, maar als gevolg van ziekte of gebrek een verhoogd risico lopen in een noodsituatie terecht te komen.
     De apparatuur kan worden verstrekt aan gehandicapten:
- voor wie een duidelijke noodzaak bestaat om in geval van nood onmiddellijk medische of technische hulp van buitenaf in te roepen;
- die bovendien gedurende langere tijd op zichzelf zijn aangewezen;
- en van wie men niet kan verwachten dat ze in een noodsituatie de telefoon zelfstandig kunnen bedienen.
     Bewakingsapparatuur ter voorkoming van wiegedood valt niet onder de aanspraak.

 

Artikel 28, eerste lid

     Ook bij de verschaffing in bruikleen geldt dat in beginsel geen vergoeding wordt verleend voor energiekosten (kosten van verbruik van elektriciteit, van batterijen of oplaadapparatuur), met dien verstande dat een middel wel gebruiksklaar wordt afgeleverd, derhalve met inbegrip van eventuele batterijen.

 

Artikel 29, eerste lid

     Gebleken is dat de advisering en begeleiding door een audiologisch centrum essentieel is voor een doelmatige verschaffing van de soloapparatuur. Het centrum geeft bij de aanvraag die door of namens de verzekerde wordt ingediend aan of een indicatie bestaat als bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage 11. Het centrum dient vervolgens na te gaan of de verzekerde in staat is doelmatig met de soloapparatuur om te gaan. Hiervoor zal meestal een periode van proefgebruik noodzakelijk zijn. Het centrum brengt ten slotte advies uit op grond waarvan het ziekenfonds beslist of tot bruikleenverschaffing kan worden overgegaan.
     CPAP-apparatuur wordt uitsluitend verstrekt op voorschrift van een specialist. De indicatiestelling voor CPAP-apparatuur wordt uitgevoerd in een aantal (academische) slaapcentra. Dit betreft samenwerkingsverbanden tussen verschillende specialistische disciplines (neurologie, KNO-heelkunde [keel-, neus- en oorheelkunde, red.], psychologie, psychiatrie), gericht op patiëntenzorg op het gebied van slaap- en waakstoornissen. In deze centra is de specialistische kennis en ervaring aanwezig om de indicatiestelling voor CPAP-apparatuur op adequate en doelmatige wijze te kunnen verrichten.
     Voor de BAHA is een voorschrift van een keel-, neus- en oorarts vereist. De implantatie en het aanmeten van het hoortoestel dient bij voorkeur plaats te vinden in één van de centra met de vereiste oorheelkundige en audiologische expertise. Dit betreft in elk geval de academische ziekenhuizen van Nijmegen en Rotterdam, het academisch ziekenhuis bij de Universiteit van Amsterdam en het Diaconessenziekenhuis in Eindhoven.
     De BAHA is om deze organisatorische reden als bruikleenverstrekking in de regeling opgenomen. De zorgverzekeraar is in dat geval eigenaar van de apparatuur en kan afspraken maken met de fabrikant van de BAHA en de specifieke centra waar de implantatie en de aanpassing van het toestel plaatsvindt, over de organisatorische aspekten van deze verstrekking.

 

Artikel 29, derde lid

     De elektriciteitskosten in verband met het gebruik van een zuurstofconcentrator komen voor rekening van het ziekenfonds, omdat het niet redelijk wordt geacht de verzekerde met extra kosten te belasten wanneer de verschaffing van een concentrator in vergelijking met een zuurstofapparaat voor de verzekering voordeliger is.

 

Artikel 29, vierde lid

     Op grond van de indicatiecriteria opgenomen in bijlage 10 bij de regeling kan worden vastgesteld of er sprake is van het obstructief slaapapneusyndroom (OSAS). Op basis van deze criteria kan OSAS worden onderscheiden van ernstig snurken. In dit laatste geval bestaat uitdrukkelijk geen aanspraak op CPAP-apparatuur.

 

Artikel 29, vijfde lid

     In bijlage 11 zijn de indicaties voor en de voorwaarden waaronder tot verschaffing van de soloapparatuur kan worden overgegaan, vastgelegd. De verschaffing van soloapparatuur is ook mogelijk ten behoeve van verzekerden die in een gestructureerd en georganiseerd verband onbetaalde werkzaamheden verrichten.
     In bijlage 12 is de indicatie voor tactielleesapparatuur vermeld. De kosten voor de test die de verzekerde dient te ondergaan bij de Stichting het Loo Erf te Apeldoorn komen op grond van artikel 28, tweede lid, voor rekening van de ziekenfondsverzekering. Een indicatie kan aanwezig zijn als de apparatuur voor de verzekerde nodig is in de onderwijs- of beroepssituatie en in de privésituatie ter verbetering van de levensomstandigheden. Ter beoordeling van dit laatste kunnen in volgorde van belangrijkheid de volgende criteria worden gehanteerd:
- de belanghebbende vormt een eenoudergezin met jonge, nog van de ouder afhankelijke kinderen;
- de belanghebbende woont alleen en verkeert in een isolementssituatie;
- er is sprake van een huishouden waarbij de belanghebbende en zijn of haar partner visueel gehandicapt zijn;
- er is sprake van een situatie waarin de visueel gehandicapte onbetaalde werkzaamheden verricht die aantoonbaar veel leeswerk met zich meebrengen.

 

Artikel 29, zesde lid

     De BAHA is geïndiceerd indien sprake is van slechthorendheid door geleidingsverlies. Er gelden geen andere indicatievereisten dan voor conventionele hoortoestellen. Er kan evenwel pas aanspraak worden gemaakt op een BAHA indien behandeling met een conventioneel hoortoestel geen uitkomst biedt. Bovendien is de aanspraak beperkt tot maximaal één toestel.

 

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers
.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | Ziekenfondswet | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x